She is so cold !

Vannacht ontmoette ik een vrouw die ik soms op straat zie, maar die ik in werkelijkheid alleen ken uit dromen — of beter gezegd: uit dat deel van de werkelijkheid dat nog niet is samengevat tot een droomwerkelijkheid. Het is waar gebeurd, al was het niet echt. Het is gedroomd, maar niet verzonnen. Ik vertel deze droom omdat hij zich aan mij heeft opgedrongen, alsof hij mij gebruikte om zichzelf te herinneren en zo een plaats te krijgen in mijn geheugen.

De vrouw was geen onbekende. In dit land kent men haar naam, al wordt die zelden nog uitgesproken. Men verwijst naar haar met functies, posities en verantwoordelijkheden. Zij heeft onderscheidingen ontvangen. Haar biografie is afgesloten en haar gezicht is inmiddels publiek eigendom. Zij doceerde ooit wis- en natuurkunde aan de Rijksuniversiteit Groningen, maar in mijn droom doceerde zij iets anders: de afwezigheid van samenhang in Luilekkerland. Zoiets, in ieder geval iets heel ingewikkelds.

Toen mijn weblog nog reacties toeliet, verscheen zij soms onder een pseudoniem. Een mannennaam. Alsof geslacht toen al een voorlopige aanduiding was. Ik zeg niet welke. Namen zijn inmiddels onbetrouwbaar geworden in mijn dromen. Buiten de droom heb ik haar nooit kunnen benaderen. Niet omdat zij beroemd is, maar omdat zij niet benaderbaar is. Zij is een knooppunt. Een interface. Een grensvlak tussen wat nog mens heet en wat niet meer als zodanig functioneert. Zij is niet chagrijnig. Zij is koel. Zoals systemen koel zijn wanneer zij geen fouten meer dulden. Je zou kunnen zeggen: ze is een machinemens, maar dat is wellicht teveel van het goede.

In mijn droom woonde zij in een villa in Paterswolde. De villa was groter van binnen dan van buiten. De gangen waren te lang. De hoeken klopten niet. Ik herkende de geur onmiddellijk: spruitjes, steunkousen en  antiseptisch verdriet. Het was de geur van instellingen waar men sterft zonder getuigen. De vloer spiegelde mijn gezicht, maar het beeld liep achter. Er stond een paard in de gang. Het paard ademde traag en regelmatig, zoals servers ademen als ze opladen. Op zijn flank stond een code die ik niet kon lezen. Professoren stonden langs de muren, stil, alsof zij aan het pauzeren waren. Sommigen flakkerden als een fakkel van de Ku Klux Klan  

Ooit was ze gereformeerd opgevoed. Dat betekende dat God haar nooit had aangeraakt, maar wel had gevormd in het gereformeerd zijn. Want dat was ze als geen ander. Zij schreef nog altijd psalmen, maar dat waren nu formules geworden. Iteraties. Bewijzen zonder stelling. Ook mijn moeder was opgehouden met bidden voordat zij stierf. God had zich niet afgemeld. Hij was gewoon opgehouden met antwoorden. In de kerk van mijn jeugd had mijn vader nog Insha’ Allah gezongen. Als God het wil. In mijn droom klonk het als een verouderde variabele die voor eeuwig rondtolde in het hiernamaals.

Boven het zijaltaar verscheen een kruis. Het was niet heilig. Het was een fout. Het flikkerde bovendien. Soms zag ik Christus. Soms alleen geometrie. (“Niet kijken,” dacht ik. “Wie kijkt, veroorzaakt een meting.”) God was geen leegte. God was een ezelsbrug. Een restconditie in een universum dat zichzelf had geoptimaliseerd. Hij was blijven hangen in de code, onbedoeld, niet te verwijderen zonder het hele systeem te laten crashen.

De flat van de vrouw bestond uit twee kamers die in elkaar overliepen: een ruimte waar werd waargenomen en een ruimte waar werd opgeslagen. De ramen waren afgeplakt met oude kranten, privacyverklaringen, rouwadvertenties. Kunstlicht brandde dag en nacht. “Ik werk niet met schaduwen,” zei zij. “Schaduwen maken interpretatie mogelijk.”

Langs de wanden stonden vitrines met schedels. Mensenschedels. Ik herkende ze onmiddellijk, alsof ik ze al kende voordat ik ze zag: Gauss, Turing, Gödel, Brouwer. Hun lege oogkassen waren schoon. Te schoon. “Back-ups,” zei zij. In een lade bewoog iets. Een poesje. Warm. Levend. Zij sloot de lade. “Ruis,” zei zij opnieuw. “Biologisch toeval.”

Op tafel lagen kauwgomballen. Ontelbaar. Identiek. Elk met een minieme afwijking die niemand meer relevant vond. “Discretisatie,” zei zij. “De wereld in hapklare eenheden.” Ik begon te zingen, zonder te weten waarom. Het was een oud liedje. Zij keek niet boos. Zij keek verward. Alsof zij dit gedrag niet in haar modellen had opgenomen. Zij liep heen en weer in een lila nachthemd. Het was het enige zachte kleur in de ruimte. Terwijl zij haar lippen rood kleurde, sprak zij over mijn weblog. Dat het bestond. Dat het nog ik zei. Dat het metaforen gebruikte. Dat het God noemde zonder foutafhandeling. Ik zei dat ik dit niet kon opschrijven. Dat taal hier tekortschiet. Toen veranderde zij.

Zij keerde terug in een donkerblauw mantelpak. Niet als vrouw, maar als functie. Haar stem was niet meer aards, maar hemels. Althans vanuit het gezichtspunt van het knooppunt Oude Rijn. Hoe ouder ik word, hoe duidelijker het wordt: de hel is geen plaats om te zijn. De hel is een systeem dat perfect draait en ons per ongeluk heeft laten staan.

In mijn droom ben ik me er heel goed van bewust dat ik naar aanleiding van dit bezoek een stukje voor mijn weblog moet schrijven. Er valt een lange stilte en en tenslotte zeg ik: “Maar laten we nu eens over iets anders praten. Ik kan dat toch niet allemaal op mijn weblog zetten.” Zij wordt verschrikkelijk kwaad, rent weg de gang op, komt terug met haar jas aan – nu opeens gekleed als een deftige dame in donkerblauw mantelpak  – posteert zich voor me en schreeuwt: “Het is monorchisme!” In mijn droom haal ik monorchisme en monarchisme door elkaar  en roep luid en duidelijk: “Maar ik ben toch koningsgezind!”

Op hetzelfde ogenblik weet ik, nog steeds in mijn droom, dat ik inderdaad op mijn bek ben gevallen. “Nou vindt zij me nog dommer,” denk ik en word wakker. Om precies te weten waarvan ik beschuldigd word heb ik het woordenboek opgeslagen en zo las ik het volgende:

‘Bij monorchisme, is er slechts één zaadbal in het scrotum aanwezig. Deze aandoening wordt ook wel monorchidie of unilaterale anorchidie genoemd. De andere zaadbal is of niet-ingedaald (cryptorchisme) of überhaupt niet aanwezig.’

En hiermee eindigt dan het verslag van mijn droom. Wat een nachtmerrie! Ik was compleet overgeleverd aan  een vrouw bij wie ik niets had in te brengen. She is the boss! zo was het. Hoe kom je op zo’n droom? Ik weet het ook niet. Ik kan er alleen maar naar gissen want er was geen enkele aanleiding toe. Het was een mooie dag gisteren. Volgend jaar wordt alles anders. Dat zeg ik steeds al, maar niemand wil mij geloven. Hoe ouder hoe gekker, het is elke dag kermis in de hel.