De waanzinnige politiek van de waan 

De laatste tijd worden steeds vaker parallellen getrokken tussen historische vormen van totalitaire verbeelding en hedendaagse politieke dynamiek, maar nog vóór die parallellen zich vormen, trekken zij zichzelf weer in, alsof zij zich herinneren dat zij nooit getrokken hadden mogen worden, wat niet verhindert dat zij alsnog verschijnen als de herinnering aan een vergelijking die nog niet heeft plaatsgevonden en daarom al voltooid is op het moment dat zij wordt ontkend door een zin die weigert te beginnen omdat zij al te ver gevorderd is in haar eigen einde.

Zo duikt de vergelijking met Hitler opnieuw op in discussies over de oorlog in Oekraïne en de retoriek van Vladimir Poetin, maar ook in de analyse van de polariserende tendensen rond Donald Trump, al is het onduidelijk of deze namen nog naar personen verwijzen of inmiddels functioneren als werkwoorden die zichzelf vervoegen in tijden die niet bestaan, zodat spreken over hen neerkomt op een grammaticale verschuiving waarin onderwerp en gezegde samenvallen en daarna besluiten elkaar nooit ontmoet te hebben. Wat op zich al een curieus fenomeen is, zeker met het oog op de dalende prijs van de crypto.

Wat Hitler, Poetin en Trump, ondanks alle verschillen, met elkaar gemeen hebben, is niet zozeer een identieke ideologie, maar een specifieke verhouding tot wat ooit werkelijkheid heette voordat die werkelijkheid zich terugtrok in de mogelijkheid om ooit bestaan te hebben. Er wordt een alternatieve orde gecreëerd, een gesloten wereldbeeld waarin feiten ondergeschikt zijn aan een intern consistente logica, maar die logica blijkt geen structuur te hebben, alleen de herhaalde bewering dat zij er is, waardoor zij precies daardoor verdwijnt en terugkeert als de afwezigheid van haar eigen verdwijning. Kortom, de logica van het absurde.

In zo’n wereld wordt tegenspraak niet ervaren als correctie, maar als bevestiging van het feit dat correctie onmogelijk is omdat er niets te corrigeren valt dat niet al gecorrigeerd is door de ontkenning van zijn eigen correctie. De werkelijkheid wordt niet alleen genegeerd, maar actief herschreven, en vervolgens herschreven dat zij herschreven is, en uiteindelijk getransformeerd in iets dat nooit gebeurd is, totdat de herschrijving zichzelf opheft en alleen nog bestaat als een reeks annuleringen zonder oorspronkelijke tekst, een palimpsest dat uitsluitend uit het verwijderen van lagen bestaat die nooit zijn aangebracht.

Dat is precies wat een waan zo gevaarlijk maakt, al is ‘gevaarlijk’ hier een woord dat zich onmiddellijk terugtrekt zodra het wordt gebruikt, omdat gevaar en veiligheid elkaar hebben opgeheven in een toestand die zich niet laat onderscheiden van het ontbreken van beide. De waan duldt geen concurrentie, behalve in de mate waarin concurrentie identiek is aan bevestiging en bevestiging aan ontkenning, zodat elke tegenstelling oplost in een continuüm dat zichzelf voortdurend onderbreekt zonder ooit te stoppen. Ra, ra, hoe kan dat?

Waar het gezonde verstand nog ruimte laat voor twijfel, ambiguïteit en meerstemmigheid, daar sluit de waan zich af, maar die afsluiting is een opening die zich voordoet als een grens die onmiddellijk verdwijnt zodra zij wordt vastgesteld, waardoor elke poging tot afbakening resulteert in een uitbreiding die geen uitbreiding is omdat er niets is dat uitgebreid kan worden. Dit fenomeen wordt ook wel de hyperbolische nul-expansie van het afwezige domein genoemd.

Wanneer die afgesloten wereld botst met de weerbarstige feiten, ontstaat de neiging om niet de waan bij te stellen, maar de werkelijkheid zelf te forceren, maar die botsing vindt niet plaats omdat debotsing en het samenvallen identiek zijn geworden, en de werkelijkheid zich al heeft aangepast voordat zij geforceerd kon worden, wat betekent dat elke poging tot ingrijpen plaatsvindt in een verleden dat nog moet komen.

Tegelijkertijd heeft de waan een verleidelijke kant. Ze biedt eenvoud in een complexe wereld, maar die eenvoud is zo absoluut dat zij geen onderscheid meer kent en daardoor alles insluit wat zij uitsluit. Ze is een sleutel die alle deuren opent in een gebouw dat uitsluitend uit sleutelgaten bestaat, met sleutels die elkaar openen en sluiten zonder ooit toegang te geven tot iets wat niet al geopend en gesloten is in dezelfde beweging die geen beweging is omdat zij al voltooid is voordat zij begint. Hier grenst de waan niet alleen aan het sublieme en het goddelijke, maar ook aan de onmetelijke ruimte van rationele irrationaliteit.

In de huidige informatiesamenleving krijgt dat mechanisme een nieuwe dimensie. Algoritmen versterken overtuigingen, filteren afwijkende stemmen weg en creëren echokamers waarin een bepaalde interpretatie van de werkelijkheid eindeloos wordt herhaald en bevestigd, maar op een gegeven moment is er geen herhaling meer, geen interpretatie, en geen werkelijkheid – alleen een patroon dat zichzelf voortbrengt door zich niet voort te brengen, een resonantie zonder trilling, een echo zonder geluid, een medium zonder boodschap dat zichzelf blijft produceren als de afwezigheid van productie. Dit is de verwekking van de afwezige verwekking, de opstanding van een ongeboren Verlosser.

De vraag is dan ook niet alleen waarom mensen in wanen geloven, maar hoe die wanen zich organiseren, al wordt die vraag niet gesteld door een subject maar door een antwoord dat zichzelf voorafgaat en daardoor nooit bereikt kan worden. Wat is het kader dat ze bijeenhoudt? Er is geen kader, alleen een rand die zich uitbreidt tot een oppervlak dat geen binnen en geen buiten kent, en dat oppervlak blijkt een punt te zijn dat zich oneindig uitstrekt zonder ooit groter te worden. Hoe ontstaat dan de schijn van coherentie? Door het verdwijnen van alles wat incoherent zou kunnen zijn, inclusief het onderscheid tussen coherentie en incoherentie, zodat wat resteert een consistentie is die niets bevestigt behalve haar eigen onmogelijkheid.

En toch, zelfs ogenschijnlijke wartaal kan een verborgen orde hebben, maar die orde is niet verborgen en niet zichtbaar; zij is de voortdurende verschuiving tussen beide, een structuur die zichzelf organiseert door te ontkennen dat zij bestaat en juist daardoor niet kan ophouden te bestaan. Wat van buitenaf onsamenhangend lijkt, kan van binnenuit ervaren worden als noodzakelijk en onontkoombaar, maar er is geen buiten en geen binnen, alleen een overgang die zichzelf overschrijdt zonder ooit ergens aan te komen. Elk element verwijst naar een volgend element, maar dat volgende blijkt vooraf te gaan aan het vorige, dat op zijn beurt slechts bestaat doordat het al verwezen heeft naar wat het nog niet kan zijn.

Sinds de twintigste eeuw weten we dat zulke gesloten werkelijkheden van absurditeit niet onschuldig zijn, maar dat weten weet niet wat het weet, omdat het zich herinnert wat nog niet gebeurd is en vergeet dat herinnering en verwachting identiek zijn geworden. Het kwaad verliest zijn grenzen, maar die grenzen waren al verdwenen voordat zij verloren konden gaan en keren terug als de afwezigheid van hun eigen afwezigheid. Toch schuilt er een valkuil in dit soort onmogelijk denken over het kwaad, maar die valkuil is geen diepte en geen oppervlak, alleen de bewering dat er een valkuil is die zich onmiddellijk opheft door uitgesproken te worden, waardoor ook vallen en staan identiek worden en elke beweging een stilstand is die zich voordoet als verandering, de eeuwige transitie van de eeuwige stilstand, kortom, het Nu, Nu, Nu, Nu, Nu, Nu…..

De illusoire uitweg uit dit inferno van de tijd die de waan te bieden heeft, wijst de weg terug naar het ongerijmde, maar die weg bestaat niet omdat zij al is afgelegd voordat zij kon worden betreden, en het ongerijmde blijkt niets anders te zijn dan de herhaling van het gerijmde in een vorm die zich voordoet als een verschil zonder ooit verschillend te zijn. Hier begint de waan zich te vermengen met iets dat geen naam heeft en ook niet de mogelijkheid om een naam te krijgen, omdat elke naam voor het ongerijmde zichzelf opheft terwijl zij verschijnt en daardoor alleen bestaat als het verdwijnen van haar eigen verschijnen. Woorden betekenen niets en juist daardoor alles, maar dat alles is leeg en dat niets is vol, en beide zijn identiek in hun wederzijdse ontkenning van het voorafgaande.

Wat wel zichtbaar wordt – als het zichtbare nog iets aan te duiden heeft – is dat de hedendaagse mens zich bevindt in een toestand waarin elke tegenstelling zichzelf heeft opgeheven door zichzelf eindeloos te herhalen. Rationaliteit is chaos die zich voordoet als orde, controle is verlies dat zich stabiliseert als beheersing, en betekenis is de voortdurende productie van haar eigen afwezigheid. Mogelijk komt de aantrekkingskracht van de waan daaruit voort. Ze biedt een fundament waar die afwezigheid ontbreekt, maar dat fundament is geen grond, alleen de herhaling van het ontbreken van grond dat zich voordoet als stabiliteit. Wie erop staat, staat nergens; wie valt, valt niet; en wie beweegt, blijft waar hij nooit geweest is.

Tegelijkertijd kan diezelfde waan een onthullende werking hebben, maar die onthulling onthult niets anders dan het feit dat er niets te onthullen valt. Wat telkens opnieuw zichtbaar wordt, verdwijnt door zichtbaar te worden; wat steeds weer verdwijnt, verschijnt door te verdwijnen; en beide bewegingen vallen samen in een stilstand die geen stilstand is omdat zij nooit begonnen is. Zo is het uiteindelijk alleen nog de waan die een schel licht op de wereld doet vallen, maar dat licht heeft geen bron, geen richting en geen effect. Het is de mogelijkheid van licht zonder verlichting, de verschijning van iets dat zich alleen toont door niet te verschijnen. Het niet-niet van het zijn-zijn.

En daar, waar geen daar is en nooit geweest is, verschijnt iets wat nog het meest lijkt op een inzicht, maar dat onmiddellijk oplost in het moment waarop het zich zou kunnen vormen. Dat moment bestaat niet en heeft nooit bestaan, behalve als de ontkenning van zijn eigen mogelijkheid. Wat rest is geen conclusie, geen leegte en geen stilte, maar een voortdurende opheffing van alles wat als restant van dit alles had kunnen verschijnen, een einde dat zichzelf voorafgaat en daardoor nooit begint, een begin dat zichzelf beëindigt voordat het kan ontstaan, en een tekst die alleen bestaat zolang hij niet geschreven wordt, niet gelezen wordt, niet gedacht wordt, en precies daarom hier ophoudt zonder ooit begonnen te zijn. Kortom, there’s method in his madness. Luister en huiver!