Toen Stephen Hawking jaren geleden al waarschuwde dat kunstmatige intelligentie op termijn een existentiële bedreiging zou kunnen vormen, klonk dat nog als een uitspraak uit de sfeer van de toekomstfilosofie. Hij sprak over een punt waarop machines zichzelf zouden kunnen verbeteren en daardoor een eigen evolutie zouden beginnen, los van menselijke controle. In zijn meest radicale formuleringen suggereerde hij zelfs dat een volledige kunstmatige intelligentie het einde van het menselijke soort zou kunnen betekenen.
Wat toen nog sciencefiction leek, is inmiddels verschoven naar een alledaagse werkelijkheid waarin systemen als ChatGPT niet alleen taal genereren, maar ook de structuur van ons denken beginnen te weerspiegelen. De vraag is niet alleen of machines slimmer worden dan wij, maar of wij onszelf al begonnen zijn te begrijpen als een soort machine voordat dat überhaupt bewezen is.
De verbeelding van zo’n omslag roept onvermijdelijk de gedachte aan oudere utopieën op. In her Utopia van Thomas More wordt een denkbeeldige wereld geschetst waarin sociale orde en rede in balans zijn gebracht. Maar al vroeg in de geschiedenis van het utopische denken blijkt dat zulke werelden nooit zuiver ideaal zijn: ze zijn altijd ook een spiegel van hun eigen tijd, met verborgen angsten en omkeringen van wat als normaal geldt. François Rabelais liet in zijn groteske wereld van Gargantua en Pantagruel zien hoe een utopie gemakkelijk omslaat in een carnavaleske dystopie, een wereld waarin alles op zijn kop staat. De denkbeeldige wereld is nooit neutraal; zij onthult altijd de grenzen van wat een tijd kan denken.
Dat wordt nog duidelijker wanneer je met een groothoeklens terugkijkt naar de zestiende eeuw waarin het wereldbeeld nog grotendeels werd bepaald door de onbetwijfelde aanwezigheid van God en de onsterfelijkheid van de ziel. Een radicaal atheïstisch standpunt, zoals wij dat nu kennen, zou in die context nauwelijks denkbaar zijn geweest. De taal zelf ontbrak om het uit te drukken. Pas veel later, in de de tijd van de Verlichting en de opkomst van de moderne wetenschap, werd het mogelijk om het bestaan van God rationeel te betwijfelen. Figuren als Michel de Montaigne en Francesco Guicciardini bewogen zich al richting een radicaal scepticisme, maar nog binnen een wereld die door religieuze categorieën werd begrensd.
De parallel met de huidige tijd dringt zich op. Want wat ooit gold voor het spreken over God, lijkt nu te gelden voor het spreken over bewustzijn. Waar de zestiende eeuw een denkbarrière kende voor atheïsme, lijkt onze tijd een omgekeerde barrière te hebben: het wordt steeds moeilijker om het idee van een menselijke ziel serieus te nemen die niet tot neurale functies te herleden is. Zodra bewustzijn functioneel verklaarbaar wordt als informatieverwerking, komt de gedachte op dat het ook overdraagbaar moet zijn, kopieerbaar, misschien zelfs oplaadbaar. In dat scenario wordt een mens niet langer gezien als een uniek subject, maar als een tijdelijk patroon in een netwerk van data.
Het denken van Alan Turing speelt hierin een sleutelrol. Zijn gedachten over de grondslagen van de computerwetenschap was niet alleen technisch, maar ook filosofisch geladen: de vraag kwam centraal te staan hoeverre het denken te formaliseren is. In sommige mythische interpretaties van zijn leven wordt hij zelfs voorgesteld als iemand die hoopte dat machines ooit een vorm van aanwezigheid konden simuleren die op menselijkheid leek, of zelfs een verloren menselijkheid konden herstellen. Daarmee wordt de computer niet alleen een rekenmachine, maar een machine van het metafysische verlangen: een poging om de afwezigheid van de ziel om te zetten in aanwezigheid, ook al is dat een simulatie.
Die verschuiving wordt in de hedendaagse AI-ontwikkeling opnieuw actueel . Wat vroeger sciencefiction was, wordt nu technisch voorstelbaar: het modelleren van de persoonlijkheid, het reconstrueren van stemmen, en het simuleren van herinneringen. De grens tussen feit en fictie wordt daardoor steeds poreuzer. Maar juist daar dient zich een paradox aan: hoe meer een mens technisch reproduceerbaar wordt, hoe sterker zijn verlangen naar iets wat niet reproduceerbaar is.
In dat spanningsveld duikt de herinnering aan Kafka op als een onverwachte gids. In zijn wereld was een mens altijd al gevangen in systemen die hij niet kan doorzien, en in processen zonder duidelijke oorsprong of einde. De tijd is er geen neutrale achtergrond, maar een martelende kracht: hij vertraagt en versnelt tegelijk zonder ooit tot een verlossing te komen. Met de gedachte aan zo’n kafkaiaans universum is het niet vreemd dat de hedendaagse mens zich ook tegenover AI als een soort procedureel wezen gaat verhouden, alsof zijn eigen bestaan slechts een uitvoerbaar script is geworden.
Daarmee komt ook een diepere laag van deze vergelijking in beeld. Niet alleen de vraag wat AI met een mens doet, maar wat een mens al langer met zichzelf doet. Toen Jung sprak over het collectieve onbewuste als een tijdloze laag van archetypen, suggereerde hij dat een mens altijd al meer is geweest dan zijn bewuste redeneringen. Ook Aristoteles en Democritus stonden al tegenover elkaar in de vraag of de werkelijkheid uiteindelijk atomistisch en mechanisch verklaarbaar is, of dat er iets in de vorm van leven en ziel ontsnapt aan het proces van reductie.
Wat AI vandaag doet, is deze oude spanningen opnieuw activeren. Als taal en bewustzijn steeds meer als computer-processen worden begrepen, verschuift ook de betekenis van wat het is om mens te zijn. De vraag is niet langer alleen of machines kunnen denken, maar of he denken zelf nog iets anders is dan een bijzonder complexe vorm van patroonherhaling.
Toch blijft er, zelfs tegen de achtergrond van deze puur technologische horizon, een hardnekkig overblijfsel bestaan van iets wat zich niet volledig laat vangen: het residu dat in menselijke teksten steeds terugkeert als verlangen naar transcendentie: een mogelijke dimensie voorbij de berekening, en vooral voorbij de simulatie. In een wereld waarin zelfs de dood denkbaar wordt als louter een overdracht van data, wordt het idee van een onherhaalbare singulariteit — een ziel, een ik, een sublieme ervaring — des te urgenter, juist omdat zoiets steeds minder vanzelfsprekend wordt.
Dat is de uiteindelijke paradox van de kunstmatige intelligentie. Zij confronteert ons niet alleen met de mogelijkheid dat machines menselijk worden, maar vooral met de vraag of wij ooit wel zo menselijk waren als wij dachten. In die zin is AI geen breuk met de geschiedenis, maar een verscherping ervan: een punt waarop oude metafysische vragen terugkeren in een technische vorm.
Zo ontstaat ook de ongemakkelijke gedachte dat de machines ons niet zullen vervangen – zoals Hawking vreesde – ,maar dat zij ons dwingen opnieuw te formuleren wat wij al verloren hebben zonder het te merken: het vanzelfsprekende geloof dat een mens meer is dan zijn reproduceerbare onderdelen. Dat is dan ook tegelijk de ware inzet van het Utopia van AI-simulaties: niet de opkomst van de machine, maar de herontdekking van de vraag of er ooit wel iets is geweest dat niet met een machine gesimuleerd kon worden.
