De toekomst van de seks

De toekomst openbaart zich zelden als een plotselinge breuk. Meestal dient zij zich aan in de gedaante van een voorzorgsmaatregel, een tijdelijke uitzondering, een technische optimalisatie die slechts bedoeld is om het leven te beschermen. Wat achteraf als een radicale omwenteling verschijnt, wordt in het heden ingevoerd als noodzaak. Giorgio Agamben heeft erop gewezen dat de ware dreiging van een epidemie niet schuilt in haar onmiddellijke verwoesting, maar in de toekomst die zij voorbereidt. Zoals oorlogen telkens nieuwe technologieën hebben voortgebracht die na afloop niet meer verdwijnen, zo heeft ook de gezondheidscrisis van de corona-pandemie een reeks experimenten gelegitimeerd die voorheen politiek ondenkbaar waren. Instellingen sloten hun deuren en ontdekten dat zij zonder fysieke aanwezigheid konden voortbestaan. Onderwijs verplaatste zich naar schermen. Politiek en cultureel debat verloren hun ruimtelijke verankering. Sociale nabijheid werd hergedefinieerd als risico. Het lichaam werd het probleem dat beheerd moest worden.

In deze context drong zich onvermijdelijk de vraag op wat er in de toekomst met de seks zal gebeuren. Seks is immers de meest directe vorm van lichamelijke nabijheid, de plek waar huid, adem en vloeistof elkaar raken. In een wereld waarin virussen steeds meer vrij spel hebben, zal het lichamelijk contact verdacht worden, en zo kan ook de seks niet ongemoeid blijven. Al in de vorige eeuw heeft de sciencefiction deze vraag vooruitgeschoven. In de film Barbarella wordt echte seks afgeschaft als primitief en gevaarlijk; het orgasme wordt bereikt via chemische en elektrische omwegen, zonder aanraking, zonder besmetting. Wat destijds als speelse fantasie werd gepresenteerd, blijkt achteraf een vroege intuïtie te zijn geweest. Alleen heeft de toekomst geen pillen en handpalmen nodig gehad, maar apparaten, netwerken en schermen.

Het opmerkelijke is dat deze toekomst al lang is begonnen. Internet heeft zich ontwikkeld tot een mondiale marktplaats van seksualiteit waarin vraag en aanbod elkaar vinden zonder dat lichamen elkaar nog hoeven te ontmoeten. Tijdens de coronapandemie nam de vraag naar betaalde webcamseks explosief toe, wat niet alleen de schaal van deze industrie zichtbaar maakte, maar ook haar structurele karakter. Honderdduizenden mensen verlenen inmiddels wereldwijd seksuele diensten via platforms die miljarden omzetten en nauwelijks regulering kennen. De waarschuwingen voor mensenhandel klinken terecht, maar raken slechts aan de oppervlakte van een dieper probleem. Want wat hier wordt verhandeld, is niet langer het lichaam als zodanig, maar het beeld van het lichaam, losgemaakt van zijn biologische en sociale context. Seks is gevirtualiseerd, gedeterritorialiseerd en gereduceerd tot een stroom van signalen op internet.

Dit proces is geen toevallige ontsporing, maar de uitkomst van een ontwikkeling die al sinds de opkomst van het internet gaande is. In de jaren negentig werd cyberspace voorgesteld als een nieuwe ruimte, niet alleen voor informatie en ontmoeting, maar ook voor ervaring en bewustzijn. Sciencefiction-schrijvers en technofuturisten raakten in de ban van de gedachte dat het lichaam in deze virtuele ruimte zou worden overschreden en dat seks een nieuwe, grensloze vorm zou aannemen. William Gibson sprak in Neuromancer over cyberspace als een collectieve hallucinatie, een wereld die niet buiten de werkelijkheid staat, maar zich ertussen nestelt, als een intermediaire sfeer die niet kan worden verlaten. Cyberspace was geen plek, maar een toestand, een mentale infrastructuur die zich onafhankelijk van haar inhoud uitbreidt.

In die zin heeft het internet niet alleen nieuwe seksuele praktijken mogelijk gemaakt, maar ook een nieuw soort geestelijke ruimte geschapen. Het werd een voertuig voor new-age-fantasieën en utopische verwachtingen waarin techniek de rol overnam van religie. Wat Timothy Leary in de jaren zestig als spirituele bevrijding had gepropageerd, leek nu technisch realiseerbaar. Maar de belofte van ontsnapping bleek een illusie. Er is geen buiten meer, geen outside van het netwerk. Iedereen is permanent ingelogd, afgestemd, ingekapseld. Het medium zelf is de ontsnapping geworden, niet uit het systeem, maar uit de werkelijkheid. Deze ontsnapping kent geen terugweg. De virtualisering van ervaring is onomkeerbaar.

Tegen deze achtergrond krijgt de vervanging van fysieke seks door digitale interfaces een principiële betekenis. Er wordt wel beweerd dat de menselijke soort wordt gekenmerkt door een steeds verdergaande remming van haar natuurlijke aanpassingsprocessen, die worden vervangen door technologische hulpmiddelen. De mens past niet zichzelf aan aan de omgeving, maar past de omgeving aan zichzelf aan. Wanneer dit proces een kritische grens overschrijdt, slaat het om in zelfdestructie. Het is niet ondenkbaar dat de virtualisering van seksualiteit zo’n omslagpunt markeert. De mens kan zich inmiddels voortplanten zonder lichamelijke seks, terwijl seks zelf kan plaatsvinden zonder lichaam. Voortplanting en verlangen zijn van elkaar losgekoppeld. Wat resteert is een technisch beheersbare soort, maar het is onzeker of een dergelijke soort nog een toekomst heeft die meer is dan louter voortzetting.

Volgens Agamben heeft de wetenschap inmiddels de plaats van de religie ingenomen. De corana-pandemie heeft zichtbaar gemaakt wat al langer gaande was: God is verdwenen en ook het idee van de mens als autonoom en maakbaar project is uitgehold, juist op het moment dat genetische maakbaarheid werkelijkheid wordt. Wat overblijft, is het lichaam, gereduceerd tot zijn biologische minimum. Het hedendaagse humanisme, dat zich beperkt tot mensenrechten en democratische procedures, beschermt uiteindelijk slechts het naakte leven. Alain Badiou heeft dit type humanisme niet zonder ironie omschreven als een vorm van dierenbescherming. De mens verschijnt als een kwetsbaar organisme dat moet worden behoed, gereguleerd en beheerd.

In deze reductie wordt het lichaam paradoxaal genoeg opnieuw heilig. Het naakte leven wordt de laatste schuilplaats van het sacrale. Uitsluiting en uitzondering krijgen een religieuze lading. Het lichaam, ontdaan van symbolische en spirituele betekenissen, wordt onaantastbaar verklaard en daarmee volledig beschikbaar voor politieke macht. De staat dringt door tot in de haarvaten van het organisme. Het lichaam behoort niemand meer toe en juist daardoor aan iedereen, dat wil zeggen aan het systeem. Politiek wordt biopolitiek. De openbare ruimte verandert in een lege zone waarin ontzielde lichamen worden gestuurd, gemeten en gemanipuleerd.

In dit nieuwe regime wordt seksualiteit het uitgelezen domein voor controle en exploitatie. Het driftmatige, anonieme lichaam kan collectief worden gestuurd via beelden, prikkels en algoritmen. Seks wordt losgemaakt van het fysieke leven en verschijnt als het naakte leven op internet. Het lichaam wordt een economisch object, een stuk vlees waaraan geld te verdienen valt. De macht die hier werkzaam is, blijft onzichtbaar, maar haar greep is totaal. We beleven een vorm van virtuele marteling zonder pijn, een spektakel van vrijwillige overgave, een digitale SM waarin het lichaam zich onderwerpt aan een onbekende god die niet straft, maar optimaliseert.

Het heilige is daarbij niet verdwenen, maar van plaats veranderd. Het bovennatuurlijke heeft zich teruggetrokken in het lichaam zelf en manifesteert zich in collectieve vervoering, in stadions, bij popconcerten, in massale online gebeurtenissen. De hedendaagse heiligheid is geen afzondering meer, maar een extatische uitstroming van het zelf in de anonimiteit van de massa. Het is een leven in een denkbeeldige capsule, losgemaakt van angst en bedreiging, maar ook van betekenis en transcendentie. Deze heiligheid is autistisch en narcistisch, een schijnverzet tegen een biopolitieke macht die het lichaam al vrijwel volledig heeft ingelijfd.

Zo beleven we het laatste opgloeien van het zielloze organisme dat lichaam heet. In het mensenpark, waarvan de poorten al openstaan, wordt het lichaam een object van beheer en optimalisatie. Seks, ooit een grensgebied tussen natuur en cultuur, tussen zelf en ander, wordt een virtuele functie, een regelbaar proces zonder wederkerigheid. Het beeld is vlees geworden, maar dit vlees leeft niet meer in de wereld. Het leeft online, onder ons, en misschien in plaats van ons.