Ik geloof

We willen God terug. Niet als idee, niet als digitale verschijning, maar lijfelijk, hoorbaar, met stemverheffing en misbaar. God, kom van dat dak af, het is koud daarboven en beneden is het niet veel beter. We waarschuwen al zo lang niet meer; waarschuwen is ingeruild voor demonstreren. Spandoeken, gele hesjes, hashtags. God terug, God nu, God voor iedereen, inclusief kleine spaarders en uitgesloten regio’s. Zelfs Thierry Baudet is vóór, maar dat zegt niets, want hij is voor alles wat tegelijk terug en vooruit wil, voor olifantenoffers op Tweede Paasdag als dat maar historisch klinkt, voor beschaving zolang die in een toga past. Weg met de knoflooklanden, roept iemand, want het buitenland is altijd lui als het warm is. Potverteerders, zeggen ze, alsof arbeid een sacrament is en rust een doodzonde.

Geef mij dan maar de Jordaan, denk ik, want die is mooier dan Parijs, en bovendien minder vol selfiesticks. Afgelikte lolly’s overal, ideeën zonder smaak, meningen waar al aan gezogen is. Wat moet ik met die snollen, met dat gedoe, ik wil rollebollen, ik wil vlees, ik wil aanraking, huidhonger heette dat in coronatijd, geen moreel hygiënisch keukengerei. Maar Baudet hoort het niet, zelfs niet met die flaporen van hem die ooit alles leken op te vangen. Ooit hoorde hij ergens bij, bij een club, bij een verhaal, maar nu hoort iedereen alleen nog zichzelf. Jan Nagel stond ooit bij mijn doodskist, of misschien verzin ik dat. Vijftig Plus was toen nog een belofte en geen rekenfout. Ik wil een kus, denk ik, maar laat ook maar. Het hoeft niet meer. Het offer is alweer voltrokken, geruisloos dit keer, zonder processie of klokgelui.

Niemand had het in de gaten, maar het is gebeurd. Zo waar als mijn vorm-naam Franciscus is. Jazeker, gevormd door de bisschop, gedisciplineerd door catechismus en wierook. Hubertus Johannes Franciscus – die derde vorm-naam koos ik zelf, want dat mocht, zei Pastoor Nolet, toen hij mij uitlegde dat het Concilie van Nicea alles had vastgelegd wat wij later zijn vergeten. De hernieuwing van de doopbeloften, dat is het vormsel, zei hij, en bij de doop wordt de duivel uitgedreven. Maar ik wil die duivel nu juist omarmen, denk ik, in een nieuw sacrament, eentje zonder regels. Een wonder voor vijf cent. Integratie en individuatie, dat zijn de sleutelwoorden, niet alleen voor de ziel maar ook voor Europa, al weet niemand meer wat voor de deur staat.

Ienemienemutte, tien pond Rutte. Hij zit nog steeds ergens, glimlachend, onverwoestbaar, een kurk in de geschiedenis, altijd boven. ’s Nachts, midden op de bruiloft van de democratie, ploft hij op tafel en zegt dat hij zich niets kan herinneren. Tenminste, geen actieve herinnering. Schoft, fluister ik, maar ik dwaal af. Timmermans moet weer gaan timmeren in Bethlehem, hout genoeg daar, ideeën ook, onbevlekt, onbevangen. De oranje leeuwinnen worden wereldkampioen, dat staat vast, want het volk heeft behoefte aan een wonder dat niet te veel vraagt.

De Heilige Maagd met vaginale kramp is ons ontstegen, opgevaren in een wolk van ongemak. In de hemel is geen bier, alleen alcoholvrij, want God is van de blauwe knoop. De Schepper wordt nooit dronken, hoogstens een beetje stoned, maar dat was Hij al vanaf het begin der tijden. Eight Miles High. Uw koninkrijk kome, uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde, maar hoe dat moet is nergens genoteerd. Er is geen handleiding meer, alleen updates. Seven Up dates. Eight Up dates. Nine, Ten…ἰθύφαλλος,  Up, Up Up!

En dan hoor ik een stem. Verdomd. Het is Flip Bloemendaal van het Polygoon-journaal. We gaan de goede tijd tegemoet, zegt hij, altijd weer die belofte, altijd in zwart-wit. Ik zie beelden: een ober rekent af op het Campo Santo in Siena, op het Piazza Navona wordt een foto genomen die meteen verdwijnt in de cloud. Het regent boven Angoulême en er valt een porseleinen stilte, breekbaar en onbetaalbaar. Tussen Gent en Brugge waait de noordenwind door een chanson van Brel. Het is zomaar een woensdag in januari.

In de Dokkumer Ee drijft af en toe een kurk voorbij, bewijs dat niet alles zinkt. De woorden komen vanzelf, maar er klopt iets niet. Ik zit in een mooie kamer met uitzicht op een rotonde, cirkelend verkeer, geen begin en geen einde. Ik verlang naar het verlangen, de Unio Mystica van een landloper op Robinson-sandalen. Wat kan ik anders? Ik geloof in de liefde, want meer is er niet. En minder kan ik niet verdragen. Minder Marokkanen, zeggen ze. Ja ja, daar kwam zelfs Wilders mee weg. Maar ik zeg: meer liefde. Meer. Meer. Meer…

Ach God toch! In een onderwereld wil ik vallen om het woord te vinden dat met jou samenvalt. In een moleculaire hel wil ik mij storten om te zien hoe je eruitziet. Ook jij hebt duizend gedaanten, denkbaar tussen de sprong van een elektron en een uil die staart in de nacht. Aangenaam, ik ben een gedachte. Ik mag graag met de deur in huis vallen. Maar ik geloof. Ik geloof. Ik geloof…