De zelfgenoegzaamheid na CH 2018

Met stijgende verbazing en soms ook ergernis heb ik afgelopen zondag gekenen naar de eerste aflevering van de documentaire op Fryslân Dok naar aanleiding van Het wonder van 2018, het boek van Geart de Vries dat onlangs is verschenen. (zie: Uitzending gemist) In twee afleveringen van deze  documentaire worden twaalf hoofdrolspelers in de organisatie van destijds aan het woord gelaten. 

Dat levert een vloedgolf van zelfgenoegzaamheid op. Wat waren we geweldig en wat hebben we het met elkaar fantastisch gedaan! Vooral de tevreden grijns van Sjoerd Bootsma, het bevallige pruilmondje van Jannewietske de Vries en de quasi-artistieke, grijze sik van Oeds Westerhof deden mij af en toe huiveren van afschuw. De wijze waarop Gerard van der Veer de hoofdrolspelers aan de tand voelde getuigde ook van weinig journalistieke  professionaliteit. Sterker nog, vanuit journalistiek oogpunt was dit een absolute  wanprestatie. Wat een klef gedoe allemaal !

Je mag hopen dat het boek van Geart Vries kritischer van toon is. Hij heeft dit boek geschreven op basis van gesprekken met maar liefst 120 personen. Een daarvan was ikzelf. Ik werd niet gekozen als hoofdrolspeler, maar als criticaster van het eerste uur. 

Ik heb het boek Het wonder van 2018 nog niet gelezen, maar als ik deze eerste documentaire zie, vrees ik het ergste. Ook het boek zou wel eens een opsomming kunnen zijn van het grote welbehagen achteraf van ieder die op enigerlei wijze bij dit gebeuren betrokken is geweest.

De teksten van de interviews zelf zijn inmiddels diep opgeborgen in het archief van het Historisch Centrum Leeuwarden. Daar liggen ook mijn woorden te verstoffen voor het nageslacht.  Voor wie er misschien nog belangstelling voor heeft, publiceer ik de tekst van het gesprek dat Geart de Vries met mij had vandaag dan maar op mijn blog. 

***

Huub Mous (1947), publicist en kunsthistoricus. Jarenlang werkzaam bij Fryske Kultuerried, later Keunstwurk. Organisator en adviseur op het terrein van beeldende kunst in Fryslân. In 2000 artistiek leider Frysk Festival. Volgde LF2018 op zijn weblog. Het gesprek vond plaats op 11 april 2022 bij Huub Mous thuis

Herinner jij je nog toen je voor het eerst hoorde van de plannen van Culturele Hoofdstad?

‘Dat moet geweest zijn bij de uitreiking van de Gysbert Japicxprijs aan Josse de Haan in Bolsward, herfst 2007, toen gedeputeerde Jannewietske de Vries het noemde. Het was me eerst ontgaan en later zei iemand: hoorde je wel wat ze zei? Toen dacht ik: ja mooi, maar ik moet het allemaal nog zien. Ik was eerst nogal sceptisch. Toen de organisatie één keer begon te lopen toen was het prijsschieten. Het was zo knullig en amateuristisch in die begintijd. Gryt van Duinen was in die tijd ook een goede gesprekspartner. Zij heeft er toen later een documentaire over gemaakt, voor de landelijke tv-uitzendingen van Omrop Fryslân, dat was begin 2012. Zij had Simmer 2000 geïnitieerd en was in dat jaar voorzitter van het Frysk Festival geweest. Daar was ik ook nauw bij betrokken. Wij  wisten wel wat een grote manifestatie was, daar hadden wij wel kijk op, hoe anders dat streven om Culturele Hoofdstad te worden ook was. Simmer 2000 was ook een soort ijkpunt hoe je van onderop zaken kon opzetten. Bijvoorbeeld de Slachtemarathon, onderdeel van dat Frysk Festival was een voorbeeld hoe je een breed gedragen culturele manifestatie kon organiseren.’

De mensen die bezig waren met Culturele Hoofdstad zetten zich in die tijd nogal af tegen Simmer 2000. Dat vonden ze nostalgie.

‘Ja maar tegelijkertijd was het wel iets waar ze overheen moesten. Dat was een soort spanningsveld. Ik hoor nog burgemeester Ferd Crone van Leeuwarden spreken die zei: cultuur is niet mijn ding. En dat zei hij of hij zich daar op voorstond. Alles was cultuur voor hem, de Elfstedentocht en noem maar op. Toen dacht ik meteen: dit is een Culturele Hoofdstad en als cultuur niet jouw ding is dan gaat het helemaal mis. Van het begin af aan ging het heel veel over mienskip, het was Simmer in het kwadraat af en toe. Maar het moest een cultuurmanifestatie worden van Europees niveau.’

Tegelijkertijd was er wel wat veranderd met die Culturele Hoofdsteden. Het waren niet meer de steden met hoge cultuur die werden aangewezen als ECoC, maar het ging steeds meer ook om andere zaken. Om sociaal-culturele veranderingen en wat Jannewietske de Vries bijvoorbeeld noemde ‘de transysje fan Fryslân’. Daar was ook die groep jongeren rond Coöperatie2018 mee bezig. Cultuur inzetten om zaken hier meer structureel te veranderen.

‘Cultuur werd heel breed opgevat. Dat begrip mienskip bijvoorbeeld dat zo’n grote rol kreeg, het was erg Fries nationalistisch in het begin. Er werden in mijn ogen in die tijd eigenlijk twee fouten gemaakt. Het was te nationalistisch en te sociaal-mienskip-achtig en ten tweede was het te weinig elitair, dat was een vies woord in het begin, te weinig autonoom, te weinig kunst en cultureel. Dat was raar, want dat moest je wel hebben wilde je scoren. Ik weet nog dat Siem Jansen, toen voorzitter van de Stichting Kulturele Haadstêd zei: we maken grote kans en de outsiders kunnen winnen. Dat is uiteindelijk ook gebeurd, maar met een heel ander programma. Dat was in het begin amateuristisch en low profile. Daar hadden wij toen ook veel kritiek op.’

Wat vond je er precies zo amateuristisch aan?

‘Dat ze het teveel vanuit dat ‘mienskip-denken’, met zijn allen, wilden doen. Kijk ons, wij Friezen hebben een verhaal, wij organiseren hier de Elfstedentocht. Wij kunnen laten zien wat we hier allemaal hebben. Bij Simmer 2000 was dat ook wel aanwezig geweest, dat Fries nationalistische, maar in die begintijd van Culturele Hoofdstad werd de kunstwereld, de cultuurwereld er buiten gelaten. Die had je meteen er wel bij moeten betrekken, de mensen van de musea, de theaters en andere cultuurmakers. ‘

Men was bang dat die meteen met hun eigen belangen naar voren zouden treden.

‘Ja, wij deden dat anders in die aanloop naar 2000. Wij begonnen juist met heel veel mensen uit het culturele veld rond de tafel te brainstormen. Daar kwamen heel veel ideeën bij los en die noteerden wij en daar gingen wij mee verder. We gingen enorm schiften en daar kwam dan een goed programma uit. Met de mensen die weten wat cultuur is werkten wij juist direct nauw samen.’

Je schreef er in die tijd over, maar had jij ook contact met de mensen die ermee bezig waren?

‘Ik ben in die begintijd wel incidenteel een aantal keren wezen praten met betrokkenen, dat was één op één. Maar ik heb me nooit in werkgroepen begeven. Met  Jannewietske de Vries bijvoorbeeld heb ik, op haar verzoek, gepraat. Ik had een artikel geschreven ‘De regio is hot’. [Zie: De regio is hot – de Moanne april 2001]. 

Ik had daarin aangegeven hoe regio’s zich op een nieuwe manier manifesteren, in Europees verband. Dat vond Jannewietske heel interessant. Ik heb ook andere concepten aangedragen, bijvoorbeeld dat idee dat ooit was genoemd door een zoon van Cor Reisma, Peter Reisma. Hij had ooit gezegd: hoe goed zou het zijn als Friesland ooit zijn eigen modernisme zou tonen. Dat had een mooi thematisch verband op kunnen leveren waarmee je een goed cultureel thema te pakken had. Maar daar konden ze niks mee.’

‘Ik  heb toen ook andere mensen genoemd om erbij te betrekken; iemand als Tsead Bruinja. Later, toen alles in de mist hing en het niet goed leek te gaan, toen Rudi Wester erbij betrokken was voor die bidbooks, ben ik ook nog wel benaderd. Het moest toen vooral meer multi culti worden. Ik had nog een plan liggen om wat te doen met alle talen in Friesland, om die in het licht te zetten. Rudi Wester was daar toen heel enthousiast over. Maar later is dat weer helemaal ondergesneeuwd. Er werd niet vanuit de inhoud gedacht, met mensen die bezig waren in het culturele veld. Maar dat wilden ze niet. Dat vonden ze te elitair. Het heeft hierdoor heel lang geduurd voordat ze op het goede spoor zaten.’

Kende je het fenomeen Culturele Hoofstad?

‘Ik was toevallig in de Hongaarse stad Pécs, ECoC in 2010, geweest. dat was wel leuk, want dat was ook een outsider-stad, een regionale stad. Ze hadden het net achter de rug. Ze hadden er goed over nagedacht hoe ze zich in een internationaal verband naar voren moesten brengen. Het Ruhrgebied had ik ook wel over gehoord en uit de ooghoeken had ik het tot me genomen. Essen/Ruhrgebied was ook in 2010 ECoC. Het ging daar meer om hoge cultuur. Maar ik heb er nooit een studie van gemaakt.’

Had je ooit verwacht dat Leeuwarden de titel zou binnenhalen?

‘Dat verbaasde me eerlijk gezegd wel, dat dat gebeurde ondanks de trage start, met al die hindernissen en nadat alles fout ging wat maar fout kon gaan. Dat het met een enorme bocht en net op tijd op het goede spoor is gekomen, en dat die outsider-positie uiteindelijk goed is uitgebuit, dat is toch wel een wonder geweest. Ik denk dat men goed heeft gekeken wat Brussel verwachtte, dat men zich goed heeft verdiept in de voorwaarden en wat de jury wilde horen: dat men goed aan het profiel heeft weten te beantwoorden. Dat heeft men beter gedaan en dat heeft beter uitgewerkt dan de arrogantie van de andere steden. Eigenlijk is die slechte start uiteindelijk een voordeel geweest, men wilde zich verbeteren. Als het vanaf het begin goed was gegaan had men misschien aan het einde  verloren. Het gedoe van het begin motiveerde ook. Ik herinner me ook die stampot-bijeenkomsten in de Harmonie om draagvlak te krijgen. Dat was bijzonder en iedereen kwam hier ook naartoe. Gaandeweg heeft men geleerd van eigen fouten en dat leerproces heeft zich uitbetaald.’

En toen de titel eenmaal binnen was?

‘Ik dacht wel: dit is wel de festivalisering, de vermarkting van kunst, het gaat meer over hoe je als regio met cultuur kunt scoren voor de economie. Maar is dit ook goed voor de cultuur? Zal de cultuur in Friesland hier blijvend baat bij hebben? Over wat er over blijft, over de legacy, daar ben ik nogal sceptisch over. Ik vind dat die hele infrastructuur behoorlijk ingedut is, ook door andere ontwikkelingen. Als je ziet hoe levend het is geweest met al die instituten dan heeft Culturele Hoofdstad dat tij niet kunnen keren. Het is niet ten goede gekomen aan het productieklimaat in Friesland, dat is niet bereikt. Het heeft misschien wel een mentale omslag teweeg gebracht. Dat dit in Leeuwarden, Friesland mogelijk is geweest, dat was vanaf het begin ook de intentie van Jannewietske de Vries: een ander zelfbeeld te creeëren. Op die manier heeft het wel degelijk iets teweeg gebracht. Maar zelf denk ik niet dat het meteen wat voor het culturele klimaat betekent heeft.’

Kan het ook zijn dat jij, wij, anderen, dat niet allemaal zien wat er zoal gebeurde? Of er anders tegenaan kijken? Bijvoorbeeld festivals als Welcome to the Village of Explore the North die er zijn gekomen, de jongere kunstenaars die zich manifesteren. En bijvoorbeeld ook wat er de afgelopen jaren in het Fries Museum is gebeurd met tentoonstellingen van meer (inter)nationale allure.

‘Die festivals zijn er ook gekomen doordat je een festivalklimaat kreeg. Die festivalisering was al een tijdje aan de gang en is versterkt. Wat het Fries Museum betreft: dat is helemaal op de toer van de blockbusters gegaan. Het heeft uit het oog verloren waar het in museumbeleid ook over hoort te gaan: dingen aan de orde stellen, het contact met kunstenaars hier en het kunstklimaat. Als er impact is geweest is het een foute impact in mijn ogen. Het moet niet alleen over bezoekersaantallen gaan. Maar dit is een ander verhaal en daar ga ik hier nu verder niet over uitweiden.’

Maar het klimaat is toch duidelijk veranderd, nu denkt ook in Leeuwarden niemand er meer over om op cultuur te gaan bezuinigen. Dat was pakweg tien, twaalf jaar geleden heel anders. Dat komt misschien ook om andere redenen, maar Culturele Hoofstad heeft hierbij toch ook wel impact gehad?

‘Nou kunstenaars zijn behoorlijk geraakt hoor. Die hebben het nog altijd moeilijk. En van ondersteunende organisaties is weinig over. Als je bijvoorbeeld kijkt naar Keunstwurk. Het productieklimaat is in de breedte behoorlijk achteruitgegaan. Die ontwikkeling is al een tijd aan de gang en ik zie geen verbetering door 2018. Andere accenten worden gelegd in het cultuurbeleid. Er zijn in 2018 gewoon ook sectoren overgeslagen: waar waren de Friese kunstenaars, waar was de aandacht voor architectuur, terwijl dat toch een bloeiend aspect van de Friese cultuur is? Of aandacht voor Friese schrijvers, hoewel dat altijd lastig is om die in beweging te krijgen.’

Even terug naar de jongeren die ook betrokken werden bij de bidbooks. Hoe keek jij tegen het idealisme, dat streven van die groep jongeren rond Coöperatie2018 aan om cultuur in te zetten voor veranderingen in Friesland?

‘Het was in ieder geval een beweging van onderop. Terwijl Culturele Hoofdstad wat van bovenaf werd geparachuteerd. Maar hier was een stroom van ideeën van onderop, van jongere mensen die ook met open armen werden ontvangen en die ook de ruimte kregen. Hogere kunst was niet hun streven, maar inderdaad meer die maatschappelijke verandering, de natuur, de ruimte. Hele modieuze thema’s die voor het bidbook een belangrijke impuls waren. Er zat ook al gauw een spanningsveld in en dat vond ik ook het zwakke punt. Dat er ook meer projecten van hoge kwaliteit ingevlogen werden. Er moest topkunst binnen worden gehaald.  Met kunst en vliegwerk werden er projecten bedacht die als kersen op de taart een plek kregen, zoals die fonteinen. Ik vond dat te makkelijk. Ook de Reuzen was zo’n project: instant in huis halen en gauw klaar. En natuurlijk scoort het bij het publiek. Belevingskunst. Vooral om mensen te pleasen. Maar waar gaat het over? Ze zijn hier zelfs nog langsgelopen, langs de Harlingerstraatweg.’

Dat was ook wel wat paradoxaal : bij dat doorgaan naar de tweede ronde moest het internationaler, Europeser en met meer projecten van niveau om de titel binnen te halen. En die projecten kwamen meer van bovenaf.

‘Ik vond dat te gemakkelijk en ook nogal slordig uitgevoerd. Dat had beter gekund. Veel meer doordacht en veel meer inspelend op de situatie hier. Ik vind bijvoorbeeld dat Anna Tilroe met die fonteinen dat organisatorisch ook niet sterk heeft gedaan; ze deed dat met afstandsbediening. Destination Art noemde ze het. Maar bijvoorbeeld dat Dokkum niet klaar was in 2018, dat was heel slordig. Dat kun je niet maken. een blamage dat dat niet was gelukt. Maar goed: het heeft wel gewerkt. Ze was ingehuurd om de kers op de taart te zetten en dat heeft ze gedaan.’

Hoe had jij dat dan aangepakt?

‘Wij hadden eerder ook kunstprojecten gedaan met (inter)nationale kunstenaars, bijvoorbeeld in 1998 dat project In Verbelige.  Dat was misschien niet meteen een groot internationaal succes, maar heel wat kunstenaars zijn hier toen geweest als artist in residence die zich gingen verdiepen in de streekculturen en streektalen hier. Het leverde wisselende kunstwerken op, maar was wel geïntegreerd met de cultuur van hier. Dat was een mooier model geweest: dat die kunstenaars van die fonteinen hier hadden kunnen werken en zich meer hadden verdiept wat hier is. De contacten die nu werden gelegd waren allemaal veel te vluchtig. Wat er nu gekomen is, ja dat is een bepaalde stroming in de kunst, maar het had veel interessanter kunnen zijn. Ik heb er niet veel affiniteit mee. De fontein van Plensa hier in Leeuwarden is qua schaal en maat nog het meest geslaagd misschien.’

Jij hebt LF2018 vooral in die aanlooptijd nogal gevolgd en er later niet veel meer over geschreven?

‘Toen de titel één keer binnen was, vond ik het niet zo interessant meer. Toen heb ik mijn handen er helemaal vanaf getrokken. Toen het fout dreigde te gaan, in die beginjaren, toen wilde ik me laten horen. Ik was misschien ook wel wat verbeten toen Later vond ik het minder interessant om er verslag van te doen. Ze redden zich wel.’

Is Leeuwarden door LF2018 veranderd in jouw ogen? 

‘Er is hier wel meer een stadsgevoel gekomen. Dat is echt opgeschoven. Ook uiterlijk is er natuurlijk wel wat veranderd: het Zaailand en het Stationsgebied. Wat architect Gunnar Daan altijd noemde ‘de kleinste stad en het grootste dorp’, een plek tussen wal en schip, dat is opgeschoven naar meer een stad. Culturele Hoofdstad heeft hier geen kwaad aan gedaan. Dat oude gevoel en gezeur over Leeuwarden, ook wel wat een cliché´, ‘ut war niks, ut is niks en ut sal noait wat wurde’, is definitief voorbij. Al is Leeuwarden tegelijkertijd ook weer niet direct een trotse stad met kapsones geworden.’

‘De trend in de cultuur van festivals en manifestaties, die er ook al wat was, is er wel definitief  doorgebroken door LF2018. City-marketing kwam hierbij ook echt naar voren, een trend waar ik altijd wat een raar gevoel bij krijg. Wie bekommert zich nog over de cultuur, de kunst zelf? Het belang van de cultuur zelf, de productie in de breedte, de infrastructuur ook, lijkt nogal ver weg te zijn, ook bij bestuurders. Het gaat tegenwoordig meer om incidentele uitingen. Voor zover ik het kan beoordelen.’

‘Het heeft hier ook dingen op slot gezet, want het slurpte alle subsidies op voor dat jaar en de aanloop ernaartoe. Andere projecten kregen in die tijd geen geld uit bepaalde subsidiepotten. Ik heb dat bijvoorbeeld van een organisatie als BUOG gehoord. Ook organisaties die bij LF2018 aanklopten voor ondersteuning kregen soms nul op het rekest.’ 

Is Leeuwarden interessanter geworden, ook voor jongeren om hier te blijven? Heeft Leeuwarden een ander aanzien gekregen, ook voor jongeren?

‘Ja het is nog steeds zo, wil je wat in het leven, dan ga je hier weg. Er is wel veel meer een gunstiger jongerenklimaat gekomen, ook door die uitbreiding van studenten en die hogescholen. Maar is er wel een follow up, zijn er  – na de studie – genoeg banen  hier? En als je hier lang zit kom je zeker niet meer weg. Dat perspectief is niet echt anders geworden, is niet omgedraaid door de Culturele Hoofdstad.’

Een ander aspect aan de Culturele Hoofdstad: het werken met mensen hiervandaan of moet je nu juist mensen van buiten aantrekken om er schwung in te brengen. Dat dilemma speelde af en toe. Het moest een meer internationaal en Europees project worden, ECoC, maar bleef ook wel weer Fries. Ook het in het personeelsbeleid zwabberde dat af en toen.  En dat is natuurlijk breder in Friesland, ook bij andere gelegenheden en instellingen komt dat naar voren. 

‘Het is heel Fries dat dat dilemma er is. Zelf moet ik me tot de dag van vandaag ook nog wel eens legitimeren hier. Dat ik geen Fries spreek, de taal is een zicht- en hoorbare grens, dat ik geen Fries zou zijn, terwijl ik hier al meer dan veertig jaar woon. Raar dat die grens af en toe nog steeds wordt getrokken. Het speelde ook in bepaalde gremia in de aanlooptijd naar LF2018. Ik heb er ook altijd voor gepleit creatievelingen van buiten Friesland of die nu buiten Friesland wonen erbij te betrekken, kansen te geven. Ik ken die spagaat als ‘buitenlander’ natuurlijk ook wel. En ook het fenomeen dat wat van buiten kwam per definitie goed zou zijn. Eerder heb je ook wel mensen van buiten gehad die dan hier hun opdracht met twee vingers dachten te kunnen vervullen.’

Een spagaat zeg je al. Door sommigen wordt gezegd dat LF2018 uiteindelijk niet Europees genoeg zou zijn geworden.

‘LF2018 is gehouden in een regio waar die internationale contacten toch al behoorlijk mager waren en het was ook wel een hele sprong om die in één keer te realiseren. Het had misschien anders en beter gebeurd, maar ik heb er niet zoveel negatieve gedachten over. Er is in dat opzicht in dat jaar wel wat gebeurd.’

Hoe heb je 2018 verder beleefd? Heb je nog deelgenomen aan dingen?

‘Ja ik heb zelfs nog een programma-onderdeel gedaan. Samen met Oeds Westerhof, toen directeur legacy LF2018, en Peter Wouda heb ik in de eerste maanden van 2018 in Heerenveen  en Oranjewoud negen workshops gegeven over het ‘ecokathedrale denken en doen van Louis Le Roy’.  Er kwamen mensen naartoe uit heel Nederland. Oeds Westerhof had het over de projecten binnen LF 2018, waarin ecologie en duurzaamheid centraal stonden maar ook hoe de resultaten hiervan van blijvende waarde konden zijn als de manifestatie was afgelopen. Hij is niet voor niets ‘directeur legacy’ van CH 2018. Zelf ging ik in op de filosofische achtergronden in het denken van Le Roy. Hoe zijn revolutionaire gedachtegoed niet zomaar uit de lucht kwam vallen, maar paste in een veel bredere filosofische context van andere denkers.’

‘Nou ja en ik heb nogal wat publiciteit gekregen met een optreden tijdens een van de Iepen Up-programma’s in Neushoorn, ergens in april (woensdag 18 april)..  Ik heb toen LF2018 baas Tjeerd van Bekkum met een waterpistool belaagd. Het was een avond waar ook schrijfster Vonne van der Meer en filosoof Afshin Ellian bij waren. De terughoudende reactie van Van Bekkum op de kwestie Malta kwam daarbij ter sprake:  het was een half jaar na de moord op de Maltese journaliste Daphne Caruana Galizia. Met een cowboyhoed op bestormde ik het podium en heb Tjeerd van Bekkum water in zijn gezicht gespoten toen hij wilde beginnen en noemde hem een slappe lul. Het was DADA met nogal wat publicitair effect. Ik heb later wel excuses aangeboden aan Tjeerd van Bekkum voor mijn actie die verkeerde associaties opriep. Ik was in die tijd niet goed bezig, ook vanwege een crisis in in de relationele sfeer.’

Die excuses zijn trouwens onmiddellijk door Tjeerd van Bekkum geaccepteerd.  Hij zei tegen mij gezegd dat ik groot gelijk had, want als hij terugkeek op zijn gedrag aangaande Malta vond hij dat hij het anders had moeten aanpakken. Hij keek er niet goed op terug. Dat vond ik ook wel weer sterk, want dat hoor je niet zo vaak iemand zeggen. Dat je door voortschrijdend inzicht tot een ander standpunt komt. Ik kreeg die avond zelf wel meteen de volle laag van Afshin Ellian, hij maakte mij uit voor terrorist. Hij was heel boos op mij. En Eeltsje Hettinga was er ook niet blij mee, hij was boos omdat die actie van mij zoveel aandacht kreeg. Dat ging ten koste van waar het om zou moeten gaan.’

Het hele proces van LF2018, hoe kijk je daar nu op terug? In het begin, op die bijeenkomst voor de PvdA-leden in De Bres, april 2012 zei je: Doe dit niet. Stop ermee!

‘Ik heb ook wel opgeroepen tot een boycot (Huub lacht heel hard). Ja het was af en toe een opera, een soap. Je zou er ook een hele mooie film van  kunnen maken. Je moet het wel terugschakelen in de fase waarin het toen zat. Toen was het luchtfietserij voor een groot deel. Dat was ook in de fase dat men in Nederland veel aan het afbreken was, cultureel. Dat je dacht: wat gebeurt hier? Het was ook de tijd dat hier Parnas onderuit ging en dat er ook meer bezuinigingen plaatsvonden. In die fase dacht je: stoppen, inderdaad. Het is achteraf zo makkelijk er van alles over te zeggen. Maar je moet wel de situatie en het perspectief van toen erbij nemen. Het neemt ook niet weg dat je wel eens ambities mag hebben, dat dat Calimero-syndroom ook tot hele mooie dingen kan leiden.’

Maar zeg je nu achteraf: toch goed dat het is doorgezet en dat het gebeurd is?

‘Ik denk dat de balans uiteindelijk positief is. Je kunt allerlei op- en aanmerkingen maken, maar de balans is positief. Ik vind wel dat het productieklimaat hier niet van geprofiteerd heeft. Dat hadden ze duidelijker mee moeten nemen. Ook Anna Tilroe had makkelijk een Friese kunstenaar mee kunnen laten doen aan 11Fountains, bijvoorbeeld Buy en Groenewoud, die maken hetzelfde soort kunst bij wijze van spreken. Dan was het veel meer geïntegreerd geweest, als je dat had gedaan. Het oog voor het productieklimaat hier had van het begin af aan beter meegenomen moeten worden. Mensen schoten van links naar rechts in een heel wonderlijk leerproces. Er zat ook weinig continuïteit in. Het was vallen en opstaan. En met heel veel builen en harde lessen vooruit komen.’

Zie ook: huubmous.nl, onder meer 22 mei 2012 (naar aanleiding PvdA-bijeenkomst De Bres) en 12 juni 2012. En 15 mei 2018:

En De Volkskrant , artikel Anna van Es, 30 mei 2012. “Huub Mous, kunsthistoricus uit Leeuwarden: “Tegen het plan. ‘Dit is een marketingkalf zonder culturele inhoud’ ”

Reageren is niet mogelijk.