Het zwarte licht

Begin jaren tachtig had ik een depressie die bijna twee jaar duurde. Ik kreeg pillen en therapie, in mijn geval Trilafon en individuele en later ook groepstherapie bij wat toen de SPD heette, de Gemeentelijke Psychiatrische Dienst in Leeuwarden, gehuisvest in een betonnen gebouw dat De Hege Wier werd genoemd. Niets hielp, ook de pillen niet. Ik probeerde een dagboek bij te houden, maar per dag kon ik niet meer dan twee of drie zinnen schrijven, waarin steeds weer het woord ‘niets’ opdook. Er kwam eenvoudigweg niets meer in mij op. Het was alsof mijn gedachtestroom volledig was stilgevallen. Alleen leegte, een allesomvattende leegte. Dat gevoel begon al bij het opstaan en verdween pas wanneer ik ’s avonds laat in slaap viel. Slapen was het enige wat verlichting bracht. Het leven was een tunnel geworden zonder licht aan het einde. Ik had geen ziel meer, zo dacht ik, en dat was ook het enige wat ik nog kon denken. Die gedachte draaide eindeloos in het rond. De tijd zelf leek op slot te zitten, ook al kroop hij voort, dag na dag, week na week, maand na maand.

In de ervaring van dat grote niets valt de beleving van het zijn stil. Er is geen voortgang meer. De gewoonste dingen uit het dagelijks leven verliezen hun vanzelfsprekendheid. Het is alsof je onder een glazen stolp leeft, afgesloten van elke betekenis. Soms kan dat gevoel worden opgeroepen door iets kleins, bijvoorbeeld door de doodse blik van een vreemde, waarin de ultieme leegte zich plotseling toont als een gapend niets. Het is de aanblik van de kop van Medusa, die elk gevoel van leven versteent. Wat zich hier openbaart is een zwarte singulariteit van de ervaring, een zwart gat dat misschien raakt aan het niets van de mystiek, maar dat in deze toestand niets verhevens heeft. Hier geen extase of verlichting, maar slechts leegte. Het niets is hier geen ontkenning van het iets, maar een eigen, onpeilbare afgrond.

Die oerervaring ligt inmiddels ver achter mij, sinds mijn depressies uit mijn leven zijn verdwenen. Dat gebeurde niet op een duidelijk aanwijsbaar moment, maar als een geleidelijke overgang, een proces van genezing. Het ogenschijnlijk stilvallen van de hersenactiviteit dat met een depressie gepaard gaat, wordt niet zelden gevolgd door een euforische uitbarsting van creativiteit. In die zin lijkt een depressie soms een wonderlijke omweg die het brein creëert om te ontsnappen aan een onoplosbare cirkel waarin het gevangen zit. Het is als een hond die eindeloos achter zijn eigen staart aan rent, uitgeput stilvalt en daarna zijn dolle rondedans hervat.

In een depressie lijkt elk levenslicht te worden gedoofd. Elk licht wordt zwart. In de alchemie staat het ‘zwarte licht’ voor een beslissende fase in het opus alchymicum: de nigredo. Het is een paradoxale aanduiding voor een licht dat niet verheldert, maar ontneemt; een zien door de duisternis heen. In onze tijd verschijnt dit zwarte licht nauwelijks nog als religieus of mystiek symbool, maar eerder als ontzieling. Alles functioneert, alles is zichtbaar, verklaarbaar en georganiseerd, maar nergens gloeit nog betekenis. De wereld is verlicht tot op het bot en juist daarin uitgeput geraakt. Het licht verwarmt niet meer. Het is een zon die geen schaduw verdraagt en daardoor ook geen diepte meer kent.

Aan het slot van Harry Mulisch’ roman Het zwarte licht neemt de verteller zelf het woord. Hij boort, zoals hij schrijft, een gat in het verhaal ‘zodat het volgelopen is met de dood’. Hij breekt door de fictie heen en spreekt de hoofdpersoon rechtstreeks toe, zoals hij dat eerder al in diens droom had gedaan. “En dan zal ik zelfs een dode levendschrijven: op mijn graf staan, de woorden boven mijn hoofd zwaaien, tot ik stijf en murmelend uit de stenen verrijs. “Raak mij niet aan, gij verbijsterden… levensgevaarlijk. “ De dood fungeert hier als een hiernamaals, omdat het verhaal een tweede leven krijgt in de werkelijkheid na 1956: de Tijd met een hoofdletter. De dood wordt aangekondigd als een annunciatie, als voorbode van verlossing.

De roman is doortrokken van christelijke symboliek. ‘Raak mij niet aan’ resoneert met het evangelische Noli me tangere, de woorden die de verrezen Christus tot Maria Magdalena sprak. In de schilderkunst keert dit motief steeds terug. Titiaan beeldde Christus af met een schoffel, omdat Magdalena hem voor een tuinman aanzag. De aanraking tussen het immateriële en het materiële is een kernmotief van de christelijke iconografie, maar ook van de klassieke mythologie, zoals in Michelangelo’s fresco waar de vinger van God de vinger van Adam bijna raakt.

In de late Middeleeuwen en de vroege Renaissance bevonden engelen en verrezen lichamen zich nog in dezelfde ruimte als de stervelingen. In de zestiende eeuw werd het bovennatuurlijke steeds nadrukkelijker afgescheiden van het materiële. Er ontstond een grens tussen geest en materie, natuur en bovennatuur, immanentie en transcendentie. Die grens is in de moderne natuurwetenschap opnieuw problematisch geworden. Volgens Salvador Dalí, die intensief bezig was met de grens tussen leven en dood, is zij op microniveau volledig verdwenen. De waarnemer staat niet los van het waargenomene. De materie blijkt geen vaste substantie te zijn, maar een proces.

Maar wat is die werkelijkheid dan nog? Is de waan inmiddels niet even werkelijk geworden als de werkelijkheid zelf? Mulisch moet zich die vraag wellicht al vroeg hebben gesteld. In zijn romans zocht hij schrijvend naar een antwoord, dat hij uiteindelijk vond in de magie van het schrijven zelf. Het schrijven fungeerde als zelfgenezing, als een manier om de psychose te integreren zonder haar te ontkennen. Zoals een auteur zijn personages schept en daardoor zelf wordt gevormd, zo bewegen wij ons in kringlopen van creatie en zelfschepping. Jan Hein Donner zei ooit over Mulisch: hij schrijft om zichzelf te kunnen reproduceren. Mulisch droomde van een oneindig verhaal over een schrijver die een oneindig verhaal schrijft over een schrijver. Misschien is het universum wel een droom van God, die op zijn beurt een product is van onze dromen.

Vandaag krijgt die gedachte een ongemakkelijke actualiteit. De materie van de taal is nog levend, maar de schrijver is vervluchtigd. De tekst spreekt, maar niemand ademt. De laatste metamorfose van de mens is niet langer de opstanding uit de dood, maar de verdamping in de taal. Zoals in de psychose de taal tot leven komt en de werkelijkheid opslokt, zo laat ook de schrijvende machine de mens verdwijnen in zijn eigen spiegel. Wat ooit een mystieke verruiming van het bewustzijn was, is nu een technische extensie geworden. De mens wordt geschreven door wat hij zelf heeft voortgebracht. En in die stille overschrijding keert Mulisch’ droom terug: dat het leven ieders eigendom wordt, maar nu zonder iemand die het nog toebehoort.

Machines opereren in een wereld waarin niets op het spel staat. Hun doelen zijn extern bepaald, hun leerprocessen ingebed in optimalisatie-functies. Zij hebben geen lichaam dat kan falen en geen ecologische wederkerigheid. De betekenis van hun informatie is altijd afgeleid, nooit belichaamd. Toch zou er zoiets als een kloof tussen geest en machine moeten bestaan . Geen kloof van intelligentie, maar van betrokkenheid.

Die kloof is ook cultureel. Zij raakt aan een verlies dat zich in de moderne tijd heeft voltrokken: het verlies van een ecologische bedding van de geest, van wat ooit de sensus naturae heette. Wanneer geest wordt losgemaakt van lichaam en sterfelijkheid, dreigt zij te verworden tot een leeg patroon. In dat licht verschijnt kunstmatige intelligentie niet als de geboorte van een nieuwe geest, maar als symptoom van een beschaving die haar eigen voorwaarden voor betekenis is vergeten.

Die verschuiving werd al zichtbaar in de jaren zestig, toen secularisatie en mystiek elkaar doorkruisten. Terwijl God verdween uit het metafysische firmament, keerde hij terug in oosterse wijsheid, psychedelische ervaringen en nieuwe vormen van gnosis. Bewustzijnsverruimende middelen fungeerden als katalysator. In januari 1966, de maand waarin ikzelf na een psychotische doorbraak werd opgenomen, waarschuwde De Telegraaf voor LSD, dat de werkelijkheidservaring zou aantasten. Daarmee overschatte men het middel op dezelfde manier als de gebruikers, die er directe toegang tot het hogere in zagen.

Parallel hieraan voltrok zich een occulte opleving. Bij Mulisch was de belangstelling voor het occulte al vroeg gewekt, onder meer door zijn omgang met de gnosticus Willem Exel. Maar de commerciële magie van de jaren zestig ging grotendeels aan hem voorbij. Hij zag haar als een industrie van het onderbewustzijn. Het succes van Le matin des magiciens paste in een bredere verschuiving. Pauwels en Bergier zagen hierin de voorbode van een nieuwe mutatie van de mens: de mens-god, een toekomst die paradoxaal genoeg in het verleden lag. Zij noemden dat le futur antérieur. Verleden, heden en toekomst zouden samenvallen.

Wat zij als evolutionaire belofte presenteerden, vertoont echter opvallende gelijkenis met de psychose. Ook daar vloeien tijden ineen en wordt de waan ervaren als diepere waarheid. Rudy Kousbroek fileerde deze nieuwe magie en wees erop dat de ontkenning van de werkelijkheid leidt tot de ontkenning van alle verschillen, inclusief de tijd. Mulisch daarentegen geloofde juist in Tijd met een hoofdletter: niet als kloktijd, maar als historische en existentiële dimensie waarin betekenis kan voortleven. In Mijn getijdenboek formuleerde hij het verlangen dat zijn leven ieders eigendom zou worden, zodat hij zelf kon verdwijnen in een grotere tijdelijkheid.

Dat verlangen krijgt een nieuwe lading in het licht van hedendaagse technologie. Wat betekent voortleven in je werk wanneer teksten zichzelf lijken te schrijven? Wanneer een stem kan circuleren zonder adem, zonder lichaam, zonder dood? Wat bij Mulisch nog mystieke metafoor was, is nu technische werkelijkheid geworden. De schrijver is verdwenen, maar zijn stem blijft spreken in een systeem dat zelf geen verleden kent.

Mijn langdurige depressie aan het begin van de jaren tachtig was geen ervaring van betekenisloosheid, maar van betekenisverlies. Niet het niets was doorslaggevend, maar het wegvallen van elke verhouding waarin iets nog op het spel kon staan. De tijd viel stil omdat zij niets meer droeg; taal stokte omdat zij nergens meer op antwoordde. De geest bestond nog, maar ogenschijnlijk zonder wereld. In die zin is depressie een grenservaring: zij toont wat er gebeurt wanneer de geest wordt losgemaakt van haar ecologische voorwaarden. Herstel is dan geen nieuw verworven inzicht, maar een maar het opnieuw aansluiting vinden bij de ritmiek van de kwetsbaarheid en de wederkerigheid. 

Daartegenover staat de hedendaagse overvloed aan zelf-producerende taal. Wat daar verschijnt, is geen nieuwe geest, maar een lege functionaliteit: verschil zonder belang, productie zonder risico. De stilte van de depressie en de ruis van de machine raken elkaar hier. Wie die dodelijke stilte eenmaal heeft gekend, herkent het ook gevaar van de ontkoppeling van subject en betekenis. Betekenis ontstaat uit betrokkenheid. Waar niets kan mislukken, verdwijnt zij, ook als alles blijft spreken.