“Emotie heeft exacte algoritmes, en in zijn studies van de analoge en relationele aard van de werkelijkheid heeft Gregory Bateson ons heldere voorbeelden gegeven van de manier waarop deze werkelijkheid in kaart kan worden gebracht.”
Met deze opmerking raakt Morris Berman in De terugkeer van de betovering (1981) bijna terloops een oud spanningsveld in het westerse denken: dat tussen orde en ervaring, tussen lichaam en ziel. De formulering klinkt vandaag verrassend actueel, nu kunstmatige intelligentie emoties leert herkennen, voorspellen en zelfs simuleren. Toch verwijst zij minder vooruit dan terug, naar een probleem dat al bij Spinoza en later bij de psychologie van Nico H. Frijda een precieze, maar ongemakkelijke articulatie heeft gekregen. De verwarring ontstaat vooral doordat het begrip ‘algoritme’ in de loop van de twintigste eeuw ingrijpend van betekenis is veranderd, waardoor Bermans uitspraak tegenwoordig bijna onvermijdelijk anders wordt begrepen dan hij haar bedoelde.
Bij Spinoza is emotie, of affectus, geen duister residu van irrationaliteit, maar een noodzakelijke uitdrukking van de ene substantie. Emoties volgen causale ketens met dezelfde strengheid als meetkundige figuren uit axioma’s voortkomen. In dat opzicht is Spinoza radicaler dan veel hedendaagse neurowetenschappers: hij ontkent niet alleen de vrije wil, maar ook het toeval in de innerlijke beleving. Emotie is een wijziging in het vermogen tot handelen, parallel aan een lichamelijke verandering, en daarmee volledig ingebed in de orde van de natuur. De “exactheid” van de emotie is bij Spinoza geen kwestie van berekening of uitvoering, maar van inzicht. Wie de oorzaken kent, begrijpt de emotie. Die exactheid is geometrisch, niet computationeel: emotie laat zich begrijpen, niet uitvoeren.
Nico Frijda brengt deze Spinozistische noodzaak terug naar het empirische niveau van het organisme. In zijn beschrijving van emoties als processen van beoordeling, als reacties op de betekenis van situaties in het licht van belangen, zorgen en doelen, introduceert hij een vocabulaire dat bijna vanzelf naar het algoritmische neigt. Zijn beroemde “wetten van de emotie” suggereren regelmaat en voorspelbaarheid. Emoties ontstaan niet willekeurig; zij volgen patronen. Maar ook Frijda blijft voorzichtig. Zijn wetten zijn geen harde determinaties, maar tendenties, gevoelig voor context, geschiedenis en persoonlijke betrokkenheid. De emotie is wetmatig, maar nooit los verkrijgbaar van het levende subject dat haar ondergaat. Zij is geen procedure die kan worden uitgevoerd, maar een dynamiek die zich voltrekt in een concrete levenssituatie.
Juist hier wordt zichtbaar wat bij Gregory Bateson op het spel staat. Bateson zou zeggen dat zowel Spinoza als Frijda emotie noodzakelijkerwijs beschrijven in termen die digitaal zijn: causaal, talig, conceptueel. Wat daarmee buiten beeld blijft – en wat volgens Bateson essentieel is – is de analoge, relationele dimensie waarin emotie zich primair voltrekt. Emotie is geen ding en geen intern mechanisme, maar een verschil dat betekenis krijgt binnen een relatie. Zij bestaat in toon, timing, lichaamshouding, nabijheid en afstand. Emotie is context, geen inhoud.
Wanneer Berman in relatie tot emotie het woord ‘algoritme’ gebruikt, bedoelt hij dan ook niet een eindige reeks formele instructies die contextloos kan worden uitgevoerd, maar een patroon van relaties, feedbacklussen en wederzijdse afstemming: een orde die te beschrijven is, maar niet losgemaakt kan worden van het levende systeem waarin zij functioneert. Dat is een pre-digitale, cybernetische betekenis van het begrip ‘algoritme’, die in het huidige taalgebruik grotendeels is verdwenen.
Dit onderscheid wordt beslissend zodra we de vraag stellen of AI emoties kan voortbrengen of simuleren. In eerdere beschouwingen heb ik betoogd dat AI een breuk forceert tussen lichaam en ziel, niet door de ziel te vernietigen, maar door haar te vervangen door een functioneel equivalent. Emotie wordt dan iets wat kan worden gegenereerd, geclassificeerd en geoptimaliseerd. In Spinozistische zin is dat niet ondenkbaar: als alles wetmatig is, waarom zou emotie dan niet te modelleren zijn? En in Frijda’s termen evenmin: als emoties voortkomen uit beoordelingen en doelen, waarom zou een systeem met doelen en evaluatieregels dan geen emoties kunnen “hebben”? De hedendaagse betekenis van het algoritme, als formeel uitvoerbare procedure, suggereert hier een maakbaarheid die bij Spinoza en Frijda zelf nog afwezig is.
Maar juist op dit punt wordt Batesons waarschuwing actueel. AI kan de structuur van emotie nabootsen, haar grammatica imiteren en haar waarschijnlijkheden berekenen. Wat zij niet kan, is emotie belichamen als een betekenisvolle gebeurtenis in een geleefde wereld. Zij kent geen ecologie van relaties waarin werkelijk iets op het spel staat. De emotie van AI is een perfecte vorm zonder existentiële inzet. Daarmee dreigt wat ik elders heb beschreven als de opheffing van de werkelijkheid: een simulatie die zo overtuigend is dat zij haar eigen leegte maskeert. De semantische verschuiving van ‘algoritme’, van relationele orde naar uitvoerbare procedure, is hier niet onschuldig maar symptomatisch.
In dit licht krijgt ook Harry Mulisch’ idee van de waan als autonoom systeem een nieuwe betekenis. De waan is bij Mulisch geen chaos, maar een gesloten orde die zichzelf voortbrengt en in stand houdt. Zij is intern consistent, zelfs wetmatig, maar losgezongen van de corrigerende weerstand van de werkelijkheid. Iets vergelijkbaars dreigt bij algoritmisch gegenereerde emotie. Zij volgt regels, zij is coherent en uitbreidbaar, maar staat niet langer in een levende verhouding tot lichaam, wereld en ander. De waan is emotie zonder relatie; AI-emotie is relatie zonder lichaam. In beide gevallen ontstaat een autonoom systeem dat betekenis simuleert zonder haar te dragen.
Het hart kent wegen die het verstand niet kent, zo stelde Pascal. Spinoza zou dat niet zonder meer hebben aanvaard. Hoe moeten we het verschil tussen hart en verstand dan begrijpen? Als het verschil tussen onbewust en bewust, tussen Id en ego? Freud meende dat waar Id was, ego moest worden. Moet in het tijdperk van AI ook het gevoel volledig tot algoritme worden omgevormd? Of is dat in feite al gebeurd? En zo niet, wat is dan het wezenlijke verschil? Er wordt vandaag op grote schaal geprobeerd de algoritmes van het hart in cognitief-rationele termen uit te schrijven. Volgens Berman is dat de voortzetting van het programma van de zeventiende-eeuwse wetenschappelijke revolutie, met haar verarmde epistemologie.
In een gezonde epistemologie zouden hart en verstand elkaar aanvullen. Onze cultuur, met haar sterke nadruk op het digitale, heeft die complementariteit grotendeels verloren. Bateson concludeerde dat het expliciet rationaliseren van intuïtieve en relationele kennis niet leidt tot begrip, maar tot vernietiging van die kennisvormen. Dat inzicht krijgt extra gewicht wanneer schrijven met AI als co-auteur in beeld komt. Tekst en auteur kunnen elkaar eindeloos terugkoppelen en verfijnen, waarbij zelfkennis ontstaat door herhaling, kleine verschuivingen en voortdurende reflectie. Het is een manier van schrijven die ik zelf aan het exploreren ben.
Hier biedt de alchemistische metafoor een onverwachte sleutel. Alchemie gaat niet over mechanische procedures of meetbare resultaten, maar over transformatie, over geleidelijke zuivering en verfijning. Het is een proces waarin intuïtieve en rationele momenten samenkomen, een dynamiek van herhaling waarin elke ronde zowel de tekst als de schrijver verandert. In de context van AI-schrijven maakt de alchemie zichtbaar hoe een relationele dialoog tussen mens en machine mogelijk wordt: de machine structureert en optimaliseert, de schrijver voelt, nuanceert en herinterpreteert. Wanneer deze alchemistische dimensie ontbreekt en het proces wordt gereduceerd tot statistische correctheid, verliest het schrijven zijn levendigheid. Het hart wordt een programma, de tekst een product zonder resonantie.
Op het eerste gezicht lijkt alchemie een archaïsch restant, zonder betekenis voor een digitale wereld. Maar juist daarin schuilt haar kracht. Waar AI neigt tot optimalisatie en abstractie, opent de alchemistische metafoor een register van betekenis en zelfreflectie dat niet berekenbaar is. Zij herinnert eraan dat schrijven geen algoritme is, maar een transformatie van de schrijver zelf. AI wordt zo niet het instrument dat de ziel vervangt, maar een spiegelend vermogen dat bestaande menselijke vermogens expliciet maakt. De tekst wordt een laboratorium waarin rationeel en intuïtief, ego en Id, voortdurend met elkaar in wisselwerking staan.
Rousseau geloofde dat de natuurlijke mens onder de sociale mens verborgen ligt. Maar het primaire proces mag dan de grondslag van het bestaan vormen, het eenmaal gevormde ego is even werkelijk als die grond. Zoals bij taal vormen aangeleerde en instinctieve aspecten geen hiërarchie, maar een verweven patroon. Deze gedachte van Berman geldt ook voor de kritiek op digitalisering en AI. Die kritiek veronderstelt vaak een oorspronkelijke natuur die door technologie wordt aangetast, alsof menselijke ervaring ooit losstond van haar historische en symbolische vormen. De boom is echter al gegroeid; zij kan niet terug in de grond.
Dat betekent niet dat AI onschuldig is. Het gevaar ontstaat wanneer technologische systemen zich zo verzelfstandigen dat zij geen corrigerende terugkoppeling meer ontvangen van lichamelijke ervaring en relationele werkelijkheid. Dan ontstaat een perfecte, maar wortelloze orde. De uitdaging ligt daarom niet in nostalgisch verzet, maar in integratie: in het bewaren van een levende relatie tussen primaire processen en technologische vermogens. In dat spanningsveld tekent zich een nieuwe Romantiek af, niet als herhaling van de negentiende eeuw, maar als antwoord op de uitputting van het louter instrumentele verstand. Een holistische epistemologie, waarin kennen opnieuw betrokkenheid wordt, en waarin emotie en verstand niet tegenover elkaar staan, maar samen resoneren in een hernieuwde ervaring van betekenis.
