Na de oorlog groeide ik op als kind tussen vier vrouwen. In mijn geval waren dat mijn vier oudere zusters – schimmen die leken te leven op een andere planeet. Ze waren ouder, wijzer, wereldser. Terwijl ik nog in het kinderrijk ronddoolde, bewogen zij zich in hogere sferen, daar waar het echte leven zich afspeelde. Mijn bestaan leek veroordeeld tot een eeuwig kinderparadijs: een ommuurde speeltuin zonder uitgang naar de volwassenheid. Volwassen, dat waren altijd de anderen. Zij wilden oprecht en waarachtig leven, ik leefde in mijn eigen wereld. Misschien doe ik dat nog steeds.
Ik keer graag terug naar die tijd, de nadagen van het Rijke Roomse Leven. Mijn zusters vertelden erover met een zekere bevlogenheid. Ze werden verpleegster of gingen naar de sociale academie, liepen bedevaarten naar Chartres of Santiago, lazen Guardini en geloofden in een nieuw soort christendom dat de wereld zou vernieuwen. Zelf las ik Kuifje, Karl May en later Sartre en Camus. Pas toen begon ik te beseffen dat er iets onomkeerbaars was gebeurd: God was verdwenen. De generatie die de oorlog niet had meegemaakt, ontdekte dat de hemel leeg was. ‘Wie God zoekt, moet Hem verlaten’ – dat werd ons nieuwe credo. Toch bleef het gevoel knagen dat er iets verloren was gegaan wat niet zomaar terug te vinden viel. Je kon het alleen nog opnieuw uitvinden, en ik geloof nog altijd dat dat ooit zal gebeuren.
Sartre had gezegd dat de mens “veroordeeld is tot vrijheid”. De existentialisten predikten persoonlijke verantwoordelijkheid, terwijl mijn zusters geloofden in sociale bewogenheid. Twee werelden die haaks op elkaar leken te staan, maar misschien waren ze dat niet. Engagement kan immers ook een schuilplaats zijn, een manier om niet te hoeven kijken naar het menselijke bestaan in zijn naakte kwetsbaarheid. Lolle Nauta schreef later dat het existentialisme juist in christelijke kringen zo populair werd omdat het de illusie bood van voortdurende keuze, zonder dat de bestaande orde werkelijk werd aangetast. Misschien had hij gelijk.
Maar terug naar mijn jeugd. Bij ons thuis stonden nauwelijks boeken. Begin jaren zestig kocht mijn vader een zogenaamd kant-en-klaar wandmeubel – “Doebiedoebiedoebie, kant en klaar!” zong de reclame. In dat meubel zat een klein boekenplankje, maar veel stond daar niet op. De Peelwerkers van Antoon Coolen, een vijfdelige Winkler Prins, wat goedkope uitgaven van Margriet, een Prisma-pocket over Augustinus de zielzorger of De leugen daalt over China – dat was het wel. Lezen deed je niet, behalve de krant. Mijn vader las elke avond De Nieuwe Dag, de Amsterdamse editie van De Tijd. Daarnaast lag de parochiekrant Sursum Corda op tafel, en de katholieke radiogids Studio. Soms hadden we een abonnement op Reader’s Digest. Een boek was een zeldzaam fenomeen.
Achteraf denk ik dat mijn liefde voor boeken juist dááruit is voortgekomen – uit het ontbreken ervan. Sartre beschreef in zijn autobiografie Les mots hoe hij opgroeide in een huis vol boeken, maar zich als kind liever verloor in stripverhalen. Hij gaf toe dat hij liever strips las dan Wittgenstein. Misschien heb ik net als hij veel tijd verloren aan lezen, tijd die beter geleefd had kunnen worden. “Je kunt niet alle boekjes lezen,” zei mijn psychiater tegen mij toen ik achttien was. Hij had gelijk. Maar hoe vind je die verloren tijd terug?
Proust gaf daarop een antwoord: de herinnering is de plek waar de verloren tijd zich verschuilt. Soms openbaart ze zich plotseling – in een geur, een klank, een silhouet in het licht – en doet ze iets oplichten wat voorheen verborgen was. Zo werkt het geheugen: als een schatkamer vol eerste indrukken, die pas later hun betekenis prijsgeven. Toch is die zoektocht naar het verleden nooit voltooid. Wat we zoeken is niet de vervulling, maar het verlangen zelf – de drang om iets terug te vinden dat juist door zijn afwezigheid blijft bestaan.
Wie probeert over zijn jeugd te schrijven, merkt al snel dat herinneringen zich niet ordelijk laten rangschikken. Ze keren terug in flarden, als Tagesresten in een droom, of als een stille rouwarbeid om wat voorbij is. Het resultaat is zelden een afgerond verhaal, eerder een reeks scherven waarin vergankelijkheid het leidmotief is. Ook ik heb ooit geprobeerd mijn jeugd te beschrijven – een onvoltooide oefening in heimwee, maar ook een poging om vrede te sluiten met de onomkeerbaarheid van de tijd.
Nostalgie idealiseert het verleden, maar de kritische geest weet beter. Toch blijven die vroege beelden dichterbij komen naarmate je ouder wordt. Bertus Aafjes vergeleek jeugdherinneringen ooit met waardepapieren in de kluizen van een bank: ze blijven daar veilig opgeborgen tot de ouderdom ze als een bankrover komt bevrijden. En dat klopt – ouder worden is terugkeren, niet vooruitgaan.
De kunst is om uit die herinneringen iets nieuws te destilleren, zoals je uit graan jenever stookt. Vestdijk noemde dat het fermenteren van herinneringen. Geen enkele herinnering is betrouwbaar; ze ondergaan allemaal een chemische omzetting. Het geheugen is een kelder vol wijnflessen: de goede worden beter, de slechte slechter. De wijn zelf wordt roder in de herinnering, de droesem zakt naar de bodem. Wat overblijft, is de essentie – iets wat sterker is dan de feiten.
Vestdijk zelf begon vroeg aan dat proces van her-schepping. Zijn eerste roman, Kind tussen vier vrouwen, werd geweigerd door de uitgever, maar het was zijn poging om het verloren verleden te herstellen. Ook hij liet zich inspireren door Proust. De vier vrouwen uit zijn jeugd – zijn moeder, twee meisjes en een dienstmeid – werden symbolen voor de vier vormen van liefde: kinderlijke, ideale, zinnelijke en lichamelijke. Misschien was dat ook mijn wereld: een jongen tussen vier vrouwen, elk onbereikbaar op haar eigen manier.
Soms droom ik nog dat ik in mijn ouderlijk huis woon. In die dromen bestaan afstanden niet: Leeuwarden en Amsterdam liggen naast elkaar, verbonden door onzichtbare bruggen van herinnering. In de hoek van de kamer staat het televisietoestel van toen – een grote kast met een klein rond scherm, merk Erres, gekocht via mijn oom in Sint Nicolaasga. Het was ons alziend oog, de moderne opvolger van het Heilig Hartbeeld dat in de andere hoek op een sokkel stond. Al hadden we geen boeken, we hadden televisie – de ‘treurbuis’, zoals Reve hem later zou noemen.
Al in 1954 hadden we dat wonder in huis. Elke avond zat het gezin eromheen. Op woensdagmiddag kwamen vriendjes kijken naar Morgen gebeurt het, met Ton Lensink als professor die contact legde met een planeet vol vijandige wezens. Een Koude-Oorlog-fantasie, maar voor mij doodeng. De Russen hadden net de Spoetnik gelanceerd, Gagarin was een held, en Chroesjtsjov beweerde dat Gagarin in de hemel was geweest en daar geen God had aangetroffen. De televisie bracht de wereld binnen, en tegelijk verdween de oude wereld uit beeld.
Ik zie nog mijn oudste zus reageren op een zangeresje dat ik leuk vond. “Laat dat kind maar eens een maand zieken verzorgen!” zei ze streng. Voor haar was muziek pas waardevol als er een morele boodschap achter zat. Bij ons thuis was sociale bewogenheid heilig – geen rock-’n-roll, maar Pax Christi en priesterarbeiders. Terwijl ik de hoelahoep ontdekte, lazen mijn zusters grote-mensenboeken. Zij geloofden in de mens, de nieuwe mens, de menswetenschap.
Eén ding wist ik zeker: ik wilde daar niets mee te maken hebben. Al die vakken over ‘de mens’ – sociologie, psychologie, andragogie – het klonk me allemaal als een vreemde tovertaal. Ik was een kleine jongen, maar ik wilde niets weten van de mens als studieobject.
Als ik nu in mijn dromen terugkeer naar dat huis, laat ik mijn vingers glijden langs het rijtje vergeelde boeken in het wandmeubel van mijn vader. Ik zet de televisie aan en wacht tot tante Hannie naar me zwaait. En dan, heel even, klinkt het weer: Toedie Froedie Ouwe Hoedie….Free at last.
