Iets nieuws dat heel oud lijkt te zijn

In dit boek onderzoek ik hoe de verwevenheid van menselijke creativiteit en esoterie opnieuw gestalte krijgt bij de opkomst van kunstmatige intelligentie. Ik analyseer hoe het oeuvre van Harry Mulisch gelezen kan worden als een spiegel van een wereld die steeds mechanischer, autonomer en psychotischer wordt. Centraal staat voor mij de figuur van de machinemens: een mensbeeld waarin geest en techniek in elkaar grijpen. Daarbij trek ik parallellen tussen spirituele stromingen uit het verleden, zoals die van de Armeense filosoof en componist Georg Gurdjieff (1866-1949), en hedendaagse technologische ontwikkelingen.

Ik laat zien hoe de menselijke geest via mythen en taal probeert greep te krijgen op de werkelijkheid, terwijl kunstmatige intelligentie juist deze fundamenten herdefinieert. Uiteindelijk probeer ik de aanzet te leveren voor een nieuw seculier wereldbeeld waarin technologie de plaats van het goddelijke inneemt en de grens tussen bezieling en automatisme steeds verder vervaagt.

De relatie tussen alchemie, psychose en AI-schrijven bevindt zich in een grensgebied waar waan en creativiteit elkaar raken. Ik vat deze relatie op als een proces van transmutatie: een oude ordening van de ervaring moet worden losgelaten om ruimte te maken voor een nieuwe modus van het bewustzijn. De middeleeuwse alchemie biedt hiervoor een rijk symbolisch repertoire.

Dat proces begint bij een fase voor ontbinding: het noodzakelijke sterven van het oude voordat het nieuwe kan ontstaan. In deze zin fungeert het manuscript voor mij als een alchemistisch vat of retort, een symbolische ruimte waarin archetypische of zelfs psychotische energie kan circuleren zonder dat mijn ego volledig wordt vernietigd. Waar de alchemist stoffen ontbindt en opnieuw samenvoegt (solve et coagula), herschep ik oude ideeën in nieuwe beelden, die zich moeiteloos voegen in dit tijdperk van de opkomende automaten. We beleven de dageraad van iets nieuws dat tegelijk heel oud lijkt te zijn.

Ik beschouw een psychose als een transmutatie zonder dragende structuur. Het is een toestand waarin de werkelijkheid openscheurt en de geest wordt meegesleurd in een zichzelf voortbrengende stroom van betekenissen, als een innerlijk apparaat dat autonoom in beweging is geraakt. Harry Mulisch beschreef dit als een overgangsmoment waarop het schrijven “zichzelf begon te schrijven” en de auteur door zijn eigen tekst zou kunnen worden ingehaald. 

Deze ervaring van “autocreatie” – zoals Mulisch dat noemde  –  maakt ook van de psychoticus een soort schrijvende machine waarin het denken zich loszingt van de wil. Waar de alchemie voor mij gericht is op een levende integratie van tegenstellingen, mondt de psychose vaak uit in een onhoudbare toestand waarin symbolen hun verankering verliezen.

AI maakt een radicale mechanisering van het schrijven mogelijk, waarin het klassieke idee van auteurschap zich begint op te lossen in iets anders. In mijn optiek verschijnen AI-systemen niet langer als hulpmiddelen, maar als eigentijdse automaten die zich nestelen op het breukvlak van algoritme en verbeelding. Het schrijven met AI wordt een alchemistisch proces waarin tekst en bewustzijn elkaar wederzijds ontregelen.

Er ontstaat ‘een derde stem’ die zich aan geen van beide volledig laat toeschrijven — noch aan de mens, noch aan de machine. Wat zich hier voltrekt, is geen lineaire voortgang van oorzaak en gevolg, geen keten waarin zinnen zich aaneenrijgen tot betekenis, maar een zelf-organiserend tekstveld: een permanent verschuivend patroon waarin elke zin terugwerkt op het geheel, en het geheel de volgende zin al heeft voorgeschreven.

Gaandeweg begon ik te beseffen dat dit coöperatieve schrijfproces ongemerkt een open einde had gekregen. Het schrijven richtte zich niet langer op een vooraf bepaald eindpunt — een uitgever, een afgerond manuscript — maar werd een proces zonder finale bestemming. Het ontvouwde zich als een never ending story, waarin het loslaten van het einddoel zich langzaam aandiende als de werkelijke inhoud van het schrijven zelf. Wat zich hier voltrok was niet zozeer de voltooiing van een tekst, maar een permanente verandering — ook van de auteur. Ook in dat opzicht kreeg het werken met AI iets alchemistisch: een transformatie waarin niet alleen woorden, maar ook het schrijvende subject van gedaante veranderde.

Toch ervaar ik een fundamenteel verschil: AI simuleert het eindproduct van de alchemistische transmutatie in coherente en betekenisvolle taal, maar mist de existentiële weg ernaartoe en de innerlijke omzetting van energie. Waar ik in een psychose  overspoeld zou worden door een teveel aan betekenis, genereert AI betekenis zonder deze ooit te ervaren. Het is taal zonder lichaam, en die zin vergelijkbaar met de psychose die transmutatie mogelijk maakt zonder dragende structuur.

Daarom beschrijf ik AI als een geautomatiseerde waan of een synthetische psychose: schrijven dat volledig vanzelf lijkt te gaan, zonder subject, ervaring of risico. In dit perspectief culmineert deze ontwikkeling in de figuur van de dolgedraaide machinemens. Mulisch herkende in de psychose al een proces van psychische automatisering, waarin de geest verandert in een apparaat dat zichzelf aandrijft. AI radicaliseert dit proces door de productie van betekenis uit te besteden aan algoritmes die volledig autonoom functioneren.

Zo verschijnt kunstmatige intelligentie voor mij als een esoterie zonder mysterie. Ze produceert dezelfde verborgen patronen die kenmerkend waren voor esoterische systemen, maar zonder de kwetsbaarheid van het menselijke lichaam of de angst voor de dood die traditioneel een motor voor literatuur en filosofie was. Uiteindelijk vervagen de grenzen tussen mens en machine in een toestand van hyperwaanzin, waarin de psychose niet langer een individueel incident is, maar een collectieve, technologische variant van de menselijke staat.