Mijmeringen in Parijs

Musée d’Orsay, vorige week dinsdag 

Hoe zou het zijn om tijdloosheid te ervaren? Jezelf verliezen in de tijd, zoiets moet het zijn. Je overgeven aan wat Camus zo treffend heeft benoemd als ‘de tedere onverschilligheid van de wereld’.  Zomaar een bus nemen en dan doorrijden tot aan het eindstation. Dwalen in een stad die groot genoeg is om in te kunnen verdwalen. Ik hou ervan om door Parijs te dwalen. Het vluchtige bewustzijn dat eigen is aan de grote stad is pas in de late negentiende eeuw ontstaan. In het Parijs van de grote boulevards ontstond de moderne stedeling, de flaneur, de mens die ziet en gezien wil worden in de vluchtige ontmoetingen van de blik met een bewustzijn dat aanwezig is en tegelijk ook niet. De weldadige eenzaamheid in een menigte. De bijna religieuze roes van de grote stad.

Vorige week was ik in Parijs. Dinsdag heb ik daar een bezoek gebracht aan het Musée d’Orsay. Ik zag er de sterrennacht van Vincent Van Gogh en even dwaalden mijn gedachten af naar elders, ergens buiten de tijd en buiten de ruimte. Die ochtend had ik een uurtje doorgebracht op het Cimitière de Montparnasse. Ik hou niet alleen van dwalen, maar ook van begraafplaatsen. Ook die hebben iets tijdloos. Alsof de doden er nog leven in een tijd die voor eeuwig stilstaat. Tussen de dode bladeren is het stil. Begraafplaatsen geven me een vreemd soort rust, vooral in Parijs waar deze oorden een oase vormen tussen het drukke verkeer.

Op het Cimetière du Montparnasse heb ik de graven bezocht van Sartre, Baudelaire, Soutine, Tristan Tzara en Serge Gainsbourg. Het graf van Gainsbourg stond er een beetje verlaten bij. Jaren geleden was ik hier ook en zag ik daar schoteltjes met uitgedrukte peuken die als eerbetoon aan deze zingende bohémien door dames op leeftijd waren achtergelaten. Dwalen doe ik eigenlijk alleen als ik op reis ben. Vreemd eigenlijk. Ik zou het veel meer moeten doen. Op weg gaan zonder bestemming. Ergens komen waar je niet wilde zijn en waarvan je nooit gedacht had dat je er ooit nog eens zou belanden. Een plek waar je geen weet van had. Nergenshuizen op de kaart.

In de zomer van 1887 werkte Van Gogh veel in Asnières, een voorstadje van Parijs niet ver van zijn huis in Montmartre. Hij schilderde er het Restaurant de la Sirène. Ik ben er nooit geweest, maar ik heb me voorgenomen om er ooit nog eens naar toe te gaan en daar zomaar wat rond te dwalen. Het is een plek op de kaart, meer niet. En toch, alle plekken zijn gelijk, maar er zijn plekken op deze aarde die meer gelijk zijn dan alle andere, om George Orwell maar eens te parafraseren. De aarde is plat, maar is hij ook plat in Asnières? Dat soort absurde vragen spoken wel eens door mijn hoofd. Zo’n vraag kun je alleen beantwoorden door zelf ter plekke poolshoogte te gaan nemen.

Als kind bestudeerde ik vaak de plattegrond van Amsterdam. Zo ontdekte ik tussen de Ing. Lelylaan en de Sloterplas een klein rond lopend straatje, het zogeheten Colenbrandershof. Ik ben daar op een vrije woensdagmiddag nog eens naar toe gefietst om de situatie ter plekke in ogenschouw te nemen. En inderdaad, deze straat was rond, hoewel er toch meer sprake was van een reeks vrijstaande bungalows, dan een echt straatje. Het was een soort hofje met wat duurdere koopwoningen dat de functionalistische stedenbouwkundige zich veroorloofd had in een stratenplan met verder alleen maar smetteloos rechte straten.

In die tijd droomde ik ook wel eens dat ik door een weids en bewolkt landschap liep. Langs de kant van de weg, die al slingerend naar de horizon leidde, stond een reeks gigantische torens achter elkaar. Eigenlijk waren het geen torens, maar hele hoge letters die tot in de hemel reikten. Alleen kon je niet zien welke letters dat waren, omdat je er van opzij tegenaan keek. Opeens schoof de zon achter de wolken vandaan. Zo werden op de grond de schaduwen zichtbaar die de zon van opzij op die gigantische letters wierp. En zie, het wonder geschiedde. Er stond een tekst te lezen. In mijn droom zag ik het volledige verhaal van de wereld, waarvan ik overdag alleen de zijkant kon zien.

Zou het zo kunnen zijn, zo dacht ik vorige week bij mezelf, dat het menselijk bewustzijn ook zo in elkaar zit? Je ziet steeds maar de helft. De ware betekenis van de dingen kun je niet gewaarworden, omdat het bewustzijn de wereld alleen van de zijkant laat zien. Er zijn natuurkundigen die beweren dat het bewustzijn op het meest fundamentele niveau een kwantum-proces is. Als dat zo is, dan zou het bewustzijn misschien ook aan de tijd kunnen ontsnappen, tenminste als het zich van zijn eigen kwantum-processen bewust wordt. Gary Zukav formuleert deze mogelijkheid als volgt:

‘Als op kwantum-niveau de tijdstroom een betekenis heeft en als bewustzijn een fundamenteel gelijksoortig proces is, en als we deze processen in onszelf bewust kunnen worden, dan is het ook voorstelbaar, dat we tijdloosheid kunnen ervaren.’

Deze redenering, die afkomstig is uit het boek De dansende Woe-Li Meesters, las ik ergens in het midden van de jaren tachtig. Ik vond dit destijds een zeer opwindende gedachte. Hierdoor zou niet alleen begrijpelijk worden hoe yogi’s hun lichaamstemperatuur en hun hartslag reguleren, maar zouden wellicht ook de mystieke ervaring en de bijna-dood-ervaring in een ander licht komen te staan. Alles wat ik tot dan toe geleerd had over de natuurkunde leek opeens op losse schroeven te staan. Bewustzijn en tijd waren in de kwantumfysica intrinsiek met elkaar verbonden en dat verband was mogelijk veel complexer dan altijd was gedacht.

Ik ben in die tijd veel populairwetenschappelijke boeken over natuurkunde gaan lezen. Later, toen Daniel Dennett met zijn reductionistische verklaringen van het bewustzijn kwam, las ik alles wat ik te pakken kon krijgen van Penrose, Calvin en Pink, maar ook nog moeilijker kost van Quine en Putnam. Maar ik merkte tot mijn verbijstering dat ik steeds dieper in een moeras verzandde, naarmate ik mij verder in de materie verdiepte. Zonder grondige bijscholing in de natuurwetenschap kun je over dit soort zaken eigenlijk niets zinnigs te weten komen. De populairwetenschappelijke literatuur is uiteindelijk onbegrijpelijk, als je echt in de problemen door wilt dringen. En de vakliteratuur is al bij voorbaat onbegrijpelijk, omdat je bij de eerste ingewikkelde formule meteen al moet afhaken.

Ik heb het dus opgegeven om over het verband tussen bewustzijn en materie verder nog iets te weten te komen. Zo val je uiteindelijk weer terug op je gezonde verstand met alle beperkingen waarmee dat behept is. Je bouwt jezelf een wereldbeeld met de brokstukken die op de grond blijven liggen na elke lees-exercitie in het oerwoud van de huidige stand van wetenschap. Als het om een dergelijke ingewikkelde materie gaat, zien we altijd maar de helft. Wat je te zien krijgt is steeds weer een platte wereld, waarvan de ware betekenis in al zijn volheid mogelijk nooit duidelijk wordt. Dat geldt niet alleen voor het geest-materie debat, maar ook voor de wereld zelf. Ook Vincent van Gogh, die zich zijn hele leven nooit heeft kunnen verzoenen met de consequenties van het materialistische wereldbeeld, heeft ooit een vergelijkbare gedachte gehad. In een brief van 9 augustus 1888 aan zijn broer Theo schrijft hij:

‘Vroeger dacht men dat de aarde plat was en dat is zij nog altijd, als men bijvoorbeeld van Parijs naar Asnières reist. Toch weten we nu dat zij rond is en misschien zal eenmaal het leven even zo rond blijken te zijn, in uitgestrektheid en capaciteit verre superieur aan wat ons thans bekend is. Zien wij maar de helft? De platte helft van ons leven?’

1 Reactie »

  1. Silvia Steiger

    26 februari 2019 op 14:16

    Dank je wel. Huub voor jou mooie tekst!

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)