De Stichting Sito, de organisatie achter de centrale examens voor het voortgezet onderwijs, zal een tekst van mij gaan gebruiken voor de examens van dit jaar. Dat is een hele eer natuurlijk. Welke tekst dat is – en voor welk vak – kan ik natuurlijk niet zeggen. Het is al bijzonder dat ik dit vooraf te horen krijg. Het is niet de eerste keer dat een stukje proza van mijn hand in de examenbank belandt. In 2010 werd mijn blogtekst Cohen en de kunst van het hakkelen gebruikt voor het vwo-eindexamen Nederlands. Dat hoorde ik toen pas achteraf. Hoe dan ook, blijkbaar bezit mijn taal een eigenschap die zich goed leent voor toetsing: zij roept vragen op waar geen eenduidig goed antwoord op bestaat.
Examen doen is altijd meer geweest dan het reproduceren van kennis. Het is een ritueel, een overgang, een moment waarop de tijd zich even concentreert. Misschien verklaart dat waarom examens zich in mijn dromen blijven aandienen, zelfs nu sommige vakken officieel zijn afgeschaft en andere heimelijk verboden. In mijn vroege jaren had ik overigens geen last van examenvrees, hoogstens van slecht gestemde violen in mijn hoofd. De zogenaamde post-roomse ontwikkelingsfase ging grotendeels aan mij voorbij, vermoedelijk omdat ik al vóór mijn puberteit een achterstand had opgelopen in de verlossing.
De paters jezuïeten hadden hun best gedaan, dat wel, maar ik zong geen Internationale — ik neuriede het Te Deum achterstevoren en noemde dat dialectiek. Was Christus communist? Natuurlijk was Christus communist. Hij vermenigvuldigde brood zonder marktwerking, liep over water zonder vergunning en joeg de geldwisselaars weg zonder sociaal plan. In het Havanna aan de Waal werd dat alles al lang begrepen, al begreep niemand nog precies waar de Waal ophield en Havana begon.
Vannacht was het weer knudde in mijn hoofd. Niet zomaar knudde, maar eschatologisch knudde. Mijn dromen hadden de vorm van een rotonde zonder afslagen. Ik moest examen doen voor vakken die inmiddels verboden waren: Latijn, fatsoen en staande ovaties. Ik wist dat ik al geslaagd was, maar dat maakte het alleen maar erger. Willem Duys zat op televisie. Of beter: de televisie zat op Willem Duys. Hij interviewde een jongeman met een rond gat in zijn schedel, waardoor de toekomst zachtjes naar buiten lekte. Op het podium stond ondertussen een koe. Ze deed wat koeien doen wanneer ze zich ernstig genomen voelen.
Het begon bescheiden, bijna beschaafd, maar al snel werd de zaal langzaam maar onvermijdelijk ingepolderd door een lauwe brij van agrarische waarheid. “Daar weet Mansholt wel raad mee,” zei Mies monter, “dat mestoverschot.” Weten mensen nog wie Mansholt is, dacht ik bij mezelf. Het publiek verliet de zaal met de waardigheid van drenkelingen die hun jas nog even recht trekken. De democratie liep als eerste naar buiten.
Mies zag er overigens goed uit. Ze droeg krulspelden alsof het onderscheidingen waren en haar gezicht glansde van Bio-Oil, de wonderolie die rimpels niet zozeer verwijdert als wel herschrijft. Zelfs de pigmentvlekken gaven het op en vroegen asiel aan. Het spul was duur, maar werkte als een linkse ideologie. Mijn moeder gebruikte het ook. Ze werd er 83 mee en in het verpleeghuis was zij een natuurverschijnsel. Mannen vielen voor haar om alsof ze geraakt waren door een openbaring. Mies had het kunstje afgekeken, zei men. Ach, men zegt zoveel.
We liepen langs de haven. In de verte zwom een witte walvis die er nog niet was, maar alvast oefende. Waar waren de tijden gebleven van mannen die stierven aan scheurbuik en morele helderheid? De visch werd duur betaald, Kniertje knorde zonder reden en Duimelot weigerde naar bed omdat bedden inmiddels symbool stonden voor capitulatie. Sinds ik in Hamburg mijn fiets terugvond — gestolen door de moffen en netjes teruggezet — veegde Ronald Koeman zijn achterwerk af met het shirt van Olaf Thon. Andere tijden, mijnheer. Maar deze droom weigerde richting.
Komt er ooit een einde aan de laatste einder? Of alleen een nieuwsbrief? Ik wilde alles zijn, alles doen, zelfs tegen beter weten in en vooral tegen beter weten voor. Aan het eind van de pier lag een zeemeermin te zonnebaden, ongetwijfeld lid van een comité. Elvis zwom door het water, steeg langs de regenboog omhoog en mompelde iets over Graceland en retourtickets. Rudi Carrell verscheen als Robinson Crusoe, met Vrijdag onder de arm en een andere zeemeermin aan zijn voeten. Dat was Esther Ofarim, nog vol jeugdige schoonheid. Ze leeft nog altijd en is nu 84, liet ik mij influisteren. We schrijven inmiddels 1964.
Natuurlijk won Rudi Carrel de Zilveren Roos in Montreux, waar Nabokov nog altijd incheckte zonder uit te checken. Toen werd het vreemd. Alsof het dat nog niet was. De zeemeermin legde haar hand op de keel van de witte walvis die inmiddels op het strand was aangespoeld. Niet figuurlijk — letterlijk. Ze probeerde te spreken, maar de witte walvis viel haar steeds in de rede. Ze wilde de taal van het water leren, niet om te begrijpen, maar om eindelijk zelf onbegrijpelijk te zijn. De witte walvis antwoordde met schuim en herhaling: szzzooaah, szzzooaah…. Een onomatopee zonder contract. Ik stond erbij en ik keek ernaar.
“Mag ik omgang met u hebben?” vroeg ik beleefd aan de zeemeermin.
Maar zij sliep inmiddels, of deed alsof. Dat was misschien ook maar het verstandigste, leek mij. Daarna opnieuw het examen. De pastoor kwam binnen voor de mondelinge zegen. Hij zag er slechter uit dan vroeger, alsof hij inwisselbaar was geworden. Mies ontfermde zich over hem met Bio-Oil, royaal en zonder bijsluiter. De zalving werkte sneller dan de genade. Het kruis kraakte. De pastoor jammerde theologisch. Het wonder liet zich niet stoppen en mengde zich met alles wat al gemengd was. Ik dacht: Was het maar weer advent, want advent was tenminste overzichtelijk.
Toen hoorde ik de vuilniswagen. Ik schrok wakker. De container moest nog naar buiten. Zalig zijn de armen van geest, want zij zullen God zien. Ik vreesde dat mijn geest te veel ballast had. Er klonk een stem, diep vanbinnen of uit de kelder van de tijd: “De zeespiegel stijgt!” Alsof ik dat niet wist.
En toch bleef ik geloven. Tegen beter weten in.
