De verstening van de tijd

Er wordt wel eens gewezen op een sluimerend proces dat op mondiale schaal werkzaam is: de verstening van de tijd. Al vroeg kondigde die ontwikkeling zich aan in verschijnselen als ont-zelving, nivellering, gelijkschakeling en massificatie. De mensheid, zo luidde de diagnose, is zwanger van een nieuwe Adam. De techniek, ooit een verlengstuk van de hand, is zichzelf aan het transformeren tot een lichaam-geworden taal. Alles wat nog vloeibaar was, wordt vastgezet in data. De stroom van de tijd klontert dicht. Een nieuwe piramidentijd breekt aan: een eeuw zonder einde, zonder geest, zonder geschiedenis, zonder toekomst.

Dat zou werkelijk het einde der tijden zijn – niet in apocalyptische zin, maar als het stilvallen van de tijd zelf. Ortega y Gassets opstand der horden lijkt zich te voltrekken als een collectieve psychose die eindigt in catatonie: een eeuwige stupor van stilstand, waarin elke beweging in zichzelf terugvalt. Wat ooit een oceaan van ervaring was, versteent tot een algehele lithosfeer van bewustzijn. De wereld wordt een niemandsland, gehuld in een Egyptische duisternis.

Die gedachte liet me niet los vanmorgen. Misschien omdat ik vannacht zelf even iets van die verstening in mijn dromen heb ervaren. Ik werd wakker, maar niet echt. Het bewustzijn kwam niet op gang. Alsof de cursor vastliep, terwijl de computer nog draaide. De slaapkamer was er, het licht, de contouren, maar zelf ontbrak ik. De controlekamer in mijn hoofd was leeg. Ik zag, maar zonder te zien. Ik voelde, maar zonder centrum van waaruit het gevoel betekenis kreeg.

Het was alsof ik gevangen zat, diep in mijn ruggenwervel, ver onder de stoet van gedachten. Een droom die niet ophield, omdat het ontwaken zelf onderdeel van de droom was geworden. Was de omlijsting gaan samenvallen met de voorstelling? Was het narratief het verhaal zelf geworden? Was ik gaan leven in mijn eigen blog?

En toch was er bewustzijn — een noodaggregaat, een soort veilige modus. Ik registreerde alles met klinische precisie. Maar ik kon niets sturen. De indrukken gleden als dode vissen voorbij in een lege stroom. Ik dacht: misschien moet ik me gewoon omdraaien en opnieuw beginnen, nog even slapen, opnieuw geboren worden. Maar zelfs dat kon niet. De wil was er, maar het bevel bleef steken in de verlamde software van mijn lichaam.

Toen kwam de herinnering. Dit had ik eerder meegemaakt, lang geleden, in Amsterdam. In de tijd van wat psychiaters zo mooi de manisch-depressieve golfslag noemen: de ene week een storm van ideeën, de volgende een duistere nevel zonder uitgang. Op het breekpunt van die twee toestanden kon ik mezelf volledig verliezen, letterlijk zelfs. Dan wist ik niet meer wat ik de volgende seconde zou doen.

Ik herinner me een zondag waarop ik in paniek de tram in was gevlucht, lijn negen richting stad. Op de Plantage Middenlaan moest ik eruit. De paniek greep me bij de keel. Ik liep langs Artis, maar wist niet meer of ik terug naar huis moest of juist verder moest lopen. Ik belandde in een soort Echternach-processie: twee stappen vooruit, drie achteruit. Tot ik me vastgreep aan het grote hek van Artis. Daar stond hij: de witte dinosaurus van steen, verstard in zijn oerkreet. Een catatonisch fossiel uit een voorwereldlijke tijd.

Opeens herinnerde ik me iets van nog langer geleden. Een zondag in september, diep jaren vijftig. Mijn vader had ons meegenomen naar Artis, maar de toegang met korting bleek afgeschaft. Te duur dus. We bleven buiten, op het bankje bij het bejaardentehuis, de tas met proviand op schoot. De boterhammen op, het ijsje als troost. “Dat is ook leuk,” zei mijn vader. En het was waar. Want de wereld was toen nog jong en de verstening leek nog eeuwen ver weg.

Toen ik het hek losliet, voelde ik iets in mij verschuiven. Niet zomaar een lichamelijke ontspanning, maar een kleine, innerlijke aardverschuiving: het moment waarop de geest zich losmaakt uit haar eigen verkramping. De verstening brak, en mijn ‘ik’ – dat zo lang ergens naast mij had gestaan als een verdwaalde echo, keerde terug op zijn plek. Er kwam een kalmte die niet van mij leek, maar ouder was dan mijn denken, alsof ik even opgenomen werd in een groter ritme dat altijd al aanwezig was.

Ik liep naar huis, de witte dinosaurus achter mij latend: een fossiel uit de kindertijd van de wereld, symbool van wat stolt wanneer het leven zijn beweeglijkheid verliest. Hij bleef achter als een waarschuwend beeld, de gedachte dat alles wat leeft, vroeg of laat, de neiging heeft om tot steen te worden. Terwijl ik verder liep, wist ik dat de verstening niet onvermijdelijk was. Er was iets in beweging gekomen, bijna onmerkbaar. De tijd was weer gaan stromen 

Maar in mijn dromen heeft dat beeld me nooit meer losgelaten. Misschien was die versteende dinosaurus niet slechts een relikwie uit het verleden, maar een voorbode van wat nog komen moest. De tijd zelf lijkt tegenwoordig te verstenen — niet langer in kalk of marmer, maar in data, in code, in eindeloze opslag.

Gisteren las ik dat je tegenwoordig zelfs kunt vastleggen wat er na je dood met je digitale nalatenschap moet gebeuren. Alsof men, nog voor men sterft, alvast zijn eigen sarcofaag ontwerpt. De nieuwe piramiden worden niet meer van steen gebouwd, maar van algoritmes. En wij bewonen hun schaduw als digitale mummies, zorgvuldig bewaard in de datacentra van een tijd die zichzelf niet meer herinnert. Zoals die witte dinosaurus bij Artis, bevroren in eeuwige schrik, maar met zijn bek nog open naar de lucht. Misschien wacht hij niet op het einde, maar op een nieuw begin — een adem die weer door de versteende tijd zal waaien.