Soms lijkt het leven op een poging iets vast te grijpen dat niet te vatten is. Betekenis, liefde, waarheid, ze waaien langs je heen. Wie verstandig is, bouwt dijken en systemen. Wie minder verstandig is, steekt zijn hand uit. Niet om te bezitten, maar om te voelen waarheen de wind waait. In mijn leven heb ik vaker gekozen voor dat laatste: niet het temmen van de storm, maar het aftasten van zijn richting. Catch the wind, ook al weet je van te voren dat het niet zal lukken. Het leven is immers vol tegenspraak, gelijk de waanzin die ook niet te vatten is, maar tegelijk iets magisch in zich heeft.
Volgens een beroemde uitspraak van de antropoloog Géza Róheim is de schizofreen een magiër die gefaald heeft. Dat klinkt hard, bijna beledigend, maar bij nadere beschouwing blijkt het een opmerkelijk milde gedachte. Róheim bedoelde niet dat de schizofreen tekortschiet aan verbeeldingskracht, integendeel. Psychotische ervaringen en magische belevingen, zo stelde hij, ontspringen aan dezelfde bron: een eruptie van betekenissen, beelden en krachten die de alledaagse werkelijkheid overschrijden, soms zelfs verpletteren.
In traditionele culturen wordt zo’n eruptie opgevangen door mythen, rituelen, maskers, initiaties en een sociale orde die ruimte laat voor het ongerijmde. De magiër, de sjamaan, de ziener: zij worden niet genezen, maar ingekaderd. Hun visioenen krijgen een functie, hun wanorde een plaats en hun koorts een ceremonieel verloop. Wat privé is, wordt publiek; wat chaotisch is, wordt symbolisch.
De schizofreen daarentegen — en hier schuurt Róheims diagnose pijnlijk tegen de moderne tijd aan — mist dit symbolische vangnet. Zijn ervaringen blijven steken in een privé-universum waarin betekenissen zich eindeloos vermenigvuldigen zonder ooit gemeengoed te worden. De magie implodeert. Wat faalt, is niet de verbeelding, maar het vermogen om haar te verankeren in een gedeelde orde van betekenis. In die zin is schizofrenie niet alleen een individueel drama, maar ook een cultureel tekort. Waar rituelen verdwijnen, keert de magie terug als desintegratie.
Voor iemand die zelf ooit een psychose heeft doorgemaakt — zoals ik — is het vreemd genoeg een troostrijke gedachte. Het voelt bijna als eerherstel. Zo gek was ik destijds nu ook weer niet. Ik was misschien eerder te gevoelig voor betekenis, een soort overgevoelige antenne in een tijdperk dat juist doof wilde worden. Soms vind ik het nog steeds heilzaam om een beetje als een gek te denken. Dan begrijp je dingen waar een geestelijk gezond mens, keurig ingeënt tegen metafysische infecties, aanzienlijk meer moeite mee heeft.
Schijnbaar onbegrijpelijke dingen berusten vaak op een veel voorkomende, maar moeilijk te vatten tegenspraak. Gregory Bateson ontwikkelde hiervoor zijn beroemde begrip double bind. Hij introduceerde deze term om een communicatiestructuur te beschrijven waarin tegenstrijdige boodschappen elkaar zo kruisen dat geen enkele reactie nog juist kan zijn. Je moet komen, maar blijft beter weg. Je moet jezelf zijn, maar wel precies zoals wij dat van je verwachten. Wie hieraan gehoorzaamt, faalt; wie weigert, eveneens.
Bateson liet zien dat zulke paradoxale structuren niet alleen voorkomen bij psychische ontregeling, maar ook behoren tot de fundamenten van menselijke betekenisgeving. Spel, humor, poëzie, ritueel en fictie zijn allemaal vormen van gecontroleerde double bind. Ze opereren op de grens waar taal zichzelf ondermijnt en toch blijft functioneren. De grap is alleen grappig omdat hij niet klopt; het ritueel werkt omdat het niet letterlijk waar is.
In de psychose verdwijnt die controle. De paradox wordt absoluut. Bateson en zijn collega’s suggereerden dat verward denken en spreken niet noodzakelijk een biologisch defect weerspiegelen, maar kunnen ontstaan binnen relationele verhoudingen, met name in gezinnen waarin iemand langdurig wordt blootgesteld aan onontkoombare tegenstrijdigheden. Alsof de werkelijkheid dan zelf dubbelzinnig wordt en nergens meer houvast biedt.
Een dubbele houding tegenover iemand die je liefhebt en tegelijk haat, kan verwoestend zijn. Ik denk dat double bind ook cruciaal is bij het slecht verwerken van een trauma. Je blijft eraan gehecht als aan een gekoesterde pijn. Het trauma wordt een reliek, een privé-heiligdom. Zo ontstaat telkens opnieuw een onoplosbare situatie die zich herhaalt onder steeds wisselende omstandigheden.
In zekere zin heb ik een double bind met mijn eigen jeugd-drama. Ik blijf het dramatisch koesteren, maar beschik kennelijk niet over het talent om er een echte theatervoorstelling van te maken. Wie pijn tot kunst weet te verheffen is een levenskunstenaar. Of zoals Nietzsche het formuleerde: we hebben de kunst uitgevonden om niet aan de waarheid te hoeven sterven. Ik vrees dat ik soms liever overleef dan sublimerend triomfeer.
Double bind ontstaat ook wanneer je wilt voldoen aan een ideaal uit het verleden, terwijl je tegelijk gelooft dat juist dat ideaal je originaliteit garandeert. Dan sluipt het onmogelijke binnen. Authenticiteit als plicht is misschien wel de meest giftige paradox van onze tijd. Wees uniek , maar dan wel op de juiste manier. Het is geen toeval dat deze opdracht massaal tot burn-out leidt, en incidenteel zelfs tot waanzin.
Rouw is eveneens een klassieke vorm van double bind. Na het overlijden van mijn eerste vrouw, met wie ik vijfenveertig jaar lief en leed had gedeeld, belandde ik ruim een jaar in diepe rouw. Toch kijk ik daar niet met afschuw op terug. Integendeel. Ik stond toen op de bodem van mijn eigen ziel en had, vreemd genoeg, een intense voeling met mezelf. Verdriet en intens aanwezig zijn vielen samen. Dat is geen toestand die je wenst, maar ook niet een ervaring die je volledig zou willen missen.
Daarna raakte mijn leven in een achtbaan. Zeven maanden lang was ik smoorverliefd op een vrouw die achteraf bezien zwaar getraumatiseerd was, door haar jeugd, maar ook door een desastreuze scheiding jaren eerder. Zij speelde met mij alsof ik een jojo was. Ik zie nu dat zij in feite haar trauma’s gebruikte als een morele vrijbrief. Alles mocht, niets hoefde. Ik werd speelbal in een sadistisch spel waarin zij eindelijk agressie kon uiten die zij niet op haar ex-man had kunnen loslaten. Wonderlijk genoeg hield ze nog van hem, terwijl hij haar op schandalige wijze had verlaten. Alweer double bind. Liefde als slagveld, trouw als verraad.
Ik heb iets met double bind. Ieder mens, denk ik, maar sommigen meer dan anderen. Ik haat vaak wat ik liefheb en ben niet zelden zeer gesteld op wat ik verafschuw. Een vat vol tegenstrijdigheden, heet dat. Of tegenwoordig: een mens.
Van de week kwam ik in de verleiding een verhaal te schrijven over mijn manische jaren. Ik doe het toch maar niet. Althans, niet helemaal. Als ik terugkijk, zijn er meerdere periodes geweest waarin ik zo manisch was als een deur , wat dat ook moge betekenen, want een deur opent zich tenslotte naar twee kanten. Het begon al op mijn achttiende, met mijn psychose in 1966, die in feite een hyper-manische episode was. Daarna volgden vergelijkbare perioden in 1969, 1972, 1979, 1987, 2005 en 2018.
U ziet, ik ga vooruit, want de intervallen duren steeds langer. Het is een soort golfslag in mijn leven die langzaam tot rust komt, zoals een zware storm die een leven lang voortraast en pas op het einde definitief gaat liggen. Maar misschien is die rust op het einde slechts schijn en leef ik nu in het oog van de orkaan, terwijl rondom mij algoritmen razen, waarheden verdampen en iedereen tegelijk boodschappen uitzendt en ontvangt zonder nog echt te spreken of te luisteren.
Ook mijn verhouding tot mijn manische periodes is tweeslachtig. Ik veracht ze. Maar ik zou ze voor geen goud hebben willen missen. Double bind, telkens weer.
So what — catch the wind. Het leven is vol tegenspraak. Zonder tegenspraak valt het leven stil. En wie absoluut coherent wil zijn, eindigt vroeg of laat als een uitstekend functionerend waanidee.
