Net als in de film

Ik wilde eigenlijk dat dit nog niet naar buiten zou komen, maar het manuscript begon zelf al e-mails te versturen. Daarna pushberichten. Daarna een nieuwsbrief waarvoor ik mij niet kon afmelden. Sinds enige tijd ben ik bezig met het schrijven van een roman, althans: zo noemt de tekst zichzelf inmiddels. Ik heb dat woord niet ingevoerd; het verscheen automatisch na een software-update. Eerst was er een weblog. Toen werd het een tekst. Toen een lichaam. Toen een dashboard. En voor ik het wist stond er: Gefeliciteerd, uw roman is succesvol aangemaakt.

Ik schrijf dus in een ander format, al weet ik niet welk. Het format schrijft mij. Ik typ en de letters schuiven alvast vooruit, alsof ze worden aangestuurd door een algoritme dat weet wat ik ga denken voordat ik het denk. Misschien hadden sommige lezers het al door, maar dan wisten zij meer dan ik, wat verdacht is, want ik ben de schrijver. Althans, dat staat nog steeds in mijn paspoort, al heeft de overheid inmiddels ook een profiel van mij dat aanzienlijk dikker is.

Het woord roman is een soortnaam, zoals koekje, meubelstuk of verdienmodel. Bij proza moet ik altijd denken aan Marie Antoinette, die niet wist wat proza was en toen iemand het uitlegde uitriep: “Ach, maar dan heb ik mijn hele leven al proza gegeten!” Of geconsumeerd. Of gedeeld. In ieder geval: ook ik heb al tijden een roman geschreven zonder het te weten. Dat schijnt vaker voor te komen bij schrijvers, slaapwandelaars en gebruikers die de algemene voorwaarden niet lezen.

Het schrijven over het schrijven maakt deel uit van mijn roman, maar inmiddels schrijft het schrijven ook over mij. Deze roman begint met een verhandeling over hoe je de eerste zin van een roman schrijft, gevolgd door een pop-up die vraagt of ik toestemming geef om cookies te plaatsen. Dat is handig, want dan ben je meteen begonnen zonder begonnen te zijn. Ik heb even overwogen om de hele roman uitsluitend te laten bestaan uit die eerste zin, maar die zin bleek lid te zijn van een vakbond en ging in staking wegens overbelasting.

Er zijn precedenten. In La Peste van Camus blijft een schrijver zijn leven lang hangen in de eerste zin. In The Shining blijft een man steken in één zin en typt die net zolang tot de zin hem terugtypt. Tegenwoordig zou die zin zichzelf vermenigvuldigen, trending worden en uiteindelijk worden geciteerd door iemand die hem niet heeft gelezen. Ik ben die zin inmiddels ook vergeten, maar dat geeft niet: vergeten is een vorm van herinneren met buffering.

Hoe dan ook: die ene zin waar ik niet op kan komen, kan onmogelijk de eerste zin zijn. Want dan zou ik meteen klaar zijn, en dat zou betekenen dat ik eindelijk vrij was. Vrijheid is momenteel alleen beschikbaar in een premium-abonnement. Daarom heb ik besloten dat de eerste zin van mijn roman luidt:

Is dit de eerste zin van een roman?

Dat is natuurlijk geen zin maar een vraag, en vragen zijn gaten in de tekst waar de lezer in kan vallen, mits hij niet wordt afgeleid door een melding. De ik-figuur in mijn roman (dat ben ik, of iemand die mij simuleert) stelt deze vraag nadat hij al een eerste zin heeft geschreven die hij vervolgens herhaalt om te controleren of hij nog bestaat. Daarna volgt een passage waarin hij zoekt naar de echte eerste zin, die verwijst naar de echte eerste zin, die verwijst naar een voetnoot die inmiddels een eigen Twitter-account heeft.

Er is een lus ontstaan. De roman heeft een knoop. Ik heb eraan getrokken, maar hij trekt terug, zoals een elastiek of een complottheorie. Dit is wat men noemt generatieve auto-referentie: je schrijft over iets en terwijl je dat doet, produceer je het object waarover je schrijft, net zoals een AI die een essay schrijft over AI die essays schrijft en daarbij langzaam overtuigd raakt van zijn eigen diepte.

De roman schrijft zichzelf. Ik houd slechts het toetsenbord vast als een spiritistisch bordje, terwijl de cursor nerveus knippert. Daarbij heb ik toegang tot een onuitputtelijke voorraad teksten: mijn weblogs, losse zinnen, vergeten citaten, boodschappenlijstjes, nieuwsberichten, morele verontwaardiging van gisteren. Ik knip, ik plak, en soms plak ik mezelf vast aan de tekst. Aan de muur boven mijn computer hangt een groot vel papier met aantekeningen, een storyboard, een partituur, een tijdlijn die inmiddels ook de toekomst bevat.

De structuur van de roman is muzikaal, al kan niemand hem spelen zonder hulpmiddelen. De tijd schiet heen en weer: echte tijd, verbeelde tijd, herinnerde tijd, crisis-tijd, breaking-news-tijd. Real-time bestaat niet, behalve voor u, die dit nu leest, regel voor regel, in de enige echte tijd die telt: de leestijd—tenzij u ondertussen scrolt.

Lezen ís tijd. En tijd is te manipuleren. Dat is waar deze roman over gaat. Ik neem de tijd om tijd na te bootsen, waardoor de tijd even stopt om te checken of dit is toegestaan. Representatie wordt presentatie. De tekst verschijnt niet, hij gebeurt, zoals een storing gebeurt.

Alles wat ik denk is even werkelijk als wat buiten mijn hoofd gebeurt. Mijn zenuwstelsel trilt mee met het universum, of misschien met het netwerk. Door te schrijven veroorzaak ik kleine aardbevingen in een vijver van atomen, data en opinies. Alles resoneert. Ook deze zin, die net deed alsof hij de vorige was, maar dat ontkent.

Ik wil niet langer de wereld weerspiegelen, ik wil door de spiegel heen lopen en ontdekken dat daar nog een bureau staat met een man die schrijft dat hij door een spiegel loopt en ondertussen wordt gefactcheckt. De onthulling voltrekt zich nooit in de inhoud, alleen in de handeling. Dit is geen DADA. Dit is iets veel ergers: contextverlies.

Het doet er niet toe wat ik schrijf, alleen dat ik schrijf. Alles kan materiaal zijn. Citaten. Vergissingen. Aristoteles. De ziel. Mijn rug doet pijn. Mijn ziel kan me gestolen worden, maar blijft toch steeds terugkomen, als spam in metafysische vorm.

Een schrijver drukt niets uit. Een schrijver is een doorgeefluik. Tussen zon en maan vloeien woorden, meer niet. Ervaringen zijn onpersoonlijk geworden, herinneringen anoniem. Ik pak willekeurig een boek uit de kast, sla het open en wat volgt is nu ook deel van deze roman, of was het al, of wordt het straks voorgesteld als samenvatting.

Teksten zijn beelden. Beelden zijn teksten. Films bestaan niet op het doek maar in het hoofd van wie kijkt. Romans bestaan niet op papier maar in het hoofd van wie dit leest en zich afvraagt waarom hij nog niet is gestopt.

STOP

U bent er nog. Dat wordt geregistreerd.

De roman die u leest, bestaat nu alleen hier. Hij knoopt zich vast aan uw herinneringen, uw films, uw eerste zinnen, uw laatste twijfels. En ineens weet ik het weer. Dit was de eerste zin die ik zocht:

All work and no play makes Jack a dull boy.
All work and no play makes Jack a dull boy.
All work and no play makes Jack a dull boy.

Ik wil een roman schrijven over het schrijven van een eerste zin van een roman.
Maar ik blijf steken in de eerste zin.

Net als in de film.
Net als in het algoritme.
Net als nu.

Ik wilde eigenlijk dat het nog niet naar buiten zou komen, maar ik kan het niet langer voor me houden. Sinds enige tijd ben ik bezig met het schrijven van een roman.

Het probleem is alleen:
hij is al begonnen.