Een dolfijn in Venetië

‘Partir, c’est mourir un peu,’ zeggen de Fransen, en dat geldt vooral wanneer je Venetië moet verlaten. Na twee weken verblijf kwam donderdag het moment van vertrek en toen sloeg de melancholie toe. Venetië trok zich terug als een verblekende film, voegde zich bij de halfdoorzichtige herinneringen van eerdere bezoeken. Que c’est triste à Venise: het lied van heimwee, van een terugtocht die maar niet wil beginnen, van een tijd die voortgaat zonder ooit terug te keren. Totdat jij terugkeert en alles weer opnieuw begint, alsof de stad jouw aanwezigheid nodig heeft om opnieuw tot leven te komen.

Die herhaling is geen herhaling, want in Venetië verandert bijna niets en juist daardoor is alles telkens nieuw. De stad lijkt gebouwd op een plattegrond van de tijd zelf: een labyrint waarin dingen verdwijnen om onmiddellijk weer te verschijnen, een wereld waar tijd niet lineair is maar cirkelt. Venetië is het leven in het klein: niets verdwijnt echt, niets herhaalt zich zonder tegelijk anders te worden. Een ding was in ieder geval anders dit keer, een moment dat bijna te onverwacht was om werkelijk te lijken.

We hebben de dolfijn gezien. Opeens sprong hij omhoog vanuit het water toen we vanaf het Lido terugvoeren naar de stad, alsof hij zich even wilde vergewissen van wie er ditmaal binnenkwam in zijn verstilde rijk. Een wilde dolfijn die al maanden door de lagune zwemt, een enkele vloeiende beweging tussen alle hoekigheid van boten en palen. Mimmo, zeggen de Venetianen, alsof hij een buurtgenoot is die zich niets aantrekt van de menselijke geschiedenis die hij doorkruist. Een zeldzame verschijning die nieuwsgierig naar de stad komt, maar die men liever naar open zee ziet terugkeren. Misschien omdat hij ons eraan herinnert dat iets wilds zich maar kort laat bekijken—dat het verschijnt, verdwijnt, en alleen in het verdwijnen iets van zijn waarheid laat zien.

Misschien dacht ik daarom aan hem, de volgende dag, toen ik besloot alleen te gaan dwalen. Ik nam de vaporetto, die motorische ruggengraat van de stad, en stapte uit bij Celestia, een halte met een naam alsof hij half uit de lucht is gevallen. In een onbekende wijk stond ik opeens voor de Scuola di San Giorgio degli Schiavoni, een plek die ik ooit eerder had bezocht—of misschien was het de plek die mij had onthouden. Venetië is een harmonie van water en steen, een zuidelijk Amsterdam, en voor wie de stad slechts kent uit Death in Venice, of zoals ik telkens terugverlangt, is dit kleine gebouwtje een schatkamer: bijna het hele oeuvre van Vittore Carpaccio hangt hier. Een zegen voor de reiziger die niets anders wil dan kijken, zoals Mimmo even keek toen hij naast onze boot opdook: niet om te begrijpen, maar om te zien.

De panelen tonen het leven van Sint-Joris en Hiëronymus in een eigenaardig verstilde wereld. Alles is even scherp: veraf en dichtbij, alsof de schilder een diafragma bezat dat geen verschil kende. Maar één paneel wijkt af. Een geleerde in zijn studeerkamer, omringd door attributen van geloof en wetenschap, kijkt op van zijn werk. Eeuwenlang dacht men: dit is Hiëronymus.

Tot 1959, toen Hellen T. Roberts in The Art Bulletin nuchter opmerkte dat het Augustinus moest zijn. Haar argument lag in een oude legende, beschreven in Hyeronimus: Vita et transitus uit 1485. Daarin staat dat Augustinus in 419 een brief wilde schrijven aan de inmiddels overleden Hiëronymus, toen een plotseling licht uit het venster—con ineffibile fraganza—hem toesprak: “Wat zoek je toch? Denk je dat je de zee in een vaasje kunt stoppen?” Dat wonderlijke licht herkende miss Roberts in het paneel. Later opgedoken documenten bevestigden haar vermoeden. En zo keerde Augustinus terug naar Venetië, een stad waarin hij nooit had gewoond en waar hij toch thuiskwam. Ook hij, net als de dolfijn, was hier een onverwachte gast: een verschijning die niet thuishoort in deze waterstad, maar die er toch even natuurlijk lijkt als het getij.

Niet lang geleden moest ik terugdenken aan deze ontdekking in de tram in Amsterdam, toen ik een boek las dat als een stad aanvoelde: Philosophy and the Mirror of Nature van Richard Rorty. Zijn stijl is helder maar zijn landschappen zijn steil; bij elke zin moet je bijna opnieuw leren denken. Het boek stelt dat de mens zijn geprivilegieerde toegang tot waarheid heeft verloren. De oude gedachte dat wij onze eigen essentie kennen door onze essentie te kennen, blijkt een misverstaan van het menselijk vermogen. De spiegelmetafoor die eeuwenlang het denken vormde—de idee dat de geest de natuur reflecteert, mits de spiegel maar schoon genoeg is—is volgens Rorty uiteengevallen.

Opmerkelijk daarbij is dat het vertrouwde onderscheid tussen het ‘binnen’ en ‘buiten’ van de mens verrassend jong is—een constructie van Descartes, met alleen Augustinus als verre voorloper. Sindsdien is ons denken beheerst door metaforen van het oog: wij kijken naar de wereld én naar onszelf alsof beide zichtbaar en meetbaar zijn. Maar door de geschiedenis heen is die spiegel steeds verder naar buiten verschoven: van de geest tegenover de materie, via de zintuigen als filter, naar de zelfkritiek van het denken dat zijn eigen wetten onderzoekt. Steeds opnieuw bleef de droom bestaan van één verdwijnpunt van waaruit alles zichtbaar wordt—een carpacciaans perspectief waarin de wereld in één oogopslag te bevatten is.

Die droom is uiteengevallen. De moderne wetenschap heeft de werkelijkheid te fijnmazig gemaakt; het totaalbeeld is verdwenen. Het diafragma is niet langer oneindig, het beeld gefragmenteerd, eindig, zonder vanzelfsprekende samenhang. Misschien is de dolfijn daarom zo ontregelend: één beweging, één glimp, en alles wat je dacht te overzien raakt uit balans. Hij is geen deel van het beeld, maar een barst in het beeld.

Daarom pleit Rorty voor een omkeer: laat de droom van oncorrigeerbare waarheden los. Zie kennis als een onderneming naast andere, ingebed in cultuur en tijd, gevoed door stemmen uit vreemde tradities. Filosofie is dan geen fundament maar een gesprek—edifying philosophy, zoals hij het noemt, een denken dat bouwt terwijl het zich heroriënteert. Waarheid wordt niet verankerd maar uitgewisseld; niet gezocht in een spiegel maar in de dialoog.

Het beslissende moment ligt in een passage waarin hij zegt dat filosofie ruimte moet laten voor de verwondering die soms door dichters wordt gewekt: iets dat nieuw is onder de zon, iets dat niet een accurate weergave is van wat al bestond, iets wat nauwelijks te beschrijven valt. Daar opent de barst in de spiegel zich. Niet als breuk, maar als opening. De mogelijkheid dat het denken zichzelf niet doorgrondt, dat het geen glas is maar gatenkaas, en dat juist het ijle niets een plek krijgt om te verblijven. Rorty belandt daarmee in het gezelschap van filosofen die de geschiedenis niet willen overstijgen, maar erin willen leven—Wittgenstein, Dewey, de late Heidegger. Het zijn de weinigen die op het hoogste punt van het denken niet triomferen, maar zich verwonderen.

Augustinus kende dit al: de geest die zichzelf niet vat en juist daarom verbaasd raakt. ‘Verbazing bevangt mij; verbijstering grijpt mij aan,’ schreef hij in zijn Confessiones. Misschien is dat de oudste vorm van filosofie. Mimmo, die zonder reden naast onze boot opdook, had het al getoond: inzicht komt niet als spiegeling, maar als ontmoeting. Plotseling en onverwacht. 

En zo keer ik terug naar Venetië, waar de woorden die ik schrijf altijd metaforen van het oog blijven, drijvend op het water van betekenis. Hoeveel respect ik ook heb voor miss Roberts: als er één gondel voer waarmee zij terug kon reizen naar de vijftiende eeuw, zou haar ontdekking vervagen. De zeemanskinderen van de Scuola kenden geen metaforen, geen spiegel, geen diafragma. Zij zagen wat zij wisten. Misschien zagen zij ook, zonder het te begrijpen, het onverwachte—zoals een dolfijn die opeens de lagune binnenschiet.

En op de vraag wie op dat schilderij stond, zouden zij in koor antwoorden:

“Dat is niet Augustinus, dat is Hiëronymus. Wat zoek je toch? Denk je dat je de zee in een vaasje kunt stoppen?”