Weg met de vrije expressie!

Al jaren erger ik mij aan scholen waar alle ramen zijn volgeplakt met de creatieve uitingen van kinderen en kleuters. Alles wat het kind al prutsend en kliederend met verf en klei tevoorschijn tovert wordt al decennialang als een godswonder aan de goegemeente getoond. Alsof we trots moeten zijn op die ongecontroleerde braaksels van het kinderlijke creatieve vermogen, waarbij het infantiele driftleven op geen enkele wijze aan banden is gelegd. Na de oorlog is het tekenonderwijs in Nederland ten prooi gevallen aan een hardnekkig misverstand. Het kind werd heilig verklaard. De kinderziel was opeens een tabula rasa, een onbeschreven blad, het toppunt van zuiverheid, dat in zijn spontane uitingen geen strobreed in de weg moest worden gelegd. Vrije ontplooiing van creativiteit werd gepropageerd door didactische onderlegde hemelbestormers met geitenwollen sokken aan. Die zweverige malloten hebben elk besef van vorm en esthetisch vermogen om zeep geholpen. De naoorlogse revolutie in het tekenonderwijs is misschien wel de grootste ramp die mijn generatie is overkomen .

Ik heb me de laatste tijd wat verdiept in ideeënwereld waar deze ramp uit voort is gekomen. Zo vond ik een boek over de geschiedenis van ‘De Werkschuit’. Dat was een boot in de Amsterdamse Amstel, waar vanaf 1950 nieuwe ideeën over creativiteitsontwikkeling en kunstzinnige vorming werden uitgedragen. Ik kan me dat als kind nog wel herinneren. Ik heb daar zelf nooit les gehad, maar de juf die in de tijd, dat ik de lagere school bezocht (1954 -1960), ‘handenarbeid’ gaf, was zelf docente op De Werkschuit, dus die wist van de hoed en de rand. Zo werd ik al vroeg ingewijd in de geheimen van ‘fingerpainting’, ‘sjabloneren’, het kleien en werken met wasco, plakkaat- en waterverf. Passer en liniaal werden in de ban gedaan. Ook natekenen was uit den boze. Alles moest uit het hoofd en uit het hart. Vrije expressie heette dat. En wat je er ook van bakte, alles was even prachtig en werd breeduit tentoongesteld op ouderavonden en open dagen.

Dergelijke nieuwe opvattingen over de creativiteit van het kind kwamen na de oorlog niet zomaar uit de lucht vallen. Ze gaan terug op de idealen van de Duitse Reformpedagogiek en de New Education Fellowship, een van oorsprong Engelse Reformbeweging. Beide bewegingen gingen uit van een sterk geïdealiseerd beeld van het kind als zuiver, puur, oprecht en eerlijk. Dat soort opvattingen hadden in die beginjaren van de wederopbouw de wind mee. Ze werden ondersteund door de kunstenaars van Cobra (Appel met zijn ‘ik rotzooi maar wat aan’) en vonden bijval van allerlei pedagogen en psychologen. Ook Wim Sandberg heeft er alles aan gedaan om dit gedachtegoed te verbreiden tot in de verste uithoeken van het land. Het paste in een sfeer van grenzeloos optimisme die soms het aanzien kreeg van een ware vernieuwingspsychose. De Werkschuit had in feite een laboratoriumfunctie in het ontwikkelen van nieuw creatieve werkvormen. Het succes was verbijsterend. Twintig jaar later zat heel Nederland te kliederen met verf.

Later kwamen immers de creativiteitscentra en de instellingen voor kunstzinnige vorming. Heel het land raakte in de greep van een netwerk van eerste en tweedelijns consulenten die elkaar gingen bijscholen in de geheimen van de expressie van het kind, die ook voor de volwassenen heel heilzaam konden zijn. ‘Als gij niet wordt als kinderen, zult ge niet volwassen worden’, zo luidde het verborgen credo van mijn generatie. Dat het bijzonder moeilijk was om toevallig geklieder van expressieve kwaliteit te onderscheiden mocht de pret niet drukken. Er ontstond een ware esthetische theorie van de kinderlijke creatie. Zo zou er zelfs sprake zijn van een mysterieuze breuk in de ontwikkeling van het kind. Tijdens de vroege puberteit is het immers plotseling gedaan met de pure onbevangenheid van de creatieve uiting.

Het kind raakt dan verstrikt in rationele en doelgerichte denkprocessen en de vrije uiting van de emotie raakt dan opeens geblokkeerd. Door heel wat ‘Werkschuit-goeroes’ van het eerste uur werd deze ‘creativiteits-breuk’ gezien als het ultieme bewijs van de stelling, dat onze kapitalistische maatschappij tot in de wortels verrot is. Het kind raakt zijn zuiverheid kwijt niet ondanks, maar juist dankzij het onderwijs. Vrije expressie nam een voorschot op de bevrijde en klasseloze samenleving. Het zijn dit soort tragische misvattingen, die bij een hele generatie niet alleen tot een esthetische normvervaging en tragische driftontremming heeft geleid, maar uiteindelijk ook het hele kunstvakonderwijs naar de sodemieter heeft geholpen. Wie de aangeboren gave van het artistieke talent miskent, maakt kunst per definitie makkelijk.

Ons ideaal van de vrije expressie is een doorgeschoten mythe die thuishoort op de mestvaalt van de naoorlogse geschiedenis. Die mythe heeft veel kwaad aangericht. Zo heeft het ons beeld van het kunstenaarschap, het artistieke talent en de esthetische kwaliteit van de vorm bijna ten gronde gericht. Mijn conclusie luidt dan ook: Weg met de vrije expressie! Het wordt tijd dat het kind weer gewoon als een kind wordt gezien. Dat wil zeggen, als een mens in wording, en niet als een infantiel ideaalbeeld voor een ontwortelde, hogere diersoort. 

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)