In hun onlangs verschenen boek Wij zijn geen machines. Op zoek naar een nieuw mensbeeld keren Walter Breukers en Jaap Godrie zich tegen een mensopvatting die de mens begrijpt als een complex apparaat: gestuurd door genetische code, gericht op overleving en competitie, ingebed in een universum dat fundamenteel leeg en zinloos is. Dat mensbeeld is niet alleen theoretisch, maar werkt door in onze instituties, onze organisaties en vooral in het economische systeem, waarin optimalisatie en groei tot absolute waarden zijn geworden. De ecologische crisis verschijnt bij hen dan ook niet als een accidenteel falen, maar als een logische consequentie van een wereldbeeld waarin vernietiging geen morele of existentiële rem meer kent.
Tegenover dit mechanistische paradigma plaatsen Breukers en Godrie een ander uitgangspunt, dat niet begint bij de machine maar bij het leven zelf, zoals dat al zichtbaar is in de levende cel. Leven is voor hen geen ding, geen structuur en geen functie, maar een bewegende samenhang waarin materie circuleert. Het leven streeft niet primair naar strijd of samenwerking, maar naar zin. Sterker nog: leven is zin. Daarmee keren zij zich ook tegen het moderne idee dat de mens zijn bestaan moet legitimeren door zelf betekenis te produceren. Zin hoeft niet gezocht of geconstrueerd te worden; zij is reeds aanwezig en wij maken er deel van uit. De mens staat niet tegenover de wereld als betekenis-toekenner, maar is vanaf het begin ingebed in een veld van betekenis dat hem draagt.
Die inhoudelijke stelling krijgt in het boek een vorm die steeds nadrukkelijker met de inhoud samenvalt. Wat begint als een betrekkelijk lineair en essayistisch betoog, ontvouwt zich geleidelijk tot een complexer, levendiger geheel waarin verschillende disciplines, stemmen en perspectieven door elkaar gaan lopen. De tekst wil zich niet alleen over leven uitspreken, maar zelf iets van dat leven belichamen, om te eindigen in wat de auteurs een “klein wonder” noemen. In die zin is het boek ook een experiment: een poging om te laten zien dat vorm, proces en inhoud niet los van elkaar kunnen worden gedacht zonder opnieuw in mechanische schema’s te vervallen.
Om werkelijk voorbij het machinemodel te komen, gaan Breukers en Godrie ver. Niet alleen de mens als machine moet worden losgelaten, maar ook de mens als talige, intelligente geest die de wereld via begrippen en teksten ordent en beheerst. Taal en vooral tekst hebben in de moderne cultuur een bijna sacrale status gekregen, en juist die status willen zij ondermijnen. Wie taal van haar voetstuk haalt, zo stellen zij, ontdekt zich plotseling als lid van een veel grotere familie: niet alleen van mensen, maar van alle levensvormen. Daarom pleiten zij voor de kunst, niet als onthulling van een laatste waarheid, maar als een vorm van verhulling die ruimte laat voor ambiguïteit, veelvormigheid en het niet-reduceerbare. Kunst opent een toegang tot aspecten van het leven die zich niet laten vastleggen in definities of systemen.
Hoewel kunstmatige intelligentie in het boek niet expliciet wordt genoemd, is zij onmiskenbaar het dreigende decor waartegen de stelling “wij zijn geen machines” gelezen moet worden. AI radicaliseert immers precies datgene waartegen de auteurs zich verzetten: taal wordt berekenbaar, creativiteit wordt statistische hercombinatie, betekenis een kwestie van waarschijnlijkheid. In dat licht krijgt hun pleidooi een existentiële lading. Tegelijk roept het de vraag op of hier niet opnieuw een beweging zichtbaar wordt die we uit eerdere fases van het machinetijdperk kennen: de neiging om het verlies aan zin te compenseren met een vlucht in bezieling, samenhang en immanente betekenis, waarbij de kritische rede zelf onder verdenking komt te staan
De parallel met esoterische stromingen uit het begin van de twintigste eeuw, zoals bij de leer van Gurdjieff, dringt zich hier op. Ook hij zag de mens als een slapende machine die moest ontwaken in een bezield universum waarin alles met alles verbonden was. Ook bij hem ging dat gepaard met wantrouwen tegenover taal, intellect en conventioneel bewustzijn. Toch is het verschil wezenlijk. Waar Gurdjieff een hiërarchisch en disciplinair pad naar ontwaken voorstelde, gebaseerd op verborgen kennis en innerlijke oefening, blijven Breukers en Godrie strikt immanent. Er is geen hogere werkelijkheid, geen kosmische ladder en geen esoterische elite. Het leven zelf is reeds zinvol; de mens hoeft niets te bereiken, slechts op te houden zichzelf verkeerd te begrijpen.
In die zin pleiten zij niet voor een esoterisch ontwaken, maar voor een hernieuwde deelname aan het levende geheel. Hun denken is niet transcendent, maar relationeel; niet geheimzinnig, maar anti-reductionistisch. Toch blijft er een spanning bestaan. Door taal en intelligentie zo vergaand te relativeren, lopen zij het risico precies die middelen te ondermijnen waarmee hun kritiek gedeeld, bevraagd en gecorrigeerd kan worden. De uitdaging is daarom of het mogelijk is het machinedenken te overstijgen zonder te vervallen in een nieuwe vorm van zwijgend geloof, waarin zin wel overal aanwezig is, maar zich aan elke kritische articulatie onttrekt. Juist in het tijdperk van AI is dat geen louter filosofische kwestie meer, maar een vraag die raakt aan wat het betekent mens te zijn in een wereld die steeds overtuigender doet alsof wij inderdaad niets anders zijn dan machines.
