Egbert Tellegen (rechts) en ik, op 10 februari 2013 in het gebouw van de Universiteit voor Humanistiek in Utrecht. Links uitgever Ed Brand (overleden in 2021).
Eergisteren was de begrafenis van Egbert Tellegen in het uitvaartcentrum Westgaarde in Amsterdam West. Ik was daarbij aanwezig. ‘Het is mooi genoeg geweest’ had er bovenaan de rouwkaart gestaan, en die gedachte kwam ook telkens weer terug in de toespraken in de aula. Tellegen had zelf gekozen voor het einde van het leven. ‘Voltooid leven’ zoals dat tegenwoordig heet. Gisteren verscheen in de Volkskrant postuum een artikel van hem, waarin hij dit besluit toelicht en een pleidooi houdt voor de legalisering van deze wijze van bewust afscheid nemen van het leven. (zie hier)
Ik respecteer die keuze, maar ik heb er zelf ook moeite mee. Want achter het begrip ‘voltooid leven’ schuilt nooit enkel helderheid, maar ook de schaduw van de vraag hoe wij achterblijvers verder moeten met de nagedachtenis aan degene die vertrokken is. Het lijkt of hij niet gestorven is, maar vertrokken naar een ver oord vanwaar hij nooit meer terug zal keren. Geëmigreerd naar de dood. Zoiets. ‘Voltooid leven’ betekent voor mij ‘zelfdoding zonder wanhoop’. Maar als er geen wanhoop is, wat is er dan wel? Hoop kun je het moeilijk noemen. Hoop doet leven, maar hier is er geen leven meer. Er is alleen maar dood.
Ik kan me herinneren dat ik ooit een keer met Egbert heb gesproken over de mogelijkheid van leven na de dood. Hoewel hij zichzelf een agnost noemde, achtte hij het voorbestaan na de dood zo goed als uitgesloten. ‘Doodgaan, dat is de natuur,’ zei hij. Ook mijn tegenwerping dat wij mensen – ook als is ons verstand nog zo groot – nooit de alomvattende complexiteit van de natuur zouden kunnen doorgronden, maakte weinig indruk op hem. Dat wij niet alles weten of kunnen weten, was hem als wetenschapper bekend. Verificatie, falsificatie… kom er eens om als het gaat om leven en dood… hoop of wanhoop.
Terwijl ik het artikel in De Volkskrant las, dwaalden mijn gedachten af en moest ik onwillekeurig denken aan de vlinder die ik vannacht was. In mijn dromen vloog ik – of geloofde ik dat ik vloog. Ik wist dat ik droomde, dat ik eigenlijk een mens was, maar toch voelde ik de lichte slag van mijn vleugels, het gewichtloze stijgen en dalen. Alles was helder. Of beter: alles was licht geworden. Ongevoelig voor zwaarte, alsof de wereld even ontdaan was van haar vaste vormen.
En zoals ik daar vloog, vroeg ik me af: hoe herinner ik mij deze lichtheid, als ik straks weer wakker ben? Hoe verwerk je een kortstondig en efemeer bestaan dat zo vluchtig was dat je het nauwelijks kunt navertellen? Sinds een zomerdag lang geleden, toen ik in een vlindertuin in Emmen wegdroomde – de ogen open, maar de gedachten elders – hebben vlinders mij iets geleerd wat ik in woorden nauwelijks kan vangen. Dat kwetsbaarheid ook kracht kan zijn. Dat schoonheid altijd op de vlucht is. Dat de natuur geen systeem van etiketten is, geen biologieboek waarin alles op zijn plaats valt, maar een organische janboel van kleur en licht, van mislukking en verrukking.
En in die wanorde vond ik troost. Misschien omdat de natuur niet vraagt om een voltooiing, maar omdat ze altijd blijft veranderen, zelfs als wij zelf stilvallen. Het leven in de natuur is nooit voltooid. Tellegen pleitte voor een wet, een regeling, zorgvuldigheid en zekerheid als het gaat om de zelfverkozen dood. En ik begrijp dat. Voor wie zijn leven als voltooid ziet, moet er altijd een deur openstaan die niet kraakt en zonder bordje ‘Verboden Toegang’ Maar diep in mezelf voel ik ook zoiets als het verlangen van een vlinder, het verlangen naar dat ene ogenblik van gewichtloosheid waarin de wereld niet overeen hoeft te stemmen met mijn idealen om toch mooi te zijn en te kunnen ontroeren. Zelfs als alles voltooid lijkt, want nogmaals: in de natuur is niets voltooid.
Ook in de vleugels van een vlinder zit geen voltooiing, alleen beweging. In de natuur bestaat geen laatste hoofdstuk. Alleen metamorfose, transformatie, verschijnen en verdwijnen. En tussen die twee werelden – de eigenzinnige keuze van Egbert Tellegen en mijn aarzeling om hierover tot een oordeel te komen – zoek ik naar een begrijpelijke gedachte over deze ongrijpbare materie. Ik ben geen tegenstander van voltooid leven, en ook geen pleitbezorger. Ik ben slechts iemand die probeert te begrijpen hoe lichtheid en zwaarte zich tot elkaar verhouden in een leven dat altijd verder gaat, ook als je dat zelf niet meer wil – en zelfs als je er niet meer bent.
‘Woorden zijn dode vlinders,’ schreef ik ooit. Heel even kunnen ze nog iets van warmte vasthouden in hun vleugels, ook nu, terwijl ik probeer te begrijpen wat een zelfverkozen dood zou kunnen betekenen als je hier zelf weloverwogen voor kiest. Maar terwijl ik dit schrijf, realiseer ik me ook dat ik misschien (nog) te bevoorrecht ben om dit werkelijk zo te kunnen — of zelfs te mogen — voelen of begrijpen. Misschien moet ik erkennen dat sommige beslissingen zich onttrekken aan mijn begrip, hoe zorgvuldig ik er ook woorden voor zoek.
