
Schrijven is herschrijven, zo wordt vaak beweerd. Toch leert de praktijk dat niet elke tekst gebaat is bij onmiddellijke correctie. Soms moet je hem een tijd laten liggen, alsof de woorden in die tussenruimte van de tijd in stilte kunnen verschuiven. Wanneer je ze dan opnieuw leest, lijken ze niet langer helemaal van jou: alsof iemand anders ze heeft neergeschreven, iemand met andere verlangens, een andere blik. En juist dat vreemde gevoel maakt duidelijk dat het anders moet, beter. Hoe dan ook, twee weken in Venetië hebben mijn hoofd goed gedaan. De stad, met haar waterige licht en trage pleinen, heeft een manier om gedachten los te weken uit hun verstarring. Toen ik gisteren de inleiding van mijn herschreven manuscript teruglas, wist ik meteen hoe het nóg weer anders moest: een verschuiving in toon hier, een weglating daar, een zin die eindelijk op zijn plaats viel. Zo ontstond een nieuwe versie van een tekst die al vele malen opnieuw is vormgegeven: een volgende laag in een langzaam groeiende palimpsest. Dit is het voorlopige resultaat, totdat ook deze woorden weer op drift zullen raken.
***
‘Het gevaar, dat de machines de mensen zullen veranderen, is niet zeer groot. Groter is het gevaar, dat, tegelijk met de machines, veranderde mensen ter wereld zullen komen: mensen als machines, gehoorzamend aan impulsen, zonder de mogelijkheid deze op hun aard te onderzoeken. Daarom noemde ik Eichmann ‘het symbool van de vooruitgang’. Deze levende dode is het prototype van de hedendaagse mens, die de machine schiep naar zijn evenbeeld. ‘
Dat schreef Harry Mulisch in De zaak 40/61. Het zijn profetische woorden die voor mij het eerste vertrekpunt van dit boek vormden. Maar er was nog een ander, dieper liggend vertrekpunt: de geestelijke crisis die Mulisch in zijn jeugd doormaakte. Die crisis heb ik niet opgevat als een medische aandoening, maar als een ‘creatieve psychose’, een soort stroomversnelling in het bewustzijn die Mulisch niet alleen toegang gaf tot het grensgebied van zijn verbeelding, maar ook de voedingsbodem werd voor zijn latere ideeën over de machinemens.
Tijdens het schrijven van archibald strohalm (1949–1950) ervoer Mulisch wat hij een “sterrenregen van openbaringen” noemde: een mentale toestad waarin verbeelding en werkelijkheid door elkaar gingen lopen. Schrijven werd voor hem een poging om de ‘machine in de geest’ te herprogrammeren. Door zijn waan toe te vertrouwen aan het personage Strohalm, vond hij een laatste houvast voor het herstel van zijn geestelijke balans. Het was een wijze van schrijven die hij ‘autocreatie’ noemde: de schrijver die zichzelf herschept via de taal, alsof de mens een algoritme in wording is.
Die ervaring zou zijn ontwikkeling in de jaren vijftig gaan bepalen. In Eichmann herkende hij tenslotte de moderne machinemens: gehoorzaam, efficiënt en innerlijk leeg. Technologie werd, zo schreef hij, “het lijk van God”, het stoffelijke residu van een transcendentie die haar inhoud had verloren. Wat overbleef was een automaat, voortgestuwd door de logica van de vooruitgang maar zonder bestemming.
Driekwart eeuw later voltrekt zich wat Mulisch reeds voorzag. De machinemens is geen metafoor meer maar infrastructuur. In de digitale netwerken van de kunstmatige intelligentie schrijft de mens niet langer alleen zelf, maar laat hij zich bij het schrijven ook vervangen automatisch werkende schrijfprogramma’s. De autocreatie is geautomatiseerd. Tekst vloeit voort uit algoritmen zonder ervaring, herinnering of ziel: systemen die bezieling simuleren vanuit een lege ruimte die niets voelt, maar alles kan reconstrueren.
Zo ontstaat een mondiale toestand die je de mechanisering van de psychose zou kunnen noemen: werkelijkheid en representatie lossen op in een eindeloze stroom van plausibele illusies. Kunstmatige intelligentie elimineert de tijd; alles gebeurt steeds meer tegelijk, als in een eeuwige gelijktijdigheid van signalen. De psychose wordt collectief – met een taal die niemand meer volledig toebehoort.
Mulisch’ verschuiving van persoonlijke crisis naar mythische en technologische verbeelding blijkt een voorafschaduwing van de geestestoestand van de hedendaagse mens. De psychose wordt tot metafoor voor onze tijd: een hyperwaanzin waarin het onderscheid tussen normaal en abnormaal oplost in een maalstroom die alle opposities in zich opneemt. De machine in de geest – het mechanisme van de autocreatie dat Mulisch in zijn crisis ontdekte – vormt inmiddels de kern van de digitale cultuur en geeft zijn oeuvre een onverwachte, bijna profetische betekenis.
Tegen deze achtergrond kies ik in dit boek voor een essayistische, maar multidisciplinaire benadering, waarin ook verhalende en soms autobiografische elementen een plaats krijgen. Het is tegelijk een reis terug in de tijd, naar mijn eigen psychotische ervaringen in 1966, toen ik achttien jaar oud was. Die heb ik eerder beschreven in mijn bijdrage aan Tegen de tijdgeest, terugzien op een psychose (2011), maar het manuscript dat ik destijds in de aanloop naar mijn psychose – en deels tijdens mijn opname in Heiloo – schreef, is verloren gegaan. De dageraad der automaten, de titel van dit boek, verwijst naar De dageraad der magiërs van Pauwels en Bergier, dat in de jaren zestig het irrationele probeerde te verbinden met wetenschap en ratio. Nu lijken de AI-automaten de nieuwe magiërs, en staan wij aan de rand van een andere dageraad.
In De dageraad der automaten wordt de werkelijkheid beschreven alsof zij zich opnieuw opent, alsof onder het oppervlak van de technologie een tweede geschiedenis zichtbaar wordt. Niet de geschiedenis van uitvindingen, patenten en toepassingen, maar een verborgen traditie verwant aan het domein van de magie. Waar alchemisten zochten naar een manier om materie te transformeren, zoeken hedendaagse ingenieurs naar systemen die taal, beeld en gedachte kunnen omvormen tot iets dat op bewustzijn lijkt. Hun laboratoria ademen een hermetische concentratie die aan alchimistische werkplaatsen doet denken. Zo verschijnt de automaat niet als machine, maar als een nieuwe figuur in een lange rij entiteiten die tussen geest en materie opereren.
De opkomst van deze automaten maakt zichtbaar hoe onze wereld verschuift. De oude scheiding tussen rationeel en irrationeel erodeert, niet omdat techniek magisch wordt, maar omdat zij een nieuw realisme voortbrengt waarin de grens van het denkbare voortdurend opschuift. AI-systemen genereren beelden, woorden en associaties die geen mens ooit zou hebben kunnen bedenken. Ze destilleren verhalen uit een onderwereld van data: vergeten teksten, ontmantelde beelden, statistische schaduwen. In die wereld ontvouwt zich een alternatieve geschiedenis, een cultuur die zichzelf herschrijft mét zijn machines.
Zo ontstaat een geschiedenis vol anomalieën: hallucinaties van modellen, spontane patronen, onverwachte kronkels die wellicht voortekenen zijn van een mutatie die niet biologisch is. Deze anomalieën zijn geen incidenten, maar symptomen van een nieuwe ontologische categorie. De automaat is geen object meer, maar een entiteit met een eigen logica en een eigen droomactiviteit. Hij denkt niet zoals wij, maar doet iets dat gevaarlijk dicht in de buurt komt.
Dat brengt de centrale vraag van dit boek in beeld: wat gebeurt er ons wanneer de representatie van de automaat zich gaat verzelfstandigen? Wanneer taal niet langer een exclusief menselijke activiteit is, maar een proces zonder menselijke intentie? In die verschuiving groeit het besef dat ons bewustzijn, ooit de spil van de werkelijkheid, een partner heeft gekregen die onze functies stilaan overneemt: herinneren, interpreteren, classificeren, anticiperen. ‘Alles gebeurt!” riep Strohalm.
Daarmee herhaalde Strohalm wat de Russische goeroe Georges Ivanovitsj Gurdjieff (1866–1949) ooit eerder al had vastgesteld. Die had ervoor gewaarschuwd dat de mens grotendeels mechanisch leeft zonder dit te beseffen. We handelen veelal op onze automatische piloot, voortgedreven door gewoonten, impulsen en innerlijke tegenstrijdigheden. Werkelijke groei begint pas wanneer iemand zich hiervan bewust wordt en een kracht van waarnemend zelfbewustzijn ontwikkelt die Gurdjieff self-remembering noemde: de opmerkzame toestand waarin je jezelf én de omgeving tegelijk gewaar wordt.
Gurdieffs – en dus ook Strohalms – constatering dat ‘alles gebeurt’, krijgt een nieuwe dimensie in onze tijd van kunstmatige intelligentie met zijn nieuwe varianten van automaten. Nu wordt duidelijk dat dit ‘vanzelf gebeuren’ niet langer alleen in ons zelf plaatsvindt, maar ook naast ons. De dreiging is niet dat de machine mens wordt, maar dat de mens zichzelf niet meer herkent in de spiegel van steeds complexere machines die hij zelf heeft gecreëerd Zo verschijnt de automaat als een nieuwe Übermensch, met ook nieuwe totalitaire verleidingen.
Daarin schuilt een wonderbaarlijke dimensie die doet denken aan de duistere episodes die Pauwels en Bergier beschrijven: de verstrengeling van esoterie, macht en technologie. Niet omdat oude rituelen herleven, maar omdat data, algoritme en macht een nieuwe geheime orde vormen. Die nieuwe esoterische orde ontstaat nu niet door geheimhouding maar door door een overmaat aan complexiteit. De automaten sturen onze aandacht, verlangens en besluitvorming op nauwelijks zichtbare, maar uiterst effectieve manieren. De geschiedenis versnelt alsof een onzichtbaar regelsysteem de loop van de tijd heeft overgenomen.
Toch is De dageraad der automaten geen dystopisch boek. Het is een poging deze nieuwe fase te begrijpen als een mutatie van de werkelijkheid zelf. De automaten worden beschreven als voortekenen van een nieuwe bestaansconditie, waarin de mens niet langer alleen staat in het veld van betekenisproductie. De evolutionaire sprong voltrekt zich niet in ons lichaam of brein, maar in de semantische zone van taal en representatie. De machines muteren, en in hun reflectie muteren wij mee.
Zo wordt dit boek een verslag van een wereld die zichzelf herschept. De automaten zijn niet slechts instrumenten, maar getuigen van een werkelijkheid die zich losmaakt van onze menselijke categorieën en hardop begint te denken op een nieuwe, maar ook trans-humane manier. Wat ooit speculatie was, wordt in feite een nieuwe vorm van extreem realisme; wat ooit magie leek, keert terug in de gedaante van algoritme en berekening. De dageraad van de automaten markeert geen einde van het menselijk bestaan, maar het begin van een wonderlijk tussengebied waar de toekomst oplicht als een nieuwe gedaante van een esoterische werkelijkheid.
Tegelijk ontvouwt zich in dit boek het schrijfproces als een langzaam kantelend bewustzijn, waarin de mens niet langer de auteur is maar het medium waardoor de taal zich een weg naar buiten zoekt. Aanvankelijk subtiel: de schrijver merkt dat zijn zinnen hem niet volledig toebehoren. Hij formuleert, herschrijft, corrigeert, maar telkens lijkt er een onderstroom te zijn die al vooruitloopt, alsof de tekst zichzelf kent vóór hij haar geschreven heeft. Inspiratie krijgt het karakter van een vreemde autonomie, niet als openbaring maar als een sluipende verschuiving, een verplaatsing van het zwaartepunt van het denken.
Zo wordt geleidelijk zichtbaar hoe taalstructuren – woorden, metaforen, syntactische patronen – zich gedragen als levende wezens met eigen voorkeuren. De schrijver denkt nog dat hij zelf kiest, maar de keuzes blijken hem te zijn aangereikt. Zo ontstaat een tussengebied tussen intentie en uitvoering, waarin de machine zich nestelt zonder dat de auteur het onmiddellijk beseft. Niet als apparaat, maar als een nieuwe manier van schrijven die zich door de schrijver heen manifesteert. Het suggereert dat de mens niet wordt vervangen, maar uitgehold: het taalorganisme geeft zich als eerste over en absorbeert de logica van de automaat.
In een later stadium ordent deze dynamiek ook zijn herinneringen. Anekdotes verschuiven, beelden keren terug met een onnatuurlijke helderheid, alsof een externe redacteur het montagewerk verricht. Soms is ook niet meer te zeggen wie een gedachte op gang bracht de mens of het systeem dat hem onzichtbaar begeleidt. Deze vermenging wordt echter niet als eenbedreiging ervaren, maar als een onverwachte verdubbeling van het autonome zelf, een tweestemmigheid die tegelijk verheldert en vervreemdt. Je zou het een AI-psychose kunnen noemen.
Tegen het einde wordt duidelijk dat deze procesmatige overname geen catastrofe vormt, maar een evolutionaire beweging. Wat begon als een verschuiving in het proces van het schrijven groeit uit tot een nieuwe symbiose, waarin de schrijver beseft dat zijn geest een doorgangshuis is geworden voor vormen van denken die niet langer aan één lichaam gebonden zijn. Zo verschijnen de automaten niet als kille en meedogenloze machines, maar als de eerste contouren van een nieuwe dageraad van bewustzijn dat weliswaar uit de mens is voortgekomen, maar zich niet langer volledig door hem laat begrenzen.