Een wereld zonder scherm

Het gebeurde zestig jaar geleden, in zomaar een nacht in januari 1966. Ik weet niet meer hoe laat het was, alleen dat de stilte zich had verdicht tot iets zwaars en onontkoombaars. Ik zat aan mijn bureau, het licht van de lamp als een kleine cirkel in een verder eindeloze duisternis. Mijn hand bleef schrijven, blad na blad, zonder pauze, alsof stoppen gevaarlijker was dan doorgaan. De pen leek mij voor te zijn, of ik haar. Woorden dienden zich aan met een urgentie die geen tegenspraak duldde. Het was alsof er iets openstond wat nooit meer gesloten mocht worden.

De kamer was koud, maar ik merkte het niet. Mijn lichaam deed nauwelijks mee; het was vooral mijn hoofd dat brandde, dat doorging en niet meer wist hoe te zwijgen. Soms stond ik op, liep een paar passen, keek uit het raam naar de slapende wereld, en ging weer zitten. De nacht gaf geen antwoord, maar ook geen tegenspraak. Alles wat ik schreef leek noodzakelijk, alsof de wereld ervan afhing. En ergens, zonder dat ik het toen al kon benoemen, wist ik dat er een grens werd overschreden, niet plotseling, maar sluipend, bladzijde na bladzijde, woord na woord. Later pas – toen ik de boeken van Jung was gaan lezen – begreep ik dat er een scherm in mijn geest was weggevallen. 

Het denken van Jung vertrekt vanuit een eenvoudige maar ontregelende gedachte: het menselijk bewustzijn is niet het middelpunt van de psyche, maar slechts een dunne laag boven een veel omvangrijker en ouder domein. Onder het persoonlijke onbewuste bevindt zich volgens Jung een collectief onbewuste, een bovenpersoonlijk reservoir van beelden en structuren die niet individueel verworven zijn, maar als het ware worden geërfd. Deze archetypen dragen sporen van een verleden dat ouder is dan het individu en lijken soms zelfs vooruit te wijzen naar vormen van ervaring die nog niet gerealiseerd zijn. Daarmee ondermijnt Jung het moderne zelfbeeld dat sinds de Verlichting dominant is geworden: het beeld van de autonome, rationele mens die zichzelf en de wereld transparant kan kennen en beheersen. Dat wereldbeeld veronderstelt een helder onderscheid tussen subject en object, tussen innerlijk en uiterlijk, tussen feit en betekenis. Het collectief onbewuste vormt een permanente verstoring van die helderheid.

In die zin sluit Jung eerder aan bij oudere denktradities dan bij het verlichtingsdenken. In de Klassieke Oudheid, de Middeleeuwen en de Romantiek was de natuur geen zwijgend object, maar een bezield geheel. Schellings uitspraak dat de natuur een ‘bewusteloos denken’ is, vat dit perspectief kernachtig samen. De wereld was doordrongen van betekenis, niet als projectie van het menselijk verstand, maar als een eigen dynamiek waarin mens en kosmos elkaar weerspiegelden. Vanuit zo’n perspectief is het geen grote stap om het idee van God niet boven of buiten de wereld te situeren, maar in die diepe grondlaag waar psyche en natuur elkaar raken. God verschijnt dan niet noodzakelijk als een persoonlijk wezen, maar als een ordenend principe dat zich pas achteraf laat vermoeden in de structuur van ervaring zelf.

Hier doemt een fundamentele ambiguïteit op die Jung nooit definitief heeft willen oplossen. Spreken we over God als een psychische realiteit, een innerlijk beeld dat voortkomt uit archetypische structuren? Of spreken we over een absoluut zijnde dat aan die beelden voorafgaat en ze mogelijk maakt? Jung koos er consequent voor deze vraag open te laten. Voor hem waren religieuze voorstellingen psychologische feiten: zij hadden een reële werking in de psyche, ongeacht hun metafysische status. Daarmee bleef hij dicht bij een Kantiaanse houding, waarin de grenzen van empirische kennis worden erkend en waarin waarheid primair verschijnt als ervaringsstructuur. Bewustzijn is in dat kader geen venster op een objectieve werkelijkheid-in-zichzelf, maar een fragment van een veel groter geheel dat zich aan volledige conceptualisering onttrekt.

Wie deze ideeën serieus neemt, kan ze niet louter theoretisch benaderen. Jung zelf benadrukte dat archetypen zich pas werkelijk tonen in hun vitale functioneren, niet in abstracte beschrijvingen. Een van de domeinen waarin dit functioneren zich op een rauwe en onbemiddelde wijze manifesteert, is de psychose. In de psychose raakt het brein ontregeld en ontstaat een werkelijkheid waarin archetypische beelden zich met overweldigende kracht aandienen. God, kosmos, schuld, verlossing en einde der tijden kunnen daarin niet als metaforen verschijnen, maar als directe, existentiële realiteiten. Jung heeft zich altijd onthouden van uitspraken over de ‘werkelijkheid’ van God buiten de psyche, maar hij ontkende nooit dat God in de psychose werkelijk ervaren wordt.

Daarmee wordt de vraag naar de status van die ervaring onontkoombaar. Wat betekent ‘werkelijkheid’ wanneer de ervaring zelf zo absoluut is? In zijn boek Over psychose, seksualiteit en religie heeft Patrick Vandermeersch dit probleem op scherp gesteld door te vragen waar de kern van de psychotische waan in ligt en hoe de de wijze waarop psychoticus aan zijn werkelijkheid gehecht is, zich verhoudt tot onze eigen vanzelfsprekende overtuiging dat de wereld ‘zo is als zij is’. De psychose confronteert ons met het ongemakkelijke feit dat het onderscheid tussen waan en werkelijkheid niet primair op waarneming berust, maar op een specifieke wijze van betrokkenheid. Wat Freud de libidineuze bezetting van de werkelijkheid noemde, vormt het onzichtbare anker waarmee wij ons aan een gedeelde wereld vasthechten.

Volgens Freud wordt in de psychose deze bezetting opgeheven. De energie die normaal gesproken gericht is op objecten, mensen en situaties in de buitenwereld, keert terug in het ik. Daardoor verliest de werkelijkheid haar vanzelfsprekende gewicht en kan zij zich vervormen tot een toneel van betekenissen die uitsluitend op de betrokkene zelf gericht zijn. Jacques Lacan heeft dit proces verder doordacht door te laten zien hoe taal fungeert als bemiddelaar van deze hechting. Het onbewuste is gestructureerd als een taal, en juist die symbolische orde houdt de werkelijkheid bijeen. Wanneer deze orde instort, schieten de ‘zuignapjes’ waarmee wij ons aan de wereld vastklampen los. De taal raakt ontregeld en begint met zichzelf aan de haal te gaan.

In de psychose worden de meest elementaire structuren van de taal aangetast. Woorden als ‘ik’, ‘jij’ en ‘hij’, die normaal gesproken stabiele posities innemen, raken op drift. Het onderscheid tussen spreker, aangesprokene en derde verdwijnt. Daardoor kan de psychoticus zichzelf tegelijk ervaren als handelend subject, aangesproken object en alomtegenwoordig principe. De taal verliest haar referentiële functie en wordt performatief: zij maakt waar wat zij uitspreekt. Zoals David Cooper opmerkte, is de taal van de waanzin gevaarlijk omdat zij de waarheid spreekt, niet in de zin van feitelijke juistheid, maar doordat woorden hun volle existentiële lading terugkrijgen. Wat in het alledaagse spreken is afgevlakt tot conventie, wordt hier opnieuw geladen met absolute betekenis.

Dit verklaart waarom de psychotische ervaring zo vaak een religieuze of kosmische vorm aanneemt. Alledaagse signalen – een zin op televisie, een toevallig gehoord woord, een getal op een kenteken – worden ervaren als gecodeerde boodschappen uit een andere orde van werkelijkheid. Binnen en buiten vallen samen; de wereld lijkt rechtstreeks te antwoorden op de bewegingen van het eigen denken. Het beschermende scherm dat in een normaal bewustzijn de overvloed aan indrukken filtert, is weggevallen. De geest moet voortdurend orde scheppen in een stroom van betekenissen die geen hiërarchie meer kent. Dat is uitputtend en gevaarlijk, maar ook verleidelijk, omdat oudere, magische denkvormen opnieuw toegankelijk worden.

In deze toestand kan zich een dramatische herordening van de werkelijkheid voltrekken. Wanneer het ‘ik’ niet langer begrensd is, kan het samenvallen met figuren die normaal gesproken strikt gescheiden zijn. God, moeder, vader en kind kunnen in één punt samenkomen. Wat in de rationele wereld als absoluut taboe geldt, wordt in de waan een noodzakelijke handeling binnen een kosmisch drama. De wet die zulke handelingen verbiedt – belichaamd in de symbolische orde van de taal – is uitgeschakeld. De psychose schept een nieuwe logica waarin het onmogelijke mogelijk wordt en waarin de wereld zich hier en nu lijkt te vernieuwen. Voor de betrokkene kan dit gepaard gaan met een intens gevoel van verlossing en betekenis, gevolgd door een diep heimwee wanneer de gewone werkelijkheid zich weer sluit.

Deze ervaringen zijn niet louter klinische curiositeiten. Zij raken aan een structureel probleem in ons moderne wereldbeeld. Ook de natuurwetenschap, die lange tijd model stond voor een volledig objectieve beschrijving van de werkelijkheid, is op een punt beland waarop het klassieke onderscheid tussen subject en object begint te wankelen. De quantum-mechanica heeft laten zien dat de werkelijkheid zich niet eenvoudig laat denken als een verzameling dingen die onafhankelijk van waarneming bestaan. Toestanden blijken afhankelijk van metingen, mogelijkheden gaan vooraf aan feiten en causaliteit verliest haar eenduidige richting. De wereld verschijnt steeds minder als een afgerond geheel en steeds meer als een proces waarin actualisering en observatie met elkaar verweven zijn.

Deze verschuiving betekent niet dat de natuurwetenschap terugvalt in een naïef animisme. Zij introduceert geen zielen in de materie. Wel maakt zij duidelijk dat het idee van een volledig losgekoppelde, objectieve werkelijkheid problematisch is geworden. In dat opzicht ontstaat een merkwaardige verwantschap met vormen van ervaring die we doorgaans als pathologisch beschouwen. In zijn boek De terugkeer van de betovering heeft Morris Berman erop gewezen dat de psychotische ervaring gekenmerkt wordt door een hermetisch wereldbeeld, waarin alles met alles samenhangt en waarin betekenis niet langer extern wordt gefundeerd. Wat in de psychose ontregeld verschijnt, keert in de moderne fysica terug als abstract probleem: hoe kan er een werkelijkheid zijn zonder impliciete betrokkenheid van waarneming?

Berman verwijst naar R.D. Laing, die deze problematiek in zijn boek Het verdeelde zelf vanuit existentieel perspectief heeft beschreven. Het ont-lichaamde zelf ervaart de wereld niet langer als een gedeelde ruimte, maar als een veld van directe resonanties. Het lichaam verliest zijn vanzelfsprekende begrenzing en het onderscheid tussen binnen en buiten vervaagt. Laing vergelijkt deze toestand expliciet met mystieke en alchemistische ervaringen waarin eenheid en desintegratie gevaarlijk dicht bij elkaar liggen. Wat als verlossing kan worden ervaren, kan even gemakkelijk omslaan in verlies van samenhang. De grens die in het dagelijkse bewustzijn bescherming biedt, blijkt tegelijk de voorwaarde voor betekenis.

In het verlengde hiervan keert ook het pan-psychisme terug als denkexperiment. De suggestie dat bewustzijn geen toevallig bijproduct is van complexe materie, maar een elementair aspect van de werkelijkheid, hoeft niet gelezen te worden als de bewering dat de wereld ‘denkt’ zoals wij denken. Eerder gaat het om de intuïtie dat ervaring niet uit het niets kan ontstaan in een volstrekt levenloze kosmos. Misschien is er altijd al een minimale vorm van innerlijkheid aanwezig geweest, niet als persoon of intentie, maar als een onherleidbare betrokkenheid bij het eigen bestaan. De quantummechanica dwingt ons niet tot deze gedachte, maar zij maakt haar opnieuw denkbaar.

In de literatuur krijgt dit ongemak vaak een mythische en symbolische gestalte. Bij Harry Mulisch verschijnt de mens niet als autonoom subject, maar als orgaan waardoor iets groters tot bewustzijn komt. De wereld is bij hem niet bezield in een harmonische zin, maar evenmin volstrekt dood. Zij is betrokken zonder zorgzaam te zijn, doordrongen van een obscure intelligentie die zich manifesteert in taal, techniek en macht. Dat motief functioneert niet als troost, maar als symptoom van een modern tekort: de leegte die ontstaat wanneer God verdwenen is en de natuur gereduceerd werd tot grondstof.

De psychose, de quantummechanica en het pan-psychistische denken wijzen elk op hun eigen wijze naar dezelfde breuklijn. Zij maken zichtbaar dat de werkelijkheid niet volledig gedacht kan worden zonder een impliciete rol voor bewustzijn, maar ook dat het verdwijnen van grenzen een reëel gevaar inhoudt. Waar binnen en buiten samenvallen, waar taal haar ordenende functie verliest en waar betekenis absoluut wordt, dreigt ontregeling. De moderne mens bevindt zich daarmee in een paradoxale positie. Enerzijds is het oude mechanistische wereldbeeld onhoudbaar geworden. Anderzijds blijkt de terugkeer van betovering geen onschuldige zaak.

De wereld heeft haar laatste zwijgen misschien niet, maar zij spreekt ook niet zonder risico. Tussen tussen hernieuwde betrokkenheid van het bewustzijn en een psychotisch verlies van samenhang, ligt een spanningsveld dat telkens weer om aandacht vraagt. Jung heeft dit spanningsveld niet willen opheffen door definitieve antwoorden te geven. Zijn denken herinnert ons eraan dat het bewustzijn slechts een fragment is, en dat onder die fragmentatie krachten werkzaam zijn die zowel betekenis schenken als kunnen ontregelen. In die zin is de psychose geen vreemde uitzondering, maar een extreme openbaring van een kwetsbaarheid die het moderne bewustzijn altijd al heeft vergezeld.

Nu, zoveel jaren later, herinner ik me die januarinacht in 1966 nog met een gevoel van huivering en dankbaarheid tegelijk. Het was alsof ik een poort had opengezet waarvan ik de omvang destijds nog niet kon bevatten, en de echo’s van dat gebeuren hebben mijn hele even nageklonken. Soms, wanneer ik mijn pen oppak, voel ik dat oude vuur nog even opflakkeren, niet in de extatische gewaarwording van toen, maar als een voorzichtige herinnering aan wat het betekent om te luisteren naar wat diep in jezelf om aandacht vraagt, ongeacht regels of grenzen.

Die nacht heeft mij geleerd dat er momenten bestaan waarin je niet zelf de woorden kunt kiezen, maar de woorden jou vinden. Als vanzelf, alsof er een stem spreekt in je hoofd die de woorden souffleert. En dat het jouw taak is ze te volgen, zo ver als nodig en zo ver als mogelijk. Het scherm dat in die nacht van me afviel is nooit meer helemaal teruggekeerd. Soms hoor ik die woorden nog fluisteren, maar nu wel in een andere taal.