Wanneer een psychotische ervaring eenmaal heeft plaatsgevonden, laat zij zich zelden volledig integreren in de taal van de psychiatrie. De klinische blik beschrijft symptomen, definieert stoornissen en ontwikkelt technieken om de orde te herstellen. Maar voor degene die de ervaring heeft doorgemaakt, blijft er vaak iets over dat zich aan die beschrijving onttrekt. Niet alleen omdat de ervaring intens en verwarrend was, maar omdat zij een grens heeft aangeraakt waar de gebruikelijke ordening van de werkelijkheid begint te verschuiven. De vraag is dan niet alleen hoe je geneest, maar ook wat er precies wordt genezen: een defect in het systeem, of een moment waarop het bewustzijn even buiten zijn normale kaders heeft geopereerd.
Ik ben mij dat voor het eerst gaan afvragen in het voorjaar van 1966. Mijn vader lag op sterven in het Burgerziekenhuis in Amsterdam. Op een zondagmorgen in mei zat ik nog bij zijn bed in een hoge kamer waarvan de ramen openstonden. Af en toe gierde er een lege tram voorbij op weg naar het stadion. De stad maakte zich op voor een lentedag. Mijn vader was verdoofd door morfine. Ikzelf stond onder invloed van Sordinol, een anti-psychotisch middel dat mij kort daarvoor was voorgeschreven. Zo zaten we tegenover elkaar in een vreemd soort stilte. Hij kon niets meer zeggen en ik voelde nauwelijks nog iets.
Die gevoelloosheid was misschien wel het vreemdste van alles. Niets is pijnlijker dan pijn die je niet voelt. Na een tijdje vroeg ik mijn moeder of ik niet beter naar het stadion kon gaan. Ajax speelde die middag tegen Willem II. Ze vond het goed en ik ging. De wedstrijd moet door Ajax gewonnen zijn, maar ik herinner mij er weinig meer van. Wat mij wel bijbleef was het witte politiepaard dat voor mij uit liep toen ik na afloop over de Middenweg naar huis liep. Ik keek naar zijn achterwerk, naar de regelmatige beweging van zijn spieren, naar het ritme van de hoeven op het asfalt. In dat mechanische bewegen losten mijn gedachten op. Mijn hoofd was helemaal leeg.
Toen ik thuiskwam stond mijn moeder al bij de deur. Mijn vader was net overleden.
“Hij heeft niets gevoeld,” zei ze.
“Ik wist het,” antwoordde ik. Wat ik eigenlijk had willen zeggen was: “Ik ook niet.”
Achteraf bezien markeert dat moment een breuklijn in mijn leven. Niet alleen omdat mijn vader stierf, maar ook omdat ik voor het eerst de vreemde dubbelzinnigheid ervoer van een bestaan dat tegelijk wordt verzacht en vervreemd door medische ingrepen. Hij had morfine gekregen om zijn sterven draaglijk te maken. Ik kreeg antipsychotica om mijn geest tot rust te brengen na mijn opname in Heiloo. Twee verschillende vormen van pijnbestrijding, twee verschillende vormen van verdoving.
In de katholieke wereld waarin ik was opgegroeid had pijn ooit een andere betekenis gehad. Lijden hoorde bij het leven zoals de nacht bij de dag. Het werd niet alleen verdragen, maar ook geïnterpreteerd. Het was een beproeving, soms zelfs een genade. In de catechismus-boeken van vóór de oorlog werd het lijden voorgesteld als een weg naar verlossing. Wie pijn had, nam deel aan het lijden van Christus. Dat idee is in de loop van de jaren zestig bijna ongemerkt uit de cultuur verdwenen.
De medische vooruitgang speelde daarin een belangrijke rol. Pijn werd steeds meer een technisch probleem dat opgelost kon worden met medicamenten. De mens werd een organisme dat gerepareerd en gereguleerd moest worden. Dat gold niet alleen voor het lichaam, maar ook voor de geest. Psychiatrie en psychologie ontwikkelden technieken om het innerlijk leven beheersbaar te maken.
Dat streven naar beheersing is begrijpelijk. Niemand verlangt immers naar ondraaglijke pijn of naar de chaos van een psychose. Toch roept deze ontwikkeling ook vragen op. Want naarmate het bestaan beter wordt gereguleerd, kan het ook iets mechanisch krijgen. De mens wordt een systeem dat optimaal moet functioneren. Zijn emoties worden gemeten, zijn gedrag gecorrigeerd, en zijn lijden gemedicaliseerd.
Op dat punt verschijnt de figuur van de machinemens. Niet als een figuur uit de wereld van de sciencefiction, een robot van van staal en silicium, maar als een mens die steeds meer handelt volgens protocollen en procedures die buiten hemzelf zijn ontworpen. Zijn leven wordt georganiseerd door systemen die efficiëntie en voorspelbaarheid bevorderen. Hij functioneert, maar hij ervaart steeds minder waarom hij functioneert.
Tegenover die mechanisering van het bestaan hebben verschillende spirituele en esoterische stromingen in de twintigste eeuw een ander beeld van de mens geplaatst. Daarin wordt beweerd dat de de mens meestal in een soort slaaptoestand verkeert. Zijn gedachten en handelingen volgen automatische patronen die hij zelf nauwelijks doorziet. Het doel van spirituele oefening is dan ook niet om efficiënter te worden, maar om te ontwaken uit deze slaapmodus van het bewustzijn.
De kosmologische schema’s en symbolische systemen die in zulke tradities worden ontwikkeld, moeten dan ook niet in de eerste plaats als wetenschappelijke theorieën worden gelezen. Hun functie is pedagogisch. Zij proberen de mens te confronteren met de mogelijkheid dat zijn bewustzijn grotendeels mechanisch functioneert. In die zin zou men kunnen spreken van een esoterische mechanica: een poging om de verborgen mechanismen van het bewustzijn zichtbaar te maken.
Opmerkelijk genoeg vertoont die zoektocht naar verborgen samenhang een zekere gelijkenis met de structuur van een psychotische ervaring. Ook daar ontstaat vaak een overproductie van betekenis. Tekens, gebeurtenissen en toevalligheden beginnen met elkaar te resoneren. Alles lijkt met alles verbonden. Wat voor de buitenwereld chaotisch of irrationeel lijkt, kan voor degene die het meemaakt een overweldigende coherentie hebben.
Dat heb ik zelf ervaren in de maanden die voorafgingen aan mijn opname in een psychiatrische kliniek. Mijn gedachten begonnen zich toen te organiseren rond een netwerk van symbolen en verwijzingen die mij het gevoel gaven dat er een verborgen orde in de wereld bestond. Het was alsof de werkelijkheid zelf een tekst was geworden die ontcijferd moest worden.
Psychiaters spreken in zulke gevallen van een waanwereld. Dat is niet onjuist. Maar het woord “waan” zegt weinig over de innerlijke logica van zo’n ervaring. Want wat er gebeurt, is dat het bewustzijn probeert een nieuwe orde te creëren op het moment dat de oude orde uiteenvalt.
In mijn geval viel die ervaring samen met een bredere culturele verschuiving. Het katholieke universum waarin ik was opgegroeid begon juist in die jaren te verdwijnen. Priesters verlieten hun ambt, kerken liepen leeg, dogma’s verloren hun vanzelfsprekendheid. Een eeuwenoud symbolisch systeem brokkelde in korte tijd af.
Voor een adolescent kan zo’n culturele breuk een enorme impact hebben. Religie is immers niet alleen een verzameling geloofsartikelen, maar ook een structuur waarin de meest basale ervaringen van het leven worden geïnterpreteerd: geboorte, schuld, lijden, dood. Wanneer die structuur wegvalt, kan er een leegte ontstaan die moeilijk te vullen is.
Sommige psychoanalytici hebben erop gewezen dat de werkelijkheid zelf niet alleen door waarneming wordt gedragen, maar ook door wat Freud de libidineuze bezetting noemde: een investering van verlangen die onze voorstellingen aan de wereld hecht. Volgens Jacques Lacan wordt die binding bemiddeld door de taal. De symbolische orde van woorden en betekenissen houdt onze ervaring bij elkaar.
Wanneer die symbolische orde plotseling instort, kan de werkelijkheid haar vanzelfsprekendheid verliezen. De taal begint dan met zichzelf aan de haal te gaan. Nieuwe verbanden ontstaan die voor anderen onbegrijpelijk zijn. In de psychose verschijnt de taal als een autonoom mechanisme dat betekenissen produceert zonder dat iemand het nog volledig beheerst.
Vanuit dat perspectief krijgt ook een hedendaags fenomeen als kunstmatige intelligentie een nieuwe betekenis. Op het eerste gezicht lijkt zij het tegenovergestelde van een psychose. Zij werkt immers met statistiek, algoritmen en berekeningen. Toch produceert zij iets dat opmerkelijk veel lijkt op wat zowel esoterische systemen als psychotische ervaringen voortbrengen: een gevoel van verborgen samenhang.Algoritmen verbinden woorden, beelden en patronen op een schaal en met een snelheid die voorheen onmogelijk was. Teksten worden gegenereerd, muziek wordt gecomponeerd, beelden ontstaan. Het systeem produceert betekenis zonder dat er een innerlijke ervaring achter schuilgaat.
Men zou kunnen zeggen dat hier een nieuwe vorm van esoterie ontstaat, maar dan zonder mysterie. Waar de klassieke esoterie verwees naar een verborgen dimensie van de werkelijkheid, produceert kunstmatige intelligentie betekenis zonder een verborgen subject. Zij simuleert interpretatie zonder zelf te interpreteren. Wat daarbij ontbreekt, is het risico dat zowel in mystiek als in psychose aanwezig is: het risico van ontregeling. De machine kan geen waan ontwikkelen, omdat zij nooit werkelijk uit haar eigen systeem kan vallen. Elke fout wordt eenvoudig herberekend.
Toch verandert haar aanwezigheid onze verhouding tot betekenis. Wanneer systemen teksten kunnen schrijven die overtuigend klinken, wordt de vraag onvermijdelijk wat betekenis eigenlijk is. Ontstaat zij in de structuur van de taal, of in de ervaring van degene die spreekt en luistert? Het antwoord ligt mogelijk ergens tussen beide opties in. Betekenis ontstaat in het spanningsveld tussen structuur en ervaring, tussen orde en ontregeling. In een psychose implodeert dat spanningsveld binnen het individu. In esoterische tradities wordt het symbolisch opnieuw geordend. In kunstmatige intelligentie wordt dit spanningsveld technisch veruiterlijkt.
Wat deze drie domeinen met elkaar verbindt, is de vraag naar de grenzen van het bewustzijn. Hoeveel orde kan een mens verdragen, en hoeveel chaos heeft hij nodig om zichzelf te blijven vernieuwen? Wanneer de wereld volledig verklaarbaar wordt, dreigt zij haar betekenis te verliezen. Maar wanneer zij volledig onbegrijpelijk wordt, valt zij uiteen in fragmenten. Tussen die twee uitersten beweegt zich de menselijke cultuur.
De opkomst van kunstmatige intelligentie zou men daarom kunnen zien als een ingrijpende gebeurtenis op het niveau van de beschaving. Zij confronteert ons met een spiegel van ons eigen denken. Wanneer een machine zinnen kan formuleren die betekenisvol lijken, worden we gedwongen opnieuw na te denken over wat denken eigenlijk is. Maar juist in die spiegel wordt ook iets zichtbaar wat zich niet volledig laat mechaniseren. Een machine kan patronen genereren, maar zij heeft geen ervaring die om betekenis vraagt. Voor een mens is betekenis geen bijproduct van een algoritme, maar een voorwaarde om te kunnen bestaan.
Daar ligt ook de les die ik uit mijn eigen geschiedenis heb getrokken. De medische wetenschap heeft mij mogelijk behoed voor een levenslang verblijf in een psychiatrische kliniek. Daar ben ik dankbaar voor. En toch blijft de vraag knagen wat er precies genezen is: een defect, of een poging van het bewustzijn om een nieuwe samenhang te vinden in een wereld die haar oude fundamenten had verloren.
Er zijn nog altijd dagen dat ik terugdenk aan die zondagmiddag in 1966, toen mijn vader stierf terwijl ik in het stadion zat en daarna naar het achterwerk van een politiepaard keek. Het ritme van zijn hoeven klonk als een perfect mechanisme. Daarin was geen plaats voor verdriet, geen plaats ook voor betekenis. Alleen beweging, regelmaat, functie. Absurd, maar dat was ook alles wat ik ervoer die middag.
Mogelijk begint ons bewustzijn op het punt waar die absurde regelmaat wordt onderbroken. Waar een ervaring onmogelijk in een systeem valt in te passen. Waar pijn, verlies of psychische ontregeling een vraag oproept die geen enkel algoritme ooit zal kunnen beantwoorden. Op zo’n moment ontstaat juist de intense behoefte aan het ervaren van een betekenis, en misschien ook de mogelijkheid om haar te creëren, al was het maar om de pijn van het verlies voor even te kunnen voelen. Het stille afscheid van de pijn – een ontwikkeling die geen weldenkend mens zou willen betreuren – heeft mij destijds die mogelijkheid ontnomen.
