Vannacht had ik een ingewikkelde droom. De beelden volgden elkaar op zonder begin of einde, als de aanhef van een film waarvan de montage ontregeld is geraakt. Scènes liepen door elkaar, gezichten vervaagden, stemmen spraken zonder mond. Dromen is misschien niets anders dan strandjutten langs de rand van het bewustzijn — telkens spoelt er iets aan, maar wat je vindt, herken je niet terug. In mijn droom was het eb. De vloedlijn lag overvol met aangespoelde resten waarvan de herkomst onduidelijk was.
Opeens klom ik een berg op, zwaar bepakt, zoals altijd. De lucht werd dunner, de stenen gladder, de horizon scherper. Na uren bereikte ik een hut, een schuilplaats tegen de kou. Aan de deur verscheen een oud vrouwtje dat op mijn moeder leek, maar ze was het niet. Of misschien was ze het wél, en herkende ik haar gezicht niet. Ze sprak zacht en zei: “Je moet de last afleggen.”Haar gezicht veranderde voortdurend — soms jong, soms oud, soms vreemd en tegelijk vertrouwd. Ik kon haar trekken niet vasthouden. Ik wist: dit is geen droom over mijn moeder, dit is een droom over het niet meer herkennen van gezichten. Prosopagnosie heet dat, zo las ik gisteren in de krant. In mijn droom was het gezichtsblindheid. Niet van het oog, maar van de ziel.
Ik liet mijn bepakking achter. De klim werd lichter. Ik bereikte de top, en zag beneden een wereld die in zichzelf verdwaald was. Steden zonder naam, vlaggen zonder betekenis, gezichten zonder gezicht. Aan de horizon stonden twee figuren, groot als bergen. Hun contouren leken op die van Poetin en Trump — maar hun gezichten vloeiden in elkaar over, als was boven een kaarsvlam. Hun monden spraken om beurten, alsof één geest twee lichamen in bezit had genomen. Ze spraken over law and order, over macht, over het herstellen van een verloren grootheid. Maar in hun ogen zag ik niets — geen herkenning, geen ziel, slechts het vacuüm van een leeg masker.
Ik dacht; wat is er in godsnaam aan de hand? Niet dat we blind zijn geworden, maar het lijkt er toch echt op of we collectief het vermogen hebben verloren om gezichten te herkennen. We zien elkaars trekken, maar niet meer de ziel die er achter schuil gaat. . Een collectieve vorm van prosopagnosie. De mensheid herkent haar eigen gezicht niet meer.
Plotseling stond achter mij een psychiater met een pruik op. Hij las een rapport voor over mij, op een toon van een autopsie. “De patiënt,” zei hij, “vertoont tekenen van een pathologische neiging tot dwalen. Hij ziet verbanden waar geen verbanden zijn, gezichten waar slechts schaduwen zijn. Hij interpreteert wereldleiders als symbolen van een innerlijke breuk.” Ik wilde hem antwoorden dat de waan misschien het laatste instrument van herkenning is — dat in de droom soms meer waarheid schuilt dan in het NOS-journaal. Maar hij hoorde me niet. Hij schreef iets bij in de marge: projectieve identificatie met de wereldgeschiedenis.
Hoe zit het met die gezichtsherkenning, dacht ik nog bij mijzelf. Dat moet het manco zijn van deze tijd: een beschaving met prosopagnosie. We herkennen de gezichten van onze leiders niet meer, maar zij herkennen ons evenmin. De mensheid is in haar eigen spiegel verdwenen — en wat terugkijkt, is een algoritme van begeerte. Trump, Poetin, de talloze plaatsbekleders van de macht — het zijn niet meer dan de archetypen van dit verlies. Ze zijn het gevolg van een collectief vergeten van het gelaat als morele categorie.Zonder het gezicht verliest de wereld haar schaamte, en zonder schaamte begint de waanzin aan haar onstuitbare opmars.
Uiteindelijk sliep ik opnieuw in en dwaalde verder langs het strand. Ik mijmerde over de aard van het dwalen. Het lot bepaalt alles, zo dacht ik, zelfs het grillige verloop van mijn gedachten. En hoe je het ook wendt of keert, mijn besluit stond vast. De dood werd mijn noodlot. Ik was voorbestemd voor de dood die zich in elk moment aandiende in zijn gruwelijke gedaante. De dood was een dolende ridder die dwaalde langs het strand, zonder doel en zonder herkomst.
Zelfs de tijd op zichzelf was zwanger van de dood. Leven is sterven, zo dacht ik. In ieder ogenblik herhaalt zich het levensdrama. De bliksem sloeg telkens weer in, en het wachten was nog slechts op de voorwereldlijke donder die oprijst uit de oergrond: boem, Boem, BOEM…. een lange roffel van oorverdovende donderslagen die aan dit alles een einde zou maken. Het graf gaapt en de tijd zoemt….
Dan verandert het decor. Ik ben in een gebouw dat me bekend voor komt. Ik was ik daar al de hele tijd trouwens, ook toen ik naar boven klom. Nog kort geleden was ik ernstig ziek. Ik voel me nog wat zwak en wil naar huis, maar ik kan niet. Alle deuren zitten op slot. In de ruimte ernaast klinkt opeens rumoer. Er is ruzie uitgebroken. Er wordt gescholden en er vallen zelfs rake klappen. Ik kijk uit het raam en zie op het voorplein een soort schuur die leegstaat. Je kunt er door de kieren naar binnen kijken. Er is daar al jaren niemand geweest, zo lijkt het. De ruzie in het naburige vertrek loopt volledig uit de hand. Er vallen schoten. Ik hoor geschreeuw. God bewaar me, de dood is een afgezwaaide kogel…
En weer zag ik – zoals zo vaak in mijn dromen – aan het voeteneind van mijn bed een vuurtoren staan. Ik schreeuwde het hele huis bij elkaar. Mijn oude moeder kwam de slaapkamer binnen en deed het licht aan. Ze had krulspelden in en onder haar duster zag ik haar rubbercorset. Ze sprak me geruststellend toe en zei dat ik me veel te druk maak de laatste tijd. Ik moet wat meer op mijn innerlijk licht vertrouwen, zei ze: ‘Keer terug naar de kust!’ Heel ongerust, dat daar mijn jeugd voorbijging… zette ik het op een schreeuwen.
‘Maar er staat een vuurtoren in de kamer!’ riep ik. Mijn moeder keek om haar heen en zag niets. ‘Waar dan?’ vroeg ze. ‘Daar!’ riep ik. ‘Daar bij het raam !’ Maar mijn moeder liet me zien dat er geen vuurtoren was. En toch, toen ze het licht weer uit deed en de kamer uitging, stond hij er weer met zijn ronddraaiend licht in de nacht. – swish, swish – Het deed me denken aan een gedicht van Vasalis uit haar bundel De oude kustlijn
Wat een droom, niet? Ik weet niet wat Freud ervan gedacht zou hebben. Voor de surrealisten was de vuurtoren het symbool van het onbewuste verlangen — het licht dat uit de duisternis breekt, maar zelf nooit bereikt kan worden. Misschien is dat het: de angst voor het verlangen zelf. Het verlangen dat nooit vervuld kan worden, maar toch blijft branden, tegen beter weten in. Ik verlang wellicht naar iets wat niet werkelijk kan bestaan — iets dat alleen in de verte leeft, als een flakkerend teken aan de rand van de nacht. Wie weet is dat waar ik bang voor ben: niet het gemis, maar de kracht van mijn eigen verlangen.
Uiteindelijk sliep ik weer in en droomde van de zee. Ik liep alleen op een pier aan een haven en hoorde het de geluiden van golven die zich mengden met de klaaglijke roep van een misthoorn. Maar ook het geluid van de vuurtoren hoorde ik, dezelfde vuurtoren die ver van deze pier in mijn eigen slaapkamer te horen was
