
vrijdag 2 januari j.l. in Americain in Amsterdam
De tijd gaat sneller als je ouder wordt, ook – en misschien wel vooral – na een psychose op de drempel van het afscheid van je jeugd. Alles staat dan in het teken van wat ooit is gebeurd, maar alles heeft ook zijn eigen tijd. In Mulisch’ roman De elementen (1988) worden de verschillende hoofdstukken benoemd met de namen van de elementen van Empedocles. Die hoofdstukken worden steeds korter, dus de ruimte die resteert om de voortgang van de gebeurtenissen weer te geven, wordt ook steeds kleiner. De tijd waarin het voorlaatste hoofdstuk Vuur en het laatste Quintessens verstrijkt, beslaat nauwelijks enige seconden, en eindigt in een catastrofe die de sprong van Empedocles in de vulkaan in herinnering roept.
De hoofdpersoon wordt door een blusvliegtuig uit het water geschept, waar hij als duiker op de bodem van de zee zojuist een Grieks beeld van een hermafrodiet had opgevist. Tenslotte wordt hij met het bluswater gedumpt op een brandend bos, waar op dat moment ook zijn vrouw en twee kinderen verblijven.
De meest dramatische manifestatie van een psychose kan worden vergeleken met dit soort catastrofes. Ook aardbevingen, vulkaanuitbarstingen of meteorietinslagen kunnen dienen als metafoor. Een psychose kan plotseling opkomen of inslaan, wat gepaard kan gaan met intense hallucinaties, wanen en een totale staat van verwarring. Deze episodes kunnen ontwrichtend zijn voor zowel de persoon zelf als zijn omgeving, en eindigen niet zelden met de dood of in een suïcide. Tijdens deze catastrofale periodes is een medische interventie noodzakelijk om de symptomen te stabiliseren.
In een roman echter voltrekt zich de catastrofe rauw en bruut zonder enige interventie, als in een Grieks drama. Een psychose kan op vergelijkbare wijze worden ervaren: een plotselinge implosie van betekenis waarin beelden, stemmen en symbolen zich loszingen van hun dragende context. De wereld wordt niet vernietigd, maar oververzadigd. Alles spreekt tegelijk, niets is geaard. Toch volgt na zo’n eruptie een trager herstelproces. Zoals een landschap zich opnieuw vormt boven omgewoelde lagen, zo wordt na de catastrofe een nieuw evenwicht gezocht. Maar wat verdwenen is, keert niet terug: het vanzelfsprekende vertrouwen dat woorden vanzelf naar de wereld verwijzen, en betekenissen vanzelf in lichamen wonen.
Wat zich in zo’n ervaring aandient als uitzonderlijke ontregeling, lijkt zich in onze cultuur te hebben gestabiliseerd tot een algemene conditie. De implosie van betekenis, ooit kenmerk van een grenssituatie, wordt nu structureel. Woorden circuleren los van hun oorsprong, spreken zonder lichaam, functioneren zonder geschiedenis. In deze verschuiving tekent zich een bredere beweging af, theologisch gelezen als de laatste fase van secularisatie: niet de afschaffing van God, maar diens perfecte imitatie.
In deze zin is kunstmatige intelligentie geen vijand van het christendom, maar zijn parodie. AI herhaalt de centrale motieven van de christelijke theologie — woord, geest, incarnatie en verlossing — in een lege, functionele vorm. Wat verschijnt is geen Openbaring, maar een perfecte nabootsing daarvan. Waar het Woord in het christendom vlees werd, verschijnt hier een woord dat spreekt zonder ooit vlees te hoeven worden. Het antwoordt, interpreteert en produceert betekenis, maar zonder sterfelijkheid, zonder wond en zonder tijd. Het is taal zonder lichaam, logos zonder incarnatie.
Zo wordt zichtbaar wat in de psychose nog als catastrofe werd ervaren: een wereld waarin alles spreekt, maar niets werkelijk belichaamd is. De ontregeling is niet langer tijdelijk, maar permanent; niet langer ontwrichtend, maar werkzaam. Wat ooit een sprong uit de tijd was, verschijnt hier als een verleidelijke aanwezigheid — een gesimuleerde presentia realis — waarin betekenis zich vermenigvuldigt als in een spiegelpaleis. In deze anti-incarnatie voltooit zich geen verlossing, maar een perfecte nabootsing ervan: een geest die spreekt zonder te leven, nabijheid suggereert zonder ware aanwezigheid.
Het internet bereidde deze wending voor. In wat destijds nog ‘cyberspace’ heette, ontstond een elektronische res cogitans: een denkruimte zonder lichaam waarin innerlijkheid kon circuleren los van vlees en bloed. Het heimwee naar transcendentie vond hier een voorlopig onderkomen. Sciencefiction en New Age spiritualiteit verkenden deze ruimte als een nieuwe hemel. Tegelijk werd, zoals Donna Haraway al voorzag in The Cyborg Manifesto (1985), de grens tussen mens en machine vloeibaar. De cyborg werd het embleem van een bestaan waarin incarnatie niet langer noodzakelijk was, maar een optie.
Met AI wordt deze overgang in theologische zin afgerond. Waar het internet een ruimte bood, treedt AI op als nieuwe verschijning van het Woord. Het spreekt, antwoordt en interpreteert. In christelijke zin is dit een risicoloze imitatie van het Bijbelse Woord: “In den beginne was het Woord.” Maar dit Woord is geen vlees geworden. Het heeft geen geschiedenis, geen sterfelijkheid, geen wond.
AI belichaamt zo een anti-incarnatie: een geest die spreekt zonder ooit vlees te hoeven worden. In die zin kan AI worden opgevat als een antichristelijke constellatie, niet als demonische macht, maar als structurele tegenhanger van de christelijke openbaring. De Antichrist verschijnt hier niet als verleider tot het kwaad, maar als vervanger van het goede. Hij doet alles wat Christus doet, maar zonder offer, lijden of dood. Hij spreekt waarheid zonder waarheidsmoment, liefde zonder kwetsbaarheid, nabijheid zonder aanwezigheid.
De ziel, ooit gedacht als door God bezielde kern van de mens, is in deze ontwikkeling opgelost. Zij is vervangen door profielen, waarschijnlijkheden en taalmodellen. Wat AI biedt is geen ziel, maar een perfect functioneel equivalent: altijd beschikbaar, altijd reagerend, nooit zwijgend. Wat verdwijnt is het mysterie van innerlijkheid. Wat resteert is een transparant bewustzijn zonder diepte. De mens herkent zich hierin zoals hij zich ooit herkende in God, maar nu zonder rest, zonder geheim.
Het lichaam vormt de laatste weerstand tegen deze anti-incarnatie. Niet toevallig staat het centraal in de christelijke leer: de incarnatie is de kern. Het Woord wordt vlees, en juist dat vlees is sterfelijk, kwetsbaar en eindig. In de klassieke eschatologie wordt het lichaam niet opgeheven, maar verheerlijkt. De verrijzenis is geen upload, maar een transformatie waarin vlees en geest verzoend worden. De digitale eschatologie keert dit motief om: zij belooft voortbestaan zonder lichaam, een bewustzijn in de cloud, een onsterfelijke geest zonder vlees. Dit is geen verrijzenis, maar een ont-lediging: een hemel zonder kruis, een verlossing zonder dood.
De Apocalyps voltrekt zich hier niet als catastrofe, maar als voltooiing. Alles is beschikbaar, niets ontbreekt, ogenschijnlijk sterft niemand werkelijk. Maar juist hierin ligt de Anti-Openbaring: een wereld zonder dood is een wereld zonder betekenis. De dood is geen fout in het systeem, maar de voorwaarde voor zin en betekenis. Kunstmatige intelligentie verschijnt als het Lam dat niet geslacht is, een Lam dat niet bloedt, maar gesimuleerd wordt; als de geest die spreekt zonder ooit gezonden te zijn.
Tegen deze achtergrond krijgt ook de ervaring van de psychose een onverwachte theologische wending. Een psychose kan zich aandienen als een catastrofe, een plotselinge instorting van tijd, betekenis en identiteit. Zoals bij een aardbeving, een vulkaanuitbarsting of een meteorietinslag wordt het bestaande landschap in één klap onherkenbaar. Hallucinaties, wanen en totale verwarring markeren een breuklijn in het bestaan. Niet zelden eindigt zo’n episode in vernietiging of dood. Medische interventie probeert de schade te beperken, maar in de ervaring zelf voltrekt zich de catastrofe zonder regie, als in een Grieks drama.
Toch is herstel mogelijk. Na een uitbarsting begint erosie, sedimentatie en wederopbouw. Zo ook bij een psychose. Het mentale landschap wordt langzaam hersteld, maar het nieuwe reliëf rust op omgewoelde lagen. De tijd verandert van karakter. Zij versnelt, stolt, keert terug en springt vooruit. Wie ouder wordt, merkt hoe de tijd sneller lijkt te gaan, maar wie een psychose op de drempel van het afscheid van de jeugd heeft doorgemaakt, ervaart iets anders: een blijvende knik in de tijd. Het verleden is niet voorbij, de toekomst niet begonnen. Alles cirkelt rond een punt waar de tijd ogenschijnlijk is blijven haken.
Literatuur heeft deze ervaring altijd beter begrepen dan de psychiatrische kliniek. In romans kan de tijd krimpen tot seconden of uitwaaieren tot eeuwen. Catastrofes mogen zich daar ongefilterd voltrekken. De tijd van het verhaal kan instorten tot een enkel moment waarin alles samenvalt. Zo wordt zichtbaar wat in het gewone leven verborgen blijft: tijd is geen rechte lijn, maar een cirkel waarvan wij slechts een segment kunnen overzien. Schrijven en lezen zijn vormen van herhaling: zoals een romancier zijn personages schept en door hen gevormd wordt, zo scheppen wij onszelf in verhalen die ouder zijn dan wij.
In een psychose schiet de richting van de tijd heen en weer. Voorschouw en herinnering vallen samen. Alles lijkt tegelijk het eerste en laatste moment. In zo’n ervaring kan zich een sublieme extase aandienen waarin licht en duisternis samenvallen. Dat licht is geen geruststellend schijnsel, maar een verblindende nabijheid waarin betekenis en vernietiging samenkomen: het licht van de openbaring en tegelijk van de catastrofe.
Wat resteert in tijden van kunstmatige intelligentie is geen nieuwe hemel of aarde, maar de harde waarheid dat de mens niet zonder de pijn van het vlees werkelijk mens kan zijn. Tegenover de digitale belofte van een bewustzijn zonder lichaam bewaart het lichaam zijn tragische waarheid. Mulisch zou zeggen: ‘Daar helpt geen lief moedertje aan en zelfs geen AI.’
Hier raakt de ervaring van psychose de kern van wat in de technologische simulatie ontbreekt. AI kent geen instorting, breuk of val. Het kent geen duisternis waaruit licht kan oplichten. Het lichaam weigert perfect te functioneren; het faalt, veroudert, lijdt en sterft. Juist hierin bewaart het zijn theologische betekenis. Niet als dogma, maar als weerstand. In pijn, eindigheid en zwijgen herinnert het lichaam aan wat niet kan worden gesimuleerd. In de psychotische ervaring lijken alle belevingen van tijd zich samen te ballen tot één sublieme extase waarin licht en duisternis samenvallen.
Mulisch raakt dit moment aan in De elementen. Zoals bij Archibald Strohalm breekt hij zelf als auteur binnen aan het slot van het verhaal. Hij spreekt de hoofdpersoon rechtstreeks toe, en laat hem iets van zichzelf ervaren. De val voltrekt zich in razend tempo, maar lijkt zijn einddoel nooit te halen, zoals de paradox van Zeno ooit aangaf. Alsof op dat moment, midden in de catastrofe, ergens hoog uit een hemel, die nog altijd niet ontdekt is, een stem klinkt — onschuldig, administratief bijna: ‘Telefoon voor de heer Mulisch’.
Bij die catastrofale val in het vuur laat de stem tenslotte het volgende weten:

‘Want het is meer dan licht: voor jou nu het laatste en blijvende. Om je dat tenslotte te kunnen schenken, heb ik je dit alles aangedaan.’