In haar boek The Extinction of Experience gaat Christine Rosen diep in op de verschraling van menselijke ervaring in een door technologie bemiddelde wereld: over het verlies van directheid, van lichamelijke aanwezigheid, van traagheid en aandacht. Maar de figuur van de generatieve AI als creatieve mede-auteur in teksten blijft bij haar grotendeels buiten beeld. Dat is geen omissie uit onwetendheid, maar een gevolg van haar focus: zij onderzoekt de erosie van ervaring, niet de transformatie van auteurschap. Toch wringt er hier iets. Want schrijven met AI is niet alleen een technische ingreep, maar een verschuiving in de wijze waarop ervaring wordt omgezet in taal. Wat gebeurt er met het schrijvende subject wanneer de eerste formuleringen, de voorlopige zinnen, de aarzelingen en herhalingen worden uitbesteed?
Rosen maakt in haar betoog een vergelijking met het luddisme: een sociale en culturele beweging uit het begin van de negentiende eeuw, waarin arbeiders zich verzetten tegen de opkomst van nieuwe machines tijdens de Industriële Revolutie. Hun optreden bestond onder meer uit het saboteren en kapotmaken van fabrieksmachines. De naam luddieten gaat terug op de waarschijnlijk legendarische Ned Ludd, een wever die in 1779 naar verluidt twee weefmachines vernietigde.
Aanvankelijk was het luddisme geen uitgewerkte ideologie, maar een gebaar. De vernielde machines waren geen doel op zich, maar symbolen — condensaties van een nieuwe orde waarin snelheid, schaal en winst zich losmaakten van ervaring, vakmanschap en morele wederkerigheid. De luddieten begrepen intuïtief iets wat pas veel later theoretisch zou worden uitgewerkt: dat technologie niet neutraal is, maar een vormgevend principe dat bepaalt wat telt, wat verdwijnt en wat onzichtbaar wordt.
In onze tijd keert die kritiek terug, zij het op een ander niveau. Niet langer staat alleen arbeid op het spel, maar de ervaring als zodanig. Rosen beschrijft hoe digitale technologieën de wereld niet zozeer veranderen, maar gaandeweg vervangen , niet door haar te vernietigen, maar door haar te simuleren, te optimaliseren en te stroomlijnen. Wat verdwijnt, doet dat geruisloos zonder spektakel. Het is geen object dat je kunt aanwijzen, geen instituut dat zijn deuren sluit, geen beroep dat ophoudt te bestaan. Het is ervaring als weerstand, als frictie, als lichamelijke betrokkenheid bij een wereld die zich niet laat herleiden tot data.
Toch is deze diagnose niet de enige mogelijke lezing van de digitale condition humaine waarin wij zijn terechtgekomen. Al in de jaren tachtig werd door Donna Haraway gewezen op het vervagen van de grens tussen mens en machine, niet uitsluitend als verlies, maar ook als transformatie. Het beeld van de cyborg fungeerde destijds als embleem van een bestaan waarin de mix tussen mens en machine niet langer vanzelfsprekend was, maar optioneel , een hybride conditie waarin identiteit, lichaam en technologie in elkaar overvloeien. Vanuit dat perspectief is wat Rosen beschrijft geen abrupte breuk, maar de voortzetting van een ontwikkeling die al decennia gaande is. Dat zij deze eerdere geschiedenis nauwelijks benoemt, verraadt de normatieve inzet van haar betoog: zij schrijft vanuit een verlangen naar behoud, niet vanuit een fascinatie voor verandering.
Een vergelijkbare eenzijdigheid tekent haar omgang met hedendaagse trans-humanistische denkbeelden. Waar visionaire toekomstdenkers als Ray Kurzweil de digitale uitbreiding van het menselijk vermogen beschrijven als een volgende stap in de evolutie, wimpelt Rosen dit optimisme af met wat schampere opmerkingen. Daardoor blijft onderbelicht dat AI niet alleen vervangt, maar ook nieuwe vormen van expressie, samenwerking en inzicht mogelijk maakt. Technologie kan de ervaring verarmen, maar ook intensiveren; zij kan afvlakken, maar ook verdichten. Dat spanningsveld blijft bij Rosen grotendeels onbenoemd.
Dat geldt ook voor de wijze waarop zij de klassieke mediakritiek in haar betoog betrekt. Denkers als Marshall McLuhan en Neil Postman die de (media)technologie niet als instrument, maar als omgeving begrepen — als een verlengstuk van onze zintuigen wat onze waarneming en ons bewustzijn herstructureert — worden slechts terloops genoemd. Bovendien heeft elke technologische innovatie volgens Postman zowel een verrijking als een verarming tot gevolg.
Terwijl Rosen wel – zij het summier – verwijst naar de theorie van de ‘experience economy’ van Pine en Gillmore uit de jaren negentig, blijft zij opvallend stil over eerdere diagnoses van een samenleving waarin de ervaring als zodanig tot spektakel wordt, tot geënsceneerde consumptie, zoals Guy Debord al in de jaren zestig constateerde. De uitroeiing van de ervaring voltrekt zich immers niet alleen via efficiëntie en automatisering, maar ook via overdaad, schijn en simulatie door toedoen van markt en media.
Dat geldt ook voor de wijze waarop zij de klassieke mediakritiek in haar betoog betrekt. Denkers als Marshall McLuhan en Neil Postman die de (media)technologie niet als instrument, maar als omgeving begrepen — als een verlengstuk van onze zintuigen wat onze waarneming en ons bewustzijn herstructureert — worden slechts terloops genoemd. Bovendien heeft elke technologische innovatie volgens Postman zowel een verrijking als een verarming tot gevolg. Door deze eenzijdigheid in de visie van Rosen lijkt het alsof de huidige crisis van de ervaring vooral een moreel probleem is, en minder een structurele verschuiving in de wijze waarop werkelijkheid aan ons verschijnt.
Desondanks raakt Rosen een wezenlijk punt wanneer zij beschrijft hoe digitale systemen de wereld niet alleen bemiddelen, maar vooraf formatteren. Navigatiesystemen nemen het verdwalen over, sociale platforms nemen fysieke aanwezigheid over, digitale archieven nemen herinnering over. AI-systemen nemen inmiddels ook taal, interpretatie en oordeel over. Elk van deze ontwikkelingen kan worden ervaren als een vooruitgang, als gemak of als optimalisering van de dienstverlening. Maar gezamenlijk markeren zij een verschuiving waarin het menselijk tekort — aarzeling, onzekerheid, traagheid en onhandigheid — steeds minder wordt getolereerd . Wat overblijft is een wereld die optimaal functioneert, maar steeds minder daadwerkelijk wordt beleefd.
Daarin schuilt de diepere verwantschap tussen luddisme en hedendaagse technologie-kritiek. De luddieten voelden dat hun werk niet alleen efficiënter werd, maar ook armer. Rosen suggereert dat onze levens niet alleen comfortabeler worden, maar ook eendimensionaler. De digitale wereld belooft veiligheid, controle en voorspelbaarheid, maar doet dat door precies die dimensies te neutraliseren waarin de ervaring zich verdicht. Risico, toeval, lichamelijke nabijheid, het onherhaalbare moment worden steeds zeldzamer. Wat verdwijnt is zelden het spectaculaire, maar juist het triviale dat achteraf beslissend blijkt: wachten, zoeken, vergissen en tijd verliezen. De onbeholpenheid van het leven dat achteraf niet zelden een verborgen kwaliteit blijkt te zijn
De introductie van AI vormt in dit proces geen radicale breuk, maar creëert een opeenhoping van comfort. Waar eerdere technologieën handelingen automatiseerden, automatiseert AI betekenis. Taal wordt gegenereerd zonder stem, beelden zonder herinnering, oordelen zonder verantwoordelijkheid. De wereld wordt niet langer alleen door media bemiddeld , maar vooraf ook geordend. De ervaring ontstaat niet meer primair in de ontmoeting tussen mens en werkelijkheid, maar in de interface tussen gebruiker en systeem. Het leven wordt niet meer daadwerkelijk geleefd, maar aangeboden met een impliciete gebruiksaanwijzing. Zo verdwijnt het avontuur in het soepele procedé.
Toch is ook hier nuance geboden. Dezelfde systemen die ervaring reduceren tot een onlichamelijke pseudo-realiteit, kunnen haar ook blootleggen als een kunstmatige constructie. Ze maken zichtbaar wat altijd al meespeelde: de bemiddeling, de selectie, de framing… In die zin is AI niet alleen maar een bedreiging van authenticiteit, maar ook een ontmythologisering van haar mythische status. Wat Rosen beschrijft als verlies, kan vanuit een ander perspectief ook gelezen worden als een ontmaskering.
Het hedendaagse luddisme — als we die term nog mogen gebruiken — wordt niet neergeslagen met geweld, maar geneutraliseerd door gemak. Technologie presenteert zichzelf als keuze, als verbetering en als onvermijdelijke vooruitgang. Het verzet hiertegen krijgt daardoor iets vreemds: wie weigert mee te doen, lijkt niet principieel, maar lastig, niet kritisch maar nostalgisch. Toch is juist die weigering de kern van het luddische gebaar: het moment waarop iemand zegt dat iets uitstekend functioneert, maar in wezen niet klopt.
Wat Rosen blootlegt, raakt aan een oud filosofisch motief: dat ervaring geen optelsom is van prikkels, maar een proces van betrokkenheid. Zij ontstaat waar iets op het spel staat, waar falen mogelijk is en waar het lichaam niet wordt omzeild. In die zin is haar analyse overtuigend, ook waar zij eenzijdig is. Niet omdat zij gelijk heeft in alles wat zij afwijst, maar omdat zij ons dwingt opnieuw de vraag te stellen naar grenzen van de vooruitgang: wanneer houdt de ondersteuning van arbeid op en begint haar vervanging? Wanneer wordt gemak een vorm van onteigening? En wat verliezen we zonder het te merken, juist omdat het verlies wordt gepresenteerd als winst?
In die zin is het luddisme geen historisch curiosum, maar een blijvende houding: een waakzaamheid tegenover systemen die ons beloven te ontlasten, maar ons tegelijk afleren wat het betekent om fysiek aanwezig te zijn. De vraag die in de tijd van het luddisme werd gesteld — wie heeft eigenlijk profijt van dit soort machines? — keert vandaag terug in een andere gedaante. Niet langer aleen op arbeiders gericht , maar nu ook op het leven zelf. Dat is ook de kern van het hedendaagse debat over AI: niet alleen de angst dat machines ons gaan vervangen, maar vooral ook de onzekerheid over wat wij zelf nog kunnen ervaren, als elke ervaring wordt geoptimaliseerd tot iets onlichamelijks, zodat de wezenlijke ervaring verdwijnt.
