De onmogelijkheid van een ordening

’s Middags, ik werkte niet, ik studeerde niet, ik deed niets wat meetelde in de statistieken van vooruitgang, productiviteit of morele deugd. Ik zat in de huiskamer, die inmiddels niet langer een kamer was maar een computerruimte. Het licht van mijn telefoon viel op de muur als een tweede zon. De kat lag ergens, maar ik wist niet meer of hij er echt was of slechts een herinnering die zichzelf herhaalde. Langzaam, bijna beleefd, begonnen alle dingen betekenis te krijgen. Niet één betekenis, maar meerdere tegelijk. Te veel betekenissen. Elk object in de kamer leek mij aan te kijken alsof het iets van mij wilde: verantwoording, aandacht, een verklaring, een like.

De stoel waarop ik zat was niet zomaar een stoel: hij was een samenvatting van de geschiedenis van design, kolonialisme, ergonomie en goedkope arbeid in Bangladesh. De tafel droeg sporen van eerdere dagen, kruimels die verwezen naar brood, brood naar tarwe, tarwe naar Oekraïne, Oekraïne naar tanks, tanks naar olie, olie naar klimaat, klimaat naar schuld. Zelfs de stof op de vensterbank had een opinie. Buiten de kamer was er te veel gebeurd. Binnen de kamer gebeurde het allemaal tegelijk opnieuw, maar dan versneld, samengeperst, algoritmisch herschikt.

Ik wilde rust. Ik wilde alleen nog maar functioneren op het niveau van een goed onderhouden zoogdier: eten, uitscheiden, slapen, de kattenbak verschonen. Alles zonder zin. Zonder narratief. Zonder context en vooral zonder duiding. Maar de wereld stond dat niet meer toe. Zelfs mijn leegte werd geïnterpreteerd. Nietsdoen bleek een standpunt. Maar dat niet alleen, nietsdoen was voor mij het nulpunt geworden van alle ervaring

Deze unieke ervaring, zo herinner ik mij, herkende ik toen ik jaren geleden Nicolaas Matsier las. Oud-Zuid. Eind jaren zeventig. Een tijd waarin betekenis nog schaars was en juist daardoor kostbaar. Matsier beschreef een bestaan waarin nutteloosheid niet werd bestreden maar onderzocht, bijna gekoesterd. Waar nietsdoen een vorm van aandacht was. Dat niets zich langzaam verdichtte tot iets wat niet hoefde te worden uitgelegd.

In een van zijn verhalen werkt de hoofdpersoon in een antiquariaat. Hij probeert boeken te ordenen. Telkens wanneer hij een categorie verzint – filosofie, literatuur, geschiedenis – breekt de werkelijkheid hem uit handen. Elk boek weigert zijn plek. Elk boek hoort óók ergens anders. Elk boek is een voetnoot bij een ander boek. Elke plank roept om een nieuwe plank. Het systeem implodeert onder zijn eigen redelijkheid.

Ik herkende dat. Niet alleen in mijn boekenkast, maar in alles. Jarenlang heb ik geprobeerd orde aan te brengen: in mijn boeken, mijn ideeën, mijn herinneringen en mijn overtuigingen. Maar elk systeem bleek tijdelijk. Elk schema rammelde. Elk overzicht riep onmiddellijk uitzonderingen op. Er zijn boeken die tegelijk filosofisch, autobiografisch, paranoïde en profetisch zijn. Er zijn ideeën die nergens bij passen, behalve precies daar waar je ze niet wilt hebben.

Inmiddels is dit probleem niet langer beperkt tot boekenkasten. Het is het probleem van onze tijd. De wereld zelf is een antiquariaat geworden zonder catalogus. Feiten liggen naast ficties. Opinies naast data. Oorlogen naast memes. Wetenschap naast wantrouwen. Alles staat op dezelfde plank: “content”. Matsiers personage neigt er uiteindelijk toe te stoppen met verklaringen zoeken. Hij laat de dwang los om de wereld te begrijpen. En juist dan, op dat moment van capitulatie, wordt alles intens. Elk detail licht op. Elke handeling wordt geladen. Opstaan. Water koken. Een raam openen. Het beschrijven wordt belangrijker dan het verklaren.

Dat lijkt onschuldig. Maar vandaag is die houding gevaarlijk geworden. Want wie niet interpreteert, wordt geïnterpreteerd. Wie niet duidt, wordt geduid. Wie alleen beschrijft, wordt ingehaald door systemen die beschrijven sneller doen dan jij, nauwkeuriger, zonder twijfel, zonder vermoeidheid.

Ik dacht aan Zen en de kunst van het motoronderhoud. Aan de kaartenbak. Aan duizenden losse gedachten die pas later een verhaal werden. Een redacteur bracht orde aan in die chaos. Vandaag zou een algoritme dat doen. Het zou patronen herkennen die de schrijver zelf nooit bedoeld heeft. Het zou de psychose van Pirsig niet alleen beschrijven, maar voorspellen, optimaliseren, monetariseren.

En toen herinnerde ik mij Hans Freudenthal. De wiskundige die zijn leven wilde ordenen. Zijn huis opruimde om zijn geheugen te kalmeren. Zijn herinneringen ervoer als een openstaande vogelkooi. Vandaag zou hij een harde schijf hebben. Of erger: een cloud. Zijn herinneringen zouden niet meer wegvliegen, maar blijven hangen, eeuwig opvraagbaar, eeuwig herschikbaar, en niet te vergeten: eeuwig beschikbaar voor analyse.

Freudenthal ontdekte dat toeval structuur kon hebben. Dat wanorde een andere orde verborg. Maar wat gebeurt er wanneer toeval zelf wordt geautomatiseerd? Wanneer serendipiteit een functie wordt? Wanneer je niet langer onverwacht iets vindt, maar exact datgene wat je profiel voorspelt? ‘Wie vond ooit door te zoeken,’ schreef Slauerhoff. Maar vandaag zoekt niemand meer. Men wordt gevonden. Door advertenties. Door radicalisering. Maar vooral door de echo’s van zichzelf.

De ontdekking van de twintigste eeuw – dat orde niet voorafgaat aan ervaring maar eruit voortkomt – is in de eenentwintigste eeuw gekanteld in haar tegendeel. De orde is ons vóór. De patronen liggen al klaar. Wij volgen onze eigen voetsporen, maar het sneeuwveld is synthetisch. Toeval bestaat nog slechts als decoratief effect. Als verhaal achteraf. Als excuus.

Ik heb ooit een Kennedy-munt gezien die ongeluk zou brengen. Ik heb ooit rampspoed zien samenklonteren. Vandaag noemen we dat geen serialiteit meer, maar een “cluster van gebeurtenissen”. Of erger: een “trend”. De machine kent geen bijgeloof, alleen correlatie. De paranormaal begaafde Uri Geller buigt geen lepels meer. De lepels buigen zichzelf, onder druk van verwachtingen, data en spanningen. Daarom is je terugtrekken uit deze mallotige toestand geen neutraliteit meer, maar een keuze met fatele gevolgen. Zelfs nietsdoen wordt verdacht. Non fare niente all’inferno.

En toch. Toch blijven er momenten. Onverklaarbare ontmoetingen. Boeken die zich aandienen. Gedachten die op hun plaats vallen zonder reden. Alsof de werkelijkheid zelf nog een restje autonomie bewaart. Een kras. Een barst. Ordenen is inderdaad een illusie geworden. Chaos is niet de vijand, maar de grondtoon van onze tijd. Betekenis is niet iets wat we ontdekken, maar iets wat ons overkomt, soms gewelddadig, soms genadig. De Tweede Hoofdwet van de thermodynamica zegt dat de entropie toeneemt. Maar niemand had ons verteld dat betekenis dat ook doet. Dat ook zin explodeert, zich vermenigvuldigt, oncontroleerbaar wordt. Dat de echte dreiging niet leegte is, maar overdaad aan betekenis.

Dat is de situatie waarin we ons in toenemende mate bevinden: niet het einde van de orde, maar het einde van de stilte. En in die permanente ruis proberen wij nog één ding te doen wat niet geoptimaliseerd is: zitten. Jawel! Niets doen. Helemaal niets ! Alles op zijn beloop laten. De kat verzorgen. Slapen. Alles zonder zin. Voor zolang het nog kan.