De uitgestorven kunst van het sterven


Soms heb ik het gevoel dat ik niet zozeer in de wereld leef, maar in haar voortdurende uitleg daarvan. Alles om mij heen lijkt al gesproken voordat ik het zelf heb kunnen ervaren. Wat mij bereikt, arriveert zelden nog ongefilterd door media.  De explosie van media in onze tijd heeft niet alleen het volume van de communicatie vergroot, maar haar ook van karakter doen veranderen. Communicatie is niet langer een middel, maar een toestand geworden. Alles wil zich tonen, alles wil circuleren en alles wil worden doorgegeven. Daarmee is de wereld zelf langzaam gaan samenvallen met haar beschrijving. Wat zich niet laat vertalen in informatie, lijkt nauwelijks nog werkelijk te bestaan. Het besef dringt zich op dat de werkelijkheid geen diepte meer heeft buiten haar mediale verschijning, alsof zij pas betekenis krijgt op het moment dat zij wordt uitgezonden, gedeeld of opgeslagen.

Daarmee zijn ook de grote verhalen waaraan ik ooit houvast ontleende van kleur veranderd. Wat eens voelde als waarheid, als iets dat mij droeg of aansprak van buitenaf, verschijnt nu als een verhaal tussen andere verhalen. Niet noodzakelijk onwaar, maar contingent. Iets wat verteld kan worden, maar ook verzwegen, verwisseld of herschreven. Waarden zijn niet verdwenen, maar ze zijn hun vanzelfsprekendheid kwijtgeraakt. Ze vragen om bevestiging, om herhaling en om zichtbaarheid.

Wat mij soms verontrust, is niet zozeer dat alles een verhaal is geworden –  dat wil zeggen: informatie die communiceerbaar is -, maar dat ik zelf steeds meer dreig mee te bewegen in die logica. Dat ook mijn innerlijke leven zich begint te gedragen als informatie, als herinneringen die zich herschikken tot wat tegenwoordig zo mooi ‘narratieven’ heet: overtuigingen die zich aanpassen aan het publiek, zoals een stilte die ongemakkelijk wordt omdat zij niets communiceert. Alsof er geen plaats meer is voor wat niet als informatie kan circuleren, iets wat zich onttrekt aan betekenis en toch betekenisvol is.

Zo ontstaat een merkwaardige omkering: niet de werkelijkheid bepaalt wat er wordt gezegd, maar de combineerbare informatie het bepaalt wat nog als als werkelijkheid wordt ervaren.  Informatie is geen afgeleide meer van ervaring, maar haar voorwaarde. Wat resteert is een wereld die zichzelf voortdurend informeert, zonder nog zeker te weten waar die informatie op gebaseerd is. In die zin raakt deze informatieve verzadiging niet alleen onze verhouding tot waarheid, herinnering of betekenis, maar ook tot de meest elementaire grenservaring die een mens kent: het sterven. Want juist daar, waar geen boodschap meer kan worden doorgegeven, waar geen verhaal zich nog laat afronden of delen, zou zich een werkelijkheid moeten aandienen die zich onttrekt aan informatie.

Vergeet het maar. We gaan dood. Allemaal! Elk zuchtje dat je nu neemt is een ticket voor een intergalactische begrafeniscruise die zich uitstrekt over melkwegstelsels, compleet met vuurwerk van sterstof, lichtprojecties van overleden orkesten, drones die je as in spiraalvormige banen rond Jupiter verspreiden, en digitale verschijningen van je grootouders die moonwalkend over het plafond zweven terwijl ze simultaan poëzie voordragen in vijf dimensies tegelijk. Mensen vinden het ongepast. Ongepast?! Het is een kosmische opera van existentiële waanzin, een toneelstuk van interdimensionale absurditeit waarin Kafka, Fellini, virtuele Freud-gestalten en genetisch gemanipuleerde flamingo’s tegelijkertijd acteren, terwijl een zwevende koepel boven de aarde instructies uitdeelt over hoe precies te sterven, inclusief danspassen, kleurcodering van lichturnen en het juiste aantal avatars dat moet verschijnen bij de begrafenis.

Uitvaartwensen zijn nu raadselachtiger dan een 12-delig boek van Stephen Hawking over quantumfysica, inclusief annotaties in kwadratische notatie, voetnoten in Braille voor buitenaardse lezers, en holografische diagrammen die in realtime de emoties van de rouwenden analyseren. De boodschap is kristalhelder: leg je uitvaartwensen vast, anders belanden je nabestaanden in een inferno van diapresentaties, kazoo-orkesten, digitale fakkeldansen, sprekers die blijven spreken tot hun tong smelt, en levensgrote projecties van overleden grootouders die moonwalkend over het plafond zweven, terwijl AI-koorzangers een requiem uitvoeren in kwantum-dissonante akkoorden. Stel je voor dat opa eigenlijk wilde dat zijn urn door zingende flamingo’s werd afgeleverd, terwijl virtuele schimmen van Hitler, Nietzsche, Bataille en vergeten filosofen applaudisseren. Wie durft dat nog te negeren?

De ars moriendi – de kunst van het sterven – is uitgestorven als een mammoet in een IKEA-etalage, geëtiketteerd met QR-code, augmented-realityfunctie en een handleiding in elf dimensies. We hebben het leven verheven tot een gouden avocado, biologisch verantwoord, geprint in 3D-lagen en voorzien van emotionele feedback. Maar de vergrijzing slaat toe als een kosmische rekenmachine die iedereen in een financiële black hole perst. We moeten leren sterven alsof we acrobaten zijn in een circus dat balanceert op de rand van de zon, begeleid door lichtorkesten en interdimensionale AI-dirigenten die je hele levensloop in een psychedelische lasershow presenteren.

Op een dag vraagt elk mens zich af: wil ik nog bestaan? En zo ja, tegen welke prijs? Als we niet willen dat deze ultieme beslissing wordt gereduceerd tot een administratieve sudoku voor anonieme ambtenaren die efficiëntie aanbidden als een religie van staal en pixels, dan moet het hele concept van ‘leven’ worden herzien. Weg met het dictaat van eeuwig voortbestaan! De politiek kan niet langer doen alsof sterfelijkheid een ongepaste grap is. We hebben een profetische, kosmisch absurde benadering nodig, waarin sterven een vuurspuwende draak is die je uit je bureaustoel tilt, je door een regen van digitale as blaast, en je in slow motion over een oceaan van geprojecteerde lichamen gooit, terwijl AI-dirigenten een requiem leiden dat klinkt als duizend vallende zwarte gaten.

En toch klopt er iets niet. Want de schrijver van dit pleidooi baseert alles op instrumentele redenering – alsof je een lucifer gebruikt om een kernreactor te doven. De ars moriendi vereist een visie zo immens dat het universum een zonnebril nodig heeft, inclusief anti-zwaartekrachtbril voor het geval de wetten van de fysica plotseling besluiten dat doodgaan optioneel is. Maar na de dood van God? Een leegte zo gigantisch dat je er een miljoen Big Bangs in kunt parkeren, elk begeleid door virtuele requiems van overleden dirigenten die op de maan oefenen.

De biopolitiek van vandaag groeit rechtstreeks uit dat vacuüm, en wil je sterven met enige stijl, dan moet je de obsessie met het lichaam doorgronden, een lichaam dat nu vogelvrij, geprojecteerd, genetisch ontleed en beschikbaar is voor medische, technologische, terroristische, kunstzinnige, culinaire en kosmische experimenten. Stel je voor dat je lever wordt verwerkt tot intergalactische pizza, je hart energie levert aan drones die over Saturnus’ ringen racen, en je nieren dienen als mini-computers die de planning van je multiversale uitvaart optimaliseren, terwijl je digitale dubbelganger applaudisseert en glimlachend poseert naast een AI-Nietzsche.

Een Italiaanse minister zei ooit dat de Nederlandse euthanasiewet en het debat over zieke kinderen een echo van het nazisme waren, en hij had gelijk! Hitler blijft de absolute nulgraad van morele absurditeit, maar wij zweven nog altijd tussen Übermensch en kuddemens, tussen goddelijke volheid en totale leegte, zoals in een existentiële variant van Mario Kart op de rand van een zwart gat, terwijl lichtbeelden van gedegenereerde voorouders van Donald Trump op de tribunes popcorn eten en lachen om je uitvaart. Het lichaam is nu een heilige grondstof, vogelvrij, maakbaar, een speeltje van staten, technologie, projecties en kosmische krachten.

Het moderne lichaam wordt geregistreerd, gemeten, gescand, ge-DNA ’d, geüpdatet, en binnenkort misschien in 4D opgevoerd, inclusief emoties, gedachten, geheime dromen die je nooit durfde te hebben, en virtuele zelfbeelden die simultaan applaudisseren, lachen en huilen. Je mag niet roken, maar iedereen doet het; je mag niet ongezond leven, maar de markt floreert als een hydra op steroids; je mag niet sterven zonder papieren, maar je digitale evenbeeld danst al vrolijk op een andere planeet. Het lichaam is een religie geworden: de religie van het kale, vogelvrije leven, waar algoritmen de priester zijn, drones het altaar en genetische manipulaties de sacramenten.

Heiligheid? Die zit nu in de trance van fysieke extase, in de navelstreng van een oneindige iPod, in een fata morgana van digitale verleiding. Sterven? Vergeet het. De ars moriendi is een mythe, een legende, een fabel voor tijden waarin mensen daadwerkelijk stierven in plaats van als lichtverschijningen over de wereld te zweven. Je avatar zal misschien nog een dansje doen als je weg bent, maar de echte jij? Die is een passieve toeschouwer in een universum vol biopolitieke macht, algoritmen, pixels, intergalactische notulen van je bestaan, drones die je as in origami-vogels over de aarde verspreiden, en virtuele versies van jezelf die blijven poseren, terwijl flamingo’s in kwantum-dissonante akkoorden hun eigen requiems zingen en wormgaten alles simultaan verplaatsen.

Zelfs de dood zelf is absurdistisch geworden. Ze verschijnt als een gigantische lichtgestalte die swingend over de ringen van Saturnus zweeft, terwijl instructies uit parallelle universums binnenstromen over hoe precies te sterven, inclusief kleurcodering van digitale urnen, het juiste aantal avatars dat moet verschijnen, en het optimale geluidsniveau van de requiem-koor drones. Plotseling explodeert een wormgat en duizenden alternatieve versies van jezelf worden simultaan begraven, gereanimeerd en als drones door het multiversum gestuurd, terwijl je digitale alter ego enthousiast applaudisseert en zichzelf vastlegt vanuit elke denkbare hoek.

Het moderne lichaam is een technologisch project, een grondstof, een speelbal van biopolitiek, AI, drones, projecties, genetica, religie en kosmische absurditeit. Je identiteit is een virtueel collectief, een oneindige stroom van avatars, avatars van avatars, avatars van avatars van avatars, allemaal dansend, lachend, poserend, terwijl jij als passieve toeschouwer de absurditeit aanschouwt van je eigen multiversum-executie.

Zelfs de kosmos vermenigvuldigt zich in fractale chaos. Sterren exploderen als lichtconfetti, planeten transformeren in gigantische digitale urnen, zwarte gaten pulseren op het ritme van virtuele requiems, en het universum fluistert: “Sterf! Maar doe het met stijl, laat je avatar poseren, en vergeet je DNA niet in de cloud te uploaden, zodat je trending blijft in alle dimensies!”

We gaan dood. Allemaal. Het is belachelijk, gigantisch, apocalyptisch, absurdistisch, grotesk, hypermodern, kosmisch, projectief, genetisch, digitaal, intergalactisch, hallucinant, multidimensionaal, en tegelijkertijd nog steeds onmogelijk te negeren. Onze lichamen zijn vogelvrij, onze zielen uitbesteed, onze avatars dansen terwijl wij verdwijnen, drones gooien je as in origami-vogels door het multiversum, terwijl het universum almaar tot in de eeuwen der eeuwigheid blijft herhalen:

“Sterf, maar doe het met stijl – en vergeet niet te liken, te delen en te subscriben op je eigen evenbeeld als hologram in een bruin café in Durgerdam.”