Corona en de actualiteit van Candide

Slide2

Voltaire schreef zijn Candide na de aardbeving in Lissabon in 1755. Deze ramp was een grote schok voor het optimisme van het Verlichtingsdenken. Leibniz had beweerd dat deze wereld de beste van alle mogelijke werelden zou zijn. God had het gewoon niet beter kunnen doen gezien de beperkingen die de natuurwetten hem nu eenmaal hadden opgelegd. Daarmee dacht hij op puur rationele wijze een rechtvaardiging te hebben gevonden voor het kwaad in de wereld. God kon gewoon niet beter, omdat de natuur hem dit niet toe liet. Zo werd op rationele wijze niet alleen een rechtvaardiging van God geleverd (als hij al bestaat), maar vooral ook van het kwaad (ook als God niet bestaat).

Het existentiële probleem van het kwaad is in essentie terug te vinden in het verhaal van Job in het Oude Testament. Hoe kan God almachtig zijn en tegelijk verantwoordelijk voor het kwaad in de wereld? Er zijn drie mogelijkheden, die niet tegelijk waar kunnen zijn. (1) God is almachtig en de oorzaak van alles wat er in de wereld gebeurt. (2) God is goed en rechtvaardig en zorgt ervoor dat het de goeden wèl gaat en de slechten gestraft worden. (3) Job is een goed man.

Deze theodicee van de Bijbel werd in de tijd van de Verlichting dus verplaatst naar het domein van het verstand. Totdat Lissabon van de aardbodem werd weggevaagd. Dat was een brug te ver. De theodicee van de Bijbel klopte niet meer, maar die van het rationalisme ook niet. Candide reisde de hele wereld rond en verbaasde zich over het klungelig karakter van Gods schepping, om over de daden van de mens maar te zwijgen. Uiteindelijk trok hij zich terug in zijn tuin. If faut cultiver notre jardin.

Heel actueel dus in deze tijden van corona. Maar los daarvan, je zou ook kunnen zeggen, dat deze zin een stoïcijnse levenshouding verraadt. Elke verklaring of rechtvaardiging van deze wereld stuit op een anomalie. Als er een God bestaat, dan is hij niet vrij te pleiten voor deze warboel. Het heeft dus geen zin om zo verder te denken. Candide liet zien dat de rechtvaardiging van God in het christendom sleets begon te raken. Dat is een historisch moment. Daarna is het er niet beter op geworden. Rampen, oorlogen en pandemieën overspoelden de aarde en de vooruitgang van de techniek kon dat allemaal niet verhinderen. Integendeel, het werd nog erger. De Eerste Wereldoorlog bracht het fenomeen massavernietiging met het gifgas aan de Marne en. Spaanse griep veldezz’n veertig miljoen doden. Karl Barth probeerde er nog wat aan te doen door een ongenaakbare God te creëren die niet te vatten is voor de mens.

Daarna kwam de Tweede Wereldoorlog met zijn gaskamers en Holocaust. Wonderlijk genoeg heeft geen enkele theoloog zich daarna nog aan een nieuwe theodicee gewaagd. Het drama van de Holocaust gaf aanleiding tot een andere visie op de mens. Men nam zijn toevlucht tot de antropologie, de sociologie, de psychiatrie, het existentialisme om een het ondenkbare kwaad nog een plaats te geven voor het bevattingsvermogen. Ook de stoïcijnse levenshouding schoot erbij in. Na 1945 is er geen nieuwe Candide opgestaan. Er was niemand die riep: ‘il faut cultiver notre jardin.’

Zelfs als God geheel uit de wereld is verdwenen, blijft het probleem van het kwaad bestaan. Met de dood van God kwam het aloude vraagstuk van de theodicee – de rechtvaardiging van het kwaad – in een nieuwe gedaante aan het licht. De religie kan geen beelden en rituelen meer leveren om het kwaad een plaats te geven in de collectieve beleving van de menigte. De duivel is op de vlucht. Hij vraagt om asiel in een de verweesde samenleving die geen plaats meer voor hem heeft, laat staan een ritueel kan bieden om hem te bezweren.

In zijn boek Het kwaad (1998) stelt de filosoof Safranski dat de hedendaagse kunst het aloude vraagstuk van de theodicee opnieuw, maar in andere woorden moet stellen: ‘Hoe is kunst mogelijk met al het  kwaad in de wereld?’ De kunstenaar dient met zijn eigen middelen en methoden het kwaad te onderzoeken, te peilen en te bezweren, zoals de middeleeuwse mens zijn zondige geest uitzuiverde door de voortdurende zelfkritiek van het geweten. De wond van de cultuur moet in de kunst opnieuw aan het licht worden gebracht. Zou de kunstenaar hij zich tot dit onderzoek beperken dan was hij filosoof, maar hij kan tevens de consequenties laten zien die dit onderzoek heeft voor de alledaagse waarnemingen en ervaringen, en dat maakt hem kunstenaar.

Kortom, de kunst mag ons dan nauwelijks nog schoonheid bieden, maar wellicht nog enige troost. Dat is mooi gezegd, maar is dit ook een theodicee? En dan heb ik nog niet eens over de vraag of de troost die de kunst kan bieden een substituut kan zijn voor een religie zoals het christendom die de mens in ieder geval behoedt voor hoogmoed. Anders gezegd: is er nog toekomst voor de troost, als de religie verdwenen is?

En dan, wat de theodicee betreft: zou de wetenschap ooit kunnen bewijzen dat de wereld, waar we in leven, de beste van alle mogelijke werelden is?’ De hedendaagse kosmologie leert dat er meerdere werelden (universa) mogelijk zijn geweest, waarbij in het midden wordt gelaten of bij het ontstaan van dit universum ook ‘betere’ werelden (universa) mogelijk waren, een wereld zonder het kwaad bijvoorbeeld.

Nu is ‘het kwaad’ een categorie die in de natuur zelf niet voorkomt. Toch zou het denkbaar zijn dat er een universum was ontstaan (c.q door God bedacht of geschapen), waarin het allemaal wat vredelievender of vriendelijker toe zou gaan. Waarom ontstond er geen wereld zonder catastrofes, stervende sterren, botsende planeten, inslaande meteorieten, uitstervende diersoorten en voortwoekerende kankergezwellen die een mens een ondraaglijk lijden kunnen bezorgen? Was er ook een wereld denkbaar geweest zonder de mogelijkheid van een Nero, Hitler, Saddam Hussein, Bin Laden of Mladic?

Dat is natuurlijk geen vraag waar een  natuurkundige wakker van ligt. De natuur is amoreel. Sterker nog, er gebeuren de meest verschrikkelijke dingen alsof dat allemaal heel gewoon is.  Vanuit de natuur geredeneerd is ook corona heel gewoon. Dat wil zeggen: zeer kwaadaardig.

De bioloog Stephen Jay Gould heeft eens een verhaal geschreven over de sluipwespen, de zogeheten ‘ichneumon‘. Het is niet één bepaald dier, maar een familie van enkele honderden soorten, waar ook Darwin over geschreven heeft. Sluipwespen hebben de gruwelijke gewoonte om een rups eerst totaal te verlammen 
en vervolgens hun eitjes in het levende vlees van de rups te leggen, zodat er voldoende voorraad proviand is voor het hun jonge nageslacht. Als de larven van de sluipwesp 
uitkomen eten zij de levende rups van binnen uit langzaam op. Hoe bedenk je zoiets?

Gould verwijst ook naar een andere horror-story van Darwin, die op plastische wijze beschrijft hoe een krekel wreed wordt opgevreten door een larve: ‘Men kan zien dat de krekel, diep gestoken, tevergeefs zijn voelsprie
ten beweegt, zijn lege kaken opent en sluit, en zelfs een poot beweegt, maar de larve is veilig en doorzoekt straffeloos zijn vitale delen. Wat een afschuwelijke nachtmerrie voor de verlamde krekel! ‘ Tja, zo is de natuur. Is het niet wonderbaar? Kom, we gaan er op uit! We hebben de geiten wollen sokken al aan, Jo met de banjo en Mien met de bandolien!

1001004006540789

Je kunt de natuur dus moeilijk als een ethische basis nemen voor het menselijk handelen. Het omgekeerde is ook lastig. Je zou kunnen beweren dat de moraal van de mens een natuurlijke intuïtie is waarmee hij zich verzet tegen de wrede natuur. De moraal zou dan een soort humaan correctiemechanisme zijn op de onverschillige evolutie die maar zijn gang gaat en de meest verschrikkelijke dingen laat gebeuren. Maar kun je dit soort uiteenlopende zaken zomaar met elkaar verbinden? In zijn boek God en Darwin (1999) pleit Gould om voortaan te spreken over twee magisteria die elkaar niet overlappen. Dat is de wet van NOMA, dat wil zeggen: Niet Overlappende MAgisteria.

Het ene is het magisterium van de natuurwetenschap, het andere dat van de religie en de moraal. Het valt me op, dat veel wetenschappers klakkeloos uitgaan van het reductionistische paradigma als fundament van ons wereldbeeld. Maar de wetenschap heeft volgens Gould een eigen en beperkt magisterium, d.w.z.: een eigen terrein, waar een eigen leergezag geldt. Het idee dat er sprake zou zijn van twee elkaar niet overlappende magisteria wordt door veel wetenschappers niet in acht genomen of bij voorbaat als onwetenschappelijk terzijde geschoven.

De evolutieleer van Darwin wordt dan als bewijs gezien voor de onmogelijkheid van een Schepper, laat staan van een goede God. Alles draait vanzelf in de natuur, op goed geluk, en bovendien vaak op een gruwelijke manier. Sterker nog, de evolutieleer is het prototype voor de meest verschrikkelijke theorieën: de rassenleer, de eugenetica, het antisemitisme, het fascisme en het nationaal-socialisme. De natuur leert ons het recht van de sterkste, of op zijn minst het recht van van de meest geschikte: the survival of the fittest.

Maar ook Darwin ging volgens Gould uit van NOMA: twee gescheiden magisteria dus, hoewel dat vaak verkeerd is begrepen. Sinds Darwin zou het idee van een God op zijn retour zijn. Nog altijd wordt Darwin door veel atheïsten beschouwd als degene die heeft aangetoond dat de evolutietheorie niet met de christelijke religie te rijmen valt. Dat is een groot misverstand, volgens Gould. Ook het omgekeerde is niet waar, als zou het christendom de evolutietheorie altijd hebben ontkend. Paus Pius XII was in zijn encycliek Humani generis (1950) weliswaar niet erg enthousiast voor het basisidee van de evolutie, maar als hypothese kon het ermee door, als de goddelijke inplanting van de ziel maar intact bleef.

Paus Johannes Paulus II daarentegen heeft in 1996 ruiterlijk erkend, dat de bewijzen voor de evolutieleer eigenlijk niet te weerleggen zijn. Ook bij deze pauselijke redenering werd uitgegaan van NOMA. Volgens Gould is het de grondgedachte van NOMA dat de natuur is wat zij is. De natuur kan per 
definitie geen antwoord geven op religieuze vragen over God en moraal. De natuur is voor de mens als een koud bad. Maar liever een koud bad dan een verstikkende warme omhelzing, aldus Gould. Het is niet de taak van de wetenschap om de basis van de moraal in de natuur te zoeken. Dat is de taak van alle mensen, maar de wetenschap kan ons daarbij niet helpen.

Er zijn redenen te bedenken waarom de mens toch een moreel wezen is, terwijl te natuur niet het goede voorbeeld geeft. Ten eerste een praktische reden. Anders zouden we elkaar uitmoorden en dat gebeurt al vaak genoeg in de wereld. Bovendien biedt de moraal een win-win-situatie. Als je een ander niet aandoet, wat je ook niet wilt dat een ander jou aandoet, dan heb je daar beiden baat bij.

Gould neigt ertoe om alles wat de natuur oplevert te beschouwen als voortgekomen uit wetten met een 
vooropgezette bedoeling, waarbij de details in de uitwerking –  goed of slecht – worden 
overgelaten aan de werking van wat wij ‘toeval’ mogen noemen. De natuur conformeert zich niet aan onze wensen van warmte en behaaglijkheid, maar ook niet aan het andere uiterste: de natuur is niet één en al kommer en kwel.

Al met al kun je concluderen dat God – als Hij bestaat – het ook anders had kunnen doen, toen Hij de wereld schiep. Er waren meerdere mogelijkheden die binnen de beperkingen van de natuurwetten voorhanden waren. Sterker nog, er lag een hele set van natuurwetten klaar. Niet oneindig veel, maar een beperkt aantal. Het had dus ook anders gekund. Misschien minder wreed. Misschien zelfs zonder alles wat wij als ‘het kwaad’ aanduiden. Een betere wereld dan deze was wellicht mogelijk geweest, zo lijkt het.

Het kan natuurlijk ook zo zijn, dat het allemaal nog veel erger had gekund. Misschien zijn er parallelle universa, waar wij geen weet van hebben, werelden die een waar inferno zijn en die zelfs door Dante met geen pen te beschrijven zouden zijn. Maar zeker weten doen we ook dat niet. Er is in ieder geval geen aanleiding om te veronderstellen dat dit de best mogelijke van alle mogelijke werelden is.

Daarmee is – lijkt mij – de theodicee voorgoed van Leibniz van tafel. Dat besef dringt ons eens temeer door in deze tijden van corona. Het zijn zware tijden die ons uitnodigen om het boek Candide nog maar eens te herlezen. Voltaire had gelijk, we kunnen niet bewijzen dat dit de beste van alle mogelijke werelden is. De wetenschap kan geen nieuwe rechtvaardiging leveren voor de almachtige God – als Hij al bestaat – die God die de wereld schiep waarin wij leven. Er is geen excuus voor God voor de rotzooi die Hij heeft achtergelaten. Misschien staat God op het punt om voorgoed uit de wereld te verdwijnen of heeft Hij zich al uit de wereld teruggetrokken. Misschien vindt God zelf achteraf ook wel, dat het beter had gekund. ‘Dit is niks. Ik kap ermee.’

Kop op God! Je kunt toch opnieuw beginnen. Moedig voorwaarts!

1 Reactie »

  1. Jos Heitmann

    27 april 2020 op 02:10

    Een goeie grap van Voltaire was een clericus te vragen of God goed is? Ja, oneindig goed, was het steevaste antwoord. En Lissabon dan? Geen antwoord.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)