Katholiek in een stervende kerk

3112396717_15cf32f4d1

Daan Paans, kunstenaarsatelier, Heilig Hartkerk Breda, 2009

In de tweede helft van de jaren zestig leek de democratisering van het hiërarchische roomse bolwerk juist in Nederland een aanvang te nemen. Er ontstond een open klimaat, waarin alles ter discussie kon staan. Door de vrijmoedigheid, waarmee verschillende thema’s besproken konden worden, trok het Pastoraal Concilie in Noordwijkerhout ook veel aandacht in het buitenland. Katholiek Nederland was hot in die tijd. Geregeld werden er cameraploegen van CNN op Schiphol ingevlogen om verslag te doen van de ontwikkelingen. Misschien is het juist wel die grote media-exposure geweest die de aandacht afleidde van het werkelijke probleem dat aan de orde was. De ironie van de geschiedenis wil dat Reve zelfs op de deelnemerslijst heeft gestaan dit Pastoraal Concilie. Daar werden de gevolgen van het Tweede Vaticaans Concilie besproken door een breed gezelschap van leken en geestelijken. In een brief aan Josine M. laat hij weten, dat hij zich hier in dit veranderend klimaat allesbehalve thuis voelde. Steeds meer spreekt hij zich uit voor de restauratie van een conservatief katholicisme. De Katholieke Kerk werd in zijn ogen in toenemende mate aangetast door opvattingen van pseudomenselijkheid en maatschappelijke betrokkenheid. Marxistische gedachten, die hij van huis uit zo verafschuwde, sijpelden stilaan binnen bij progressieve katholieken. Dit katholicisme werd in zijn ogen ‘volslagen halfzacht, kleurloos, a-religieus en kunstvijandig.’

Reve keerde zich opnieuw tegen zijn omgeving. Tegen de Dominicanen bijvoorbeeld, die zo nodig modern wilden doen en vanaf de preekstoel gingen verkondigen dat homoseksualiteit helemaal net erg is: ‘Ik wil niet horen wat ik allang weet & lust geen politieke of goedkope sociologie van de kansel.’ Met dezelfde dwarsheid, waarmee hij katholiek was geworden, schoot hij nu meteen door naar een karikaturale variant, een traditionele vorm van katholicisme dat haast ongemerkt een anachronisme was geworden. In januari 1969 schrijft hij: ‘…mijn Kerk lijkt wel een stervende kerk, zonder bezieling: men neemt de dogmaas letterlijk, of men wil ze met de vuilnisman meegeven, maar begrijpen, beleven & in vervoering vertolken, daar zie of hoor ik, behalve tijdens Vader K. zijn missen, nooit ook maar iets.’ Kortom, het katholicisme was vier eeuwen na Reformatie en Contrareformatie snel aan het evolueren. Eerder al had Reve tegenover Josine M. verklaard dat ‘de hervorming thans de katholieke kerk binnen marcheert’. Oecumenische obstakels als celibaat, centralisme, het belang van het persoonlijk geweten inzake geboorteregeling, dat alles leek opnieuw bespreekbaar te worden, totdat Paulus VI het nieuwe paradigma weer snel terug plaatste in het middeleeuwse tabernakel van het Vaticaan. Deze conservatieve paus benadrukte opnieuw de waarde van de traditie en nam zijn toevlucht tot een – volgens Hans Küng – ‘merkwaardige lijdensmystiek.’ De revolutie die vooral in de Nederlandse kerkprovincie zijn beslag had gekregen, werd al na een paar jaar teruggedraaid door een reeks van provocerende benoemingen van extreem conservatieve bisschoppen. De ‘katholieke lente’ maakte weldra plaats voor een lange en koude winter die in katholiek Nederland nog altijd voortduurt. De uittocht uit het intellectuele getto, die paus Johannes XXIII op gang had willen brengen, kreeg nu in de meest letterlijke zin zijn vervolg. De katholieke kerk in Nederland stroomde leeg. Tussen 1961 en 1975 daalde het kerkbezoek onder katholieken in Nederland van 70.7 naar 36,6 %  Een overwegend conservatieve en vergrijsde gemeenschap bleef over, waarvan Reve voortaan de theatrale karikatuur zou worden: een levend anachronisme, een ironisch schertsfiguur die bij menigeen twijfel zaaide over de oprechte intenties van zijn geloof.

214047

Pastoraal Concilie Noordwijkerhout, 1969

De hoop op verandering werd in Nederland dus snel de bodem in geslagen. Het conflict tussen Nederland en Rome ging niet alleen over de pil en het celibaat, maar vooral ook over twee botsende opvattingen in de theologie. De ‘theologie van onderop’ tegenover de ‘theologie van bovenaf’. Ontmythologisering en secularisering tegenover een middeleeuwse geloofsleer. Deze botsing van theologische inzichten kwam het meest openlijk naar voren in de moeizame strijd die de samenstellers van De Nieuwe Katechismus moesten leveren om de reeks van correcties en amendementen, die vanuit Rome werden geëist, buiten het boek te houden, dat als ‘veilige gids voor het geloof’ inmiddels internationaal een bestseller aan het worden was. De inhoud van De Nieuwe Katechismus stuitte al gauw op fundamentele bezwaren bij de Congregatie voor de Geloofsleer in Rome, maar die bezwaren werden in Nederland wederom niet serieus genomen. Reve las De Nieuwe Katechismus voor het eerst in augustus 1967. De inhoud viel hem mee, zoals hij in een brief aan Frits Boer liet weten, als stond er volgens hem ‘veel halfzachts’ in. Het wordt in deze brief helaas niet duidelijk waar de grens voor Reve precies lag tussen enerzijds een eigentijdse verwoording van de aloude boodschap en anderzijds het softe welzijnsjargon dat ongemerkt de katholieke geloofsleer infiltreerde en waar hij nadien zo vaak fel tegen te keer zou gaan. ‘Alles wat mij boeide: de marialogie, de mystiek, de zang en dans, worden vervangen door jeugdwerk en de ukulee.’ schreef hij en maand later aan Jan Groothuyse. En twee jaar later in een brief aan C.G. Langereis: ‘De nieuwe R.K. catechismus is heel wat menselijker dan de oude, en bevat niets meer van die oude bangmakerijen. (..) De hoofdzaak is dat Hij sterfelijk heeft willen worden met ons, opdat wij onsterfelijk zouden worden met hem. ‘

Kortom, waar stond Reve nu eigenlijk precies in het conflict tussen Rome en de Nederlandse kerkprovincie, dat zich in die jaren steeds scherper aftekende? Geloofde hij zelf nog wel in de eigenzinnige interpretatie van de geloofsleer die hij in het begin van de jaren zestig ontwikkeld had? Ging hij niet zelfs voorzichtig geloven in het hiernamaals, dat hij eerder zo radicaal had afgewezen? In de beroemde bijeenkomst in de Alergeligste Hartkerk in Amsterdam op 23 oktober 1969 kreeg hij nog alle lachers op de hand, toen hij de paus wegzette als een Jan Klaassen in een poppenkast, waar niemand zich ook maar iets van aan hoeft te trekken. Maar dat was wellicht ook de laatste oprisping van zijn progressieve houding als katholiek. In het begin van de jaren zeventig werd zijn afwijzing van de vernieuwingen stap voor stap radicaler. Nederland schoof op naar links, maar Reve gooide de kop in de wind. Hij keerde zich nu radicaal tegen de maatschappelijke interpretatie van het Evangelie en de ‘halfzachte rimram’ die de plaats innam van de oude liturgie. In steeds fellere bewoordingen liet hij zich uit over de Nederlandse katholieken die in zijn optiek volledig de weg kwijt waren. Dat proces liep parallel met zijn politieke draai naar rechts tijdens een hectische periode, waarin de afwikkeling van het Ezel-poces, zijn conflict met Frans Lodewijk Pannekoek, de commotie rond de toekenning van de P.C. Hooftprijs  en wellicht ook zijn frustraties over zijn vastlopende literaire productie afwisselend zijn aandacht opeisten. Eind jaren zestig stapelden de problemen voor Reve zich op. Zijn geestelijke gezondheid ging achteruit en zijn angst voor de dood kreeg een obsessief karakter. Hij voorzag ook ernstige geldzorgen, als er binnen afzienbare tijd geen nieuw boek voltooid zou zijn.

In 1970 stemde hij voor het eerst VVD: ‘de enige niet-confessionele partij die haar stem durft te verheffen tegen de groeiende terreur van het gepeupel en tegen de aanbidding van het imbeciele jeugd-gangsterdom.’ En toen de politieke ommezwaai van links naar rechts uiteindelijk was voltooid, begon Reve steeds meer reactionaire, zo niet racistische taal uit te slaan. Over die Surinamers bijvoorbeeld, wier groeiende aanwezigheid hem mateloos ergerde. ‘Ik ben er erg voor, dat die prachtvolken zo gauw mogelijk geheel onafhankelijk worden, en ons niks meer kosten, zodat we ze allemaal met een zak vol spiegeltjes en kralen op de tjoeki tjoeki stoomboot kunnen zetten, enkele reis Takki Takki Oerwoud, mijnheer!,’ scheef hij aan Carmiggelt op 7 juli 1971. Dat soort uitlatingen kwam vanaf het begin van de jaren zeventig ook zijn publieke optreden steeds meer tot uiting, met als climax de rel rond zijn optreden in Kortrijk in mei 1975. Reve provoceerde daarmee vooral de  linkse intellectuele elite, die na de formatie van het kabinet Den Uyl in 1973 in Nederland stevig in het zadel kwam te zitten en het publieke debat ging beheersen. Eerder al schreef Harry Mulisch als reactie op De Taal der Liefde het pamflet Het ironische van de ironie. Reve zou door de dubbele bodem van de ironie zijn gezakt.Wie ironisch spreekt’ zo beweerde Mulisch, ‘zegt het tegendeel van wat hij meent, maar zodanig, dat een ander dat doorziet. Van het Reve zegt wat hij meent, maar zodanig dat de ander dat niet doorziet, en denkt nog steeds met ironie te doen te hebben.’

Mulisch ging er vanuit dat Reves woorden ironisch waren bedoeld, maar het tegendeel was het geval. Niet het stijlprocedée van de ironie, maar de antinomie had Reve uiteindelijk tot zijn handelsmerk verheven. Antinomie is geen extreme vorm van ironie, maar stijgt daar bovenuit. Onverzoenlijke tegenstrijdigheden worden samengevoegd in een nieuwe eenheid, waarin een essentiële waarheid aan het licht komt die wringt, schuurt, prikkelt en provoceert. Het is een afzonderlijk stijlmiddel van de Romantiek, dat aan de basis ligt van de moderniteit en juist in fasen van crisis aan de dag treedt. Het is het principe aan de ‘heilige zonde’, waar ook het rooms-katholicisme patent op heeft. De omkering van alle waarden kan een waarde hebben die aan alle waarden ontstijgt. Dat toppunt van antinomie, dat in de scandaleuze Ezel-scène zich in zijn werk al aankondigde, werd uiteindelijk bereikt in het spraakmakende optreden in Kortrijk.

reve leest gedicht

Reve in Kortrijk, 1975

De antinomie toonde zich hier in zijn kale gedaante, niet als een gekunstelde omkering van alle waarden louter en alleen om te shockeren, maar in een authentieke poging om in de meest schokkende bewering een waarheid aan het licht te brengen die niemand horen wil of horen kan. Die waarheid zat verborgen in de tijd, totaal verduisterd door de waan van de dag. Ik geloof niet dat Reve dit optreden destijds alleen als een provocatie zag. Diep in zijn hart moet er een ruimte zijn geweest, waar hij het ook echt heeft gemeend. Potsierlijk behangen met de symbolen van de grote ideologieën – een kruis, een hamer met sikkel, een hakenkruis en een ban-de-bom-teken – droeg Reve hier onder meer zijn gedicht Voor Eigen Erf voor. Aan het slot van zijn voordracht hief hij zijn vuist, die in een witte bokshandschoen was gevat, ten hemel, begeleid door de klanken van het Wilhelmus. In dit scandaleuze spektakel viel zijn laatste waarheid droog. Het is zijn meest onbegrepen en ook omstreden performance. Een kwart eeuw voor het ‘multicuturele drama’ in Nederland uiteindelijk gestalte zou krijgen, wees Reve al op de hypocrisie van links, met name in de Den Uyls politiek ten aanzien van Suriname. Die aanval op de goedkope mensenliefde van ‘de linkse kerk’  was ongehoord, maar ergens ook raak. Raker zelfs dan Fortuyn het later ooit heeft kunnen verwoorden.

Die ideologische ommezwaai naar rechts kreeg bij Reve zijn beslag in de laatste jaren van de Friese periode. Het mystieke Castilië, dat Reve in Friesland had gezocht, werd langzaamaan een inferno vol irritante geluiden. De Friezen werden ‘een schreeuwerig volk’, de Friese taal werd ‘een keelziekte’ zoals ook de ochtendrust in Huize het Gras steeds meer werd verstoord door het irritante geklepper van melkbussen en de knallende uitlaat een startende brommer. Zijn kritiek op de vernieuwingen binnen het katholicisme sloeg bij tijd en wijle zelfs om in een gevoel van walging, zoals hij in oktober 1970 aan Bernard Sijtsma liet weten: ‘Van de hedendaagse katholieken walg ik, die gisteren dachten dat God echt bestond & vandaag denken dat hij dood is, & verder noch tot denken, noch tot voelen, noch tot het zich iets voorstellen in staat zijn.’ De pionier van de vernieuwing ontpopte als een karikatuur van de restauratie. ‘De Jeremia van Greonterp’, zoals H. van Galen Last hem had genoemd, werd uiteindelijk de ‘Archie Bunker van het katholicisme’. Hoe is het in drie jaar tijd zover kunnen  komen? De beslissende breuklijn, die in de 602 pagina’s van De Nieuwe Katechismus exact moet zijn  aan te wijzen, verbreedde zich snel tot een onoverbrugbare kloof. Maar die eerste breuklijn tussen behoud en vernieuwing was voor de theologen in Rome van begin af aan overduidelijk. Juist over het conflict rond De Nieuwe Katechismus, dat niet alleen in Nederland, maar ook in tal van andere landen, waar hij in vertaling werd uitgebracht, de katholieke theologen in twee kampen verdeelde, zweeg Reve in alle talen. Op het moment suprême, waarin het tij keerde, gaf Reve niet thuis. De ware motieven van die beslissende wending in zijn geloofsbeleving, die zich in de jaren 1967 en 1968 voltrok, blijven achteraf bezien in nevelen gehuld.

Vanuit de optiek van Reve bezien, was er inderdaad heel wat positiefs te herkenen in De Nieuwe Katechismus. De geloofsleer, zoals hierin uiteengezet, werd gekenmerkt door een immanent godsbeeld. God handelt met de handen van de mens. Er was dus geen fundamenteel onderscheid tussen God en mens. Daarmee werd de aloude opvatting van de goddelijke natuur, die geheel los staat van het menselijk willen en handelen, als een overleefde gedachte van de hand gewezen. God werd een verhaal dat de mens in de geschiedenis realiseert. Er was geen sprake meer van een bovennatuurlijke genade, alleen nog in die zin dat de genade van God de mensen dichter bij elkaar brengt in de naastenliefde, waarvoor Christus als voorbeeld had gediend. God doet dus niets buiten de mens om. Ook de sacramenten werden op deze wijze opgevat en grotendeels van hun sacrale waarde ontdaan. De bedienaars van de sacramenten handelen niet in naam van Christus op aarde. Het priesterschap werd voortaan in wezen een functioneel ambt en niet langer begiftigd met een bovennatuurlijke gave. Vanuit zo’n theologische visie is het slechts een kleine stap om alles wat tussen wereldlijke haken wordt gezet dan ook meteen maar te elimineren. Als het sacrale tot een dergelijk minimum wordt gereduceerd, dan is God zelf ook binnen de kortste keren verdwenen. Maar ook Reve had de oude waarheidswaan in de religie proberen te doorbreken. Waarom haakte hij af, toen zijn eigenzinnige religieuze opvattingen juist in brede kring weerklank leken te vinden?

_Belediging_kan_zo_125242a.jpeg

Gerard Reve voor het Paleis van Justitie

Toen Reve in 1967 zijn beroemde Pleitrede voor het Hof hield, waarmee hij zich in hoger beroep verdedigde tegen de beschuldiging van godslastering, zette hij zich af tegen het ‘in brede kringen van de Nederlandse samenleving aanvaardde godsbeeld’. Hij koos positie tegen de ‘emanente God der wrake’. Van de God van Calvijn, moest Reve niet veel hebben. In feite was dat ook de God van het conventionele christendom. De God ook van vóór het Tweede Vaticaans Concilie. In dit bewonerswaardig heldere betoog verzette Rve zich radicaal tegen ‘het onkuise complex van waarheidswaan en fanatisme’.  Het begrip ‘religieuze onkuisheid’ ontleende hij aan Rümke, een van de hooglaren uit de Utrechtse school . Reve keerde zich ook tegen het bij voorbaat veronderstelde ‘juiste geloof dat deze aanhangers dagelijks van advies dient’. Tegen ‘het eenrichtingsverkeer der zogenaamde christelijke verdraagzaamheid’. Zijn Pleitrede was in wezen een pleidooi voor de immanente God tegenover wat hij elders ‘de God van triplex’ heeft genoemd. Een pleidooi ook voor de ‘de wezensidentiteit van God en mens’. Zijn eigen persoonlijke godsbeeld werd afgezet tegenover ‘dat van Nederland en dat van je tante’.

Daarmee markeert zijn Pleitrede een breuklijn in een verschuivend godsbeeld, een proces dat kenmerkend is voor de jaren zestig, maar zich al eerder in de theologie had aangekondigd. De tragiek van Reve is wellicht dat de sprong vooruit – un balzo avanti – die Paus Johannes XXIII de katholieke kerk en in feite ook het gehele christendom had toebedacht – en waarvan de kerngedachte zo glashelder door Reve in zijn Pleitrede werd verwoord – snel omsloeg in een ‘sprong achterwaarts’. Het hypermoderne katholicisme van Reve, dat hij in zijn verdediging aan de dag legde, sloeg weldra om in een recalcitrante provocatie van alles met wat vernieuwing en modernisering te maken had. De Pleitrede van Reve in de herfst van 1967 staat exact op een kruispunt: de dageraad van een nieuw katholicisme dat meteen zijn ondergang tegemoet ging. In februari 1968, bij de laatste behandeling van de cassatie, die bij de Hoge Raad was aangetekend tegen de vrijspraak van het gerechtshof, hield de advocaat generaal J. Remmerink een betoog, dat in één opzicht profetisch was. Zo vroeg hij of het omstreden artikel 147 over godslastering, waar de aanklacht op berustte, in de nabije toekomst niet uit de wet zou verdwijnen, als er geen sprake meer zou zijn van een staat die het christelijk geloof belijdt, maar in plaats daarvan alom een filosofie is aanvaard, waarin het christelijk element volmaakt dezelfde plaats inneemt als de idealen van andere, niet-christelijke groeperingen. Volgens sommigen, zo meende hij, was men al hard op weg naar een dergelijke maatschappij, die overigens door moderne christenen al word eerder werd bepleit, bijvoorbeeld door Dietrich Bonhoeffer.

Zo viel de naam van Bonhoeffer op het kruispunt van een ontwikkeling, het punt waarop het naoorlogs proces van secularisering zich in Nederland definitief los maakte van de nieuwe theologie en het zicht voorgoed verdween op een nieuw soort ‘godsdienst zonder God’. Of beter gezegd, het zicht op een goddelijke God in een goddeloze wereld.  In de eerste helft van de jaren zestig had Reve gebalanceerd op het slappe koord tussen die twee afgronden, die nadien niet meer vanuit één gezichtspunt zichtbaar zouden worden. ‘Er zit in elk geval een anti-metafysische tendens in Reves godsdienst, hetgeen maakt dat hij zowel diverse soorten gelovigen als ongelovigen onbehaaglijk stemt,’ schreef Oversteegen in 1967. Daarmee raakte hij de kern van de zaak. In zijn brievenromans was Reve op zoek gegaan naar deze goddeloze God, waarvan het verhaal de ronde deed, dat hij niet langer aanbeden kon worden, een God die men alleen nog kan vinden, door hem te verlaten. Op het kruispunt van twee geloofsystemen had hij de groeiende kloof gezien, die theologen al lang hadden waargenomen. Het was de kloof tussen een door de cultuur afgewezen geloof en een door het geloof afgewezen cultuur. Die steeds groter wordende antinomie vond alleen nog een weerwoord in het meest absurde, bizarre en ongerijmde dat men zich denken kon: een ezel met omzwachtelde hoeven die zich laat nemen in zijn geheime opening. Het heimwee naar een onbereikbare God viel opeens samen met het verlangen om  het oudste taboe te doorbreken: het bestiale verlangen naar het vlees. De efemere gestalte van de goddelijke God kon alleen nog in de meest letterlijke opvatting van het symbool belichaamd worden. Daarom had Reve deze ongehoorde poging gewaagd, om het onverzoenbare nog één keer te verzoenen. Hij zocht de weg terug naar de goddeloze God, die door een oneindige afstand van de mens is gescheiden, maar die zich ook schuilhoudt in het scabreuze, in de schennis, in hart van de zondaar. In die duisternis zocht Reve de gegijzelde God die hij wilde bevrijden met nieuwe woorden en symbolen. Dat deed hij  door – om met Paul Tillich te spreken- ‘bij een vernieuwing van de geloofsymbolen uit te gaan van de zelfexpressie van de cultuur.’

spotprent_gijsen

spotprent, begin jaren zeventig

Het eigenzinnige katholicisme van Reve werd in de jaren nadien vergeten of meewarig afgedaan, niet in de laatste plaats door katholiek Nederland of wat er nog van overbleef. In 1988 schreef Reve aan Bram Peper: ‘De RK-clerus bekijkt mij en mijn werk met groot wantrouwen, misschien niet ten onrechte, want geestdrift en vuur jagen hen schrik aan. In Noord- Nederland is het vrijwel een dode kerk geworden.’ Dat was ook zo, en het zou alleen nog maar minder worden. In het boek Tot vrijheid geroepen, katholieken in Nederland 1945-2000, een monumentaal overzicht na de naoorlogse katholieke cultuur, dat in 1999 onder redactie van Walter Goddijn verscheen, worden al met al nauwelijks twee pagina’s aan het werk en de rol van Reve gewijd. Anno 2009 is katholiek Nederland op sterven na dood. Er is al lang geen katholieke literaire avant-garde meer die de traditie van Anton van Duinkerken en Frits van der Meer nog voortzet. Het is vrijwel ondenkbaar geworden, dat een uitgesproken katholiek auteur nog ooit de PC Hooftprijs wint. Er is geen debat meer, geen aanval of verdediging. De handdoek is definitief in de ring gegooid. De laconieke houding die hedendaagse katholieken vaak aannemen tegenover de officiële kerkelijke standpunten aangaande seksualiteit, homofilie en geboortebeperking is schrijnend te noemen tegen de achtergrond van wat ooit tot revolutie heeft aangezet. Wat jaren lang conflictstof is geweest in verhitte discussies bij bisschopsbenoemingen blijkt nu in de collectieve gedoogzone beland van wat Willem Jan Otten ooit zo treffend  als ‘Vaticaanse kletskoek’ heeft bestempeld.

zie en luister

15 Reacties »

  1. Truus

    9 november 2009 op 10:46

    Huub, een vraagje ertussen door:
    Heb jij de laatste dertig jaar ooit een excuus mogen ontvangen?

  2. Huub Mous

    9 november 2009 op 11:25

    Sorry seems to be the hardest word,’ zong Elton John. Dat is een waarheid als een Friese koe. Maar ik lig daar niet wakker van. Het maken van excuses is alleen mogelijk voor iemand die een stevig verankerd zelfbeeld heeft. Veel fouten in het intermenselijk verkeer worden veroorzaakt door een zwak zelfbeeld bij één van de betrokken partijen. Als degene, die de fout maakt, behept is met een zwak zelfbeeld – en dat is helaas meestal het geval – dan is de kans op een excuus zeer klein. De oorzaak van de fout is namelijk tegelijk ook de belemmering voor het excuus. In plaats van het excuus volgt dan de verdringing. De fout wordt ontkend doordat feiten worden verdraaid of omstandigheden voor de buitenwacht anders worden weergeven. Dit fenomeen is in Friesland helaas wijd en zijd verspreid. Veel Friezen hebben last van een zwak verankerd zelfbeeld, wat niet alleen zijn compensatie vindt in chauvinisme en hoogmoed, maar zich ook als manco eindeloos voortplant, omdat er zelden of nooit excuus wordt gemaakt voor een fout die toch voor iedereen duidelijk is.

    http://www.youtube.com/watch?v=0A0RyqvfztY&feature=related

  3. Huub Mous

    9 november 2009 op 12:09

    Is het voortbestaan zelf iets goeds? Is het goed dat de dingen die bestaan, voortbestaan? Ik heb de indruk dat een boel mensen ‘ja’ zouden antwoorden. Niet dat ze vinden dat 
alles maar moet voortbestaan – corruptie mag best ver
dwijnen – maar van veel dingen vinden we het toch zonde 
wanneer ze ophouden te bestaan. Een vriend van mij 
maakt zich druk over het verdwijnen van de Friese taal. 
’Het zou toch een ramp zijn wanneer niemand straks 
meer “famke” zegt – of “krûpelhintsje”?’ Ik persoonlijk 
zie dat niet zo: waarom zou dat een ramp zijn? Het is nu 
toch ook geen ramp dat niemand meer ‘sniemen’ zegt, of 
’koever’ – ouderwets Nederlands voor ‘dadelijk’ en ‘over
vloed’. Het voortbestaan an sich is volgens mij niet iets 
goeds.

    Bas Haring, Succesvol leven, 2009

  4. maandagochtendpraat

    9 november 2009 op 13:10

    Het voorbeeld van Bas Haring, het wegraken van slechts een paar woorden, is vals omdat het op geen enkele wijze representatief is, noch als zodanig kan worden opgerekt, om een bewijs te kunnen vormen voor de bewering dat het Fries wel kan verdwijnen. Zonder Rembrandt dondert de beeldende kunst ook niet in, laat staan zonder de zelfbewierookte schilder A.A. te A . Een dergelijke versimpeling past een wetenschapper niet, even daargelaten de vraag of filosofie wetenschap is. Het gaat mij hier niet om een pleidooi voor het Fries , wel om zuiver denken. Zou Haring ook dergelijke kletspraat uiten in verband met de beeldende kunst of de filosofie, bijvoorbeeld als hij ziet dat enkele vakgenoten de clown uithangen?

  5. Huub Mous

    9 november 2009 op 13:41

    Het rare is dat hij dat wel doet. Hij past het ook toe op beeldende kunst en filosofie. Overigens ben ik momenteel zijn boek aan het lezen en zit ik pas op de helft. Bas Haring maakt onderscheid tussen (A) dingen, die goed zijn in het overleven, en (B) dingen die goed zijn in zichzelf. Om te overleven moeten dingen: (1) onverwoestbaar zijn, of: (2) goed onderhouden worden of: (3) voldoende vaak worden gekopieerd. Dingen die daaraan (of een van de drie) voldoen hoeven daarom nog niet goed of mooi in zichzelf te zijn.

    Haring zelf heeft affiniteit met dingen die zich zelf niet vermenigvuldigen. Mooie dingen mogen wegspoelen & en het is verstandig om te zwijgen. En dus niet: Mooie dingen moeten we tonen & en verstandige dingen moeten we zeggen.

    Als je die wijsheid toepast op het Fries dan stuit je op een eigenaardigheid in zijn denken. Waarom overleeft het Fries niet? (1): Omdat het niet onverwoestbaar is? (maar dat is geen enkele taal). (2): Omdat het niet goed onderhouden wordt? (zou kunnen, maar niet door de overheid, want die onderhoudt het prima). (3) Omdat het niet vaak genoeg gekopieerd (c.q. gesproken) wordt ? (Ik vrees dat dit laatste waar is).

    Toch kun je daarom juist van het Fries houden, volgens de theorie van Haring, ook al mag het dan wegspoelen. Sterker nog, juist omdat het wegspoelt, kun je er van houden. Fries is niet goed in het overleven, maar misschien wel goed in zichzelf.

  6. peter bastiaanssen

    9 november 2009 op 15:01

    Het feit dat er geen objectieve maatstaven te vinden zijn waarom iets al dan niet zouden moeten blijven bestaan , het idee dat wanneer je
    het voortbestaan an sich van iets niet kunt onderbouwen door rationaliseren, wil nog niet zeggen, dat het verder voortbestaan van dat iets daarom triviaal is geworden.
    Want als je iets nooit gekend hebt, wat maakt het dan uit dat het er niet meer is.
    Tja, zo zijn er nog wel wat boekjes te vullen…

  7. Huub Mous

    9 november 2009 op 15:20

    Het maakt inderdaad niets uit of iets, wat je helemaal niet gekend hebt, wegspoelt of blijft voortbestaan. Maar dat is ook niet wat Bas Haring beweert. Hij houdt een pleidooi voor mooie dingen (die in zichzelf mooi zijn) die niet zo nodig hoeven te blijven voortbestaan. Overigens lijkt die voorkeur tegen elke natuurwet in te gaan, wat hij ook zelf toegeeft. ‘Succes’ betekent immers voortbestaan (het woord komt van het Latijnse ‘succedere’ = opvolgen) en ieder mens schijnt naar ‘succes’ te streven. Toch is het de vraag waar dat streven naar succes nu eigenlijk vandaan komt. Een mens lijkt geprogrammeerd te zijn met een neiging die niet goed is in zichzelf (namelijk het streven naar voortbestaan). Wat goed en mooi is hoeft niet perse identiek te zijn aan datgene wat blijft voortbestaan. Bovendien is er een soort selffulfilling prophecy van het succes. Als iedereen zegt dat A waar is, dan wordt A waar. Als iedereen het leuk vindt om succes te hebben, dan heeft succes hebben succes. Als in een reisgids staat dat een restaurant druk bezocht is, dan wordt dat restaurant druk bezocht. Het lijkt dat wij zo’n reisgids in ons brein hebben die ons denken en verlangen stuurt. Of, om met Johan Cruyff te spreken: ‘Als iedereen A zegt wil ik weten hoe het komt dat iedereen A zegt.’ Ja, ja zo kan ik ook een boekje vol schrijven, maar het moet gezegd, het leest lekker weg.

  8. Zei

    9 november 2009 op 15:43

    ‘Succes hebben’ heeft altijd een niet-succes-hebbend tegenwicht nodig. Iets wordt pas echt succesvol genoemd, als er een succesvolle onsuccesvolheid tegenover staat. Hoe onsuccesvoller deze is, hoe groter het gesmaakte succes.

    Ieder begrip wekt tegelijk haar antipode op.

  9. Huub Mous

    9 november 2009 op 16:21

    Als ik een log maak met als titel:HUUB MOUS HEEFT SUCCES! dan krijgt die meteen een hoge score op Google als je mijn naam intypt. Het gevolg is dat veel mensen dat log met die spannende titel gaan bekijken. Dus zal dit bericht nog meer gaan stijgen op de Google-hitlijst. Sterker nog, het wordt een hit! Dat heeft dus niets met ‘niet-succes’ of on-succes’ te maken. Omgekeerd, als ik een log maak met de tegenovergestelde kop: ‘HUUB MOUS IS EEN MISLUKKELING!’ dan heeft dat bericht op Google nog méér succes. Wat heet, het wordt een magahit! Succes is dus een kracht die zichzelf bevestigt, tenminste, als het om aandacht gaat. Zelfs het tegendeel – de mislukking – heeft succes, als het om aandacht gaat. Nog meer succes zelfs. Succes werkt dus niet haar antipode op, maar bevestigt voortdurend zichzelf.

  10. Zei

    9 november 2009 op 16:46

    Hm, dat maakt van mijn bijdrage geen succes.

    En daarmee is zij dus weer succesvol.

  11. peter bastiaanssen

    9 november 2009 op 17:12

    Wanneer je iets moois of iets goeds onder je ogen kapot ziet gaan, of vernield ziet worden, dan probeer je toch, indien het enigszins in je macht ligt, dat tegen te gaan.
    Natuurlijk gaat het er niet om dat je het niet zal missen, wanneer je het nooit gekend hebt.
    Maar wanneer je het wèl kent en het gaat kapot
    mede door jouw gedrag,hier en nu, dan lijkt het mij van een andere orde.
    Tis alweer lang geleden dat ik het boekje van Bas heb gelezen, maar ik dacht me te herinneren, dat dat aspect mij irriteerde.
    (Heeft hij het ook niet over de laatste haring?)
    Ik vond het toen een zwak boekie.
    Maar het zou natuurlijk kunnen, dat ik het nog lichtvoetiger heb gelezen dan Bas het heeft geschreven…

  12. maandagochtendpraat

    9 november 2009 op 19:35

    Bedankt Mous voor je helder en vaardig weerwoord dat niet defensief, maar prettig uiteenzettend is. Bij eerste en tweede lezing lijkt het valide. Hoe ook, het ademt niet de geest van het stuk dat begint met de woorden: ‘Sorry, seems to be the hardest word…’ Daaraan gewogen zou ik je a-typisch Fries willen noemen, voor zover een oordeel na zo weinig tekst verantwoord is en ‘Sorry, seems to be the hardest word…’een behoorlijke waarheid in zich draagt, wat ik geloof.

  13. Huub Mous » De zaligverklaring van Reve

    8 maart 2010 op 07:09

    [...] Het zou een statement zijn van het Vaticaan in deze tijd vol verwarring en verbijstering. Un balzo avanti, een sprong voorwaarts, zoals Paus Johannes XXIII dat noemde aan de vooravond van het Tweede [...]

  14. Huub Mous » Küng waarschuwt voor de laatste maal

    17 april 2010 op 07:19

    [...] Katholiek in ene stervende Kerk [...]

  15. Huub Mous » Rümke en het integratieve vermogen

    5 juli 2010 op 00:30

    [...] verschillende levensfasen op basis van Rümkes boek Levenstijdperken van de man (1951). In zijn Pleitrede voor het Hof, die hij in oktober 1967 uitsprak, keerde Reve zich tegen de orthodoxe christenen van Nederland met [...]

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)