Het landschap, voorbij het landschap

‘Het in- of zelfs aanroepen van canon en identiteit heeft door alle nationaal- en regionaal-essentialistische bombast en bombarie van de laatste tijd, 
en door al die ‘zoektochten naar de identiteit van .. .’ iets potsierlijks gekregen, iets opdringerigs zelfs. Misschien moesten we het c- en het i-woord voorlopig maar even niet meer gebruiken. We kunnen heel goed zonder. Zolang mensen 
in een ruimte kunnen leven die voldoende aanleidingen biedt om vorm en inhoud te geven aan hun eigen levende cultuur, zolang blijven noties omtrent 
canon en identiteit in al hun vluchtigheid, veelduidigheid en terloopsheid 
vanzelf springlevend.‘

Aldus Rik Herngreen in zijn artikel De maakbaarheid van regionale identiteit, dat is opgenomen in de bundel Regionale identiteit, kunst en ruimtelijke planvorming (2006). Uit deze woorden spreekt een zekere vermoeidheid over het identiteitsdenken dat sinds de jaren negentig het discours over de ruimtelijke vormgeving van het landschap beheerst. De trend van het zoeken naar de eigen roots, naar een canon, naar het DNA van het landschap lijkt landelijk gezien al weer jaren geleden over zijn hoogtepunt heen, maar in Friesland bloeit dit denken als nooit te voren, en zeker bij de provinciale overheid en degenen die zij aan het werk zet. Wat moeten we met dat eindeloos gezeur over identiteit en landschap? Wie ligt hier eigenlijk wakker van? Toch niet dezelfde geïnstitutionaliseerde vrijgestelden die zich – goed bezoldigd – druk maken over het voortbestaan van de Friese taal? Wat gaat er eigenlijk verloren als het landschap verandert? Toch niet onze ziel? Wie het meest natuurlijke wil behouden, zal weldra merken dat – door dit streven alleen al –  het natuurlijke voorgoed verdwijnt.

Zo is het ook met het landschap. Je kunt je zelfs afvragen: bestaat het landschap eigenlijk nog wel? Een van de meest fascinerende effecten van de documentaireserie Nederland van boven, die  op televisie werd vertoond, was de gewaarwording dat er in Nederland vrijwel geen vrije natuur meer bestaat. Ondanks jarenlang beleid van de overheid om landbouwgrond terug te geven aan de natuur, lijkt van bovenaf gezien alles te veranderen in een mega-wandelpark voor pensionado’s en dagjesmensen. Ze fietsen rond op elektrische fietsen of joggen op paden door eenzame heidevelden. Alleen de meeuwen trekken zich er niets van aan. Zij vliegen vrijelijk heen en weer boven stad en land van Texel naar de Dam in Amsterdam, waar ze een patatje eten dat op de grond is gevallen, om vervolgens hun tocht te hernemen naar een booreiland voor de kunst van IJmuiden. Van boven af gezien is het Nederlandse landschap een miniatuurpark geworden. Keurig aangeharkt. Zelfs het enige stukje woeste natuur in de Oostvaardersplassen in de Flevopolder is door mensenhanden gemaakt, omdat men hier op onnatuurlijke wijze juist niets heeft gedaan, waar – na de drooglegging van de bodem – de cultivering van het landschap het meest ‘natuurlijke’ was geweest.

Geredenaturaliseerde beken

Die voortdurende omkering van natuur- en cultuurlandschap is kenmerkend voor Nederland.  De gehele buitenruimte wordt zo ondertussen een kunstmatig landschap, waar niet alleen de grenzen tussen stedelijke en natuurlijke ruimte steeds meer vervagen, maar ook het landschapsbeheer een voor buitenstaanders onbegrijpelijke agenda heeft gekregen. Meanderende beken die eerst met een liniaal zijn rechtgemaakt, worden nu weer voorzien van natuurlijke bochten. In vakjargon heet zoiets: ‘geredenaturaliseerde beken.’ Gebieden, die door de ruilverkaveling van natuurlijke begrenzingen waren beroofd, krijgen weer hun onderliggende structuur terug. We leven in parken in de stad, maar ook het  landschap daarbuiten wordt steeds meer een park-landschap dat op kunstmatige wijze een natuurlijk aanzien heeft gekregen.

Niet alleen in de stedelijke ruimte, ook in het landschap wordt tegenwoordig aandacht besteed aan een adequate omgevingsvormgeving geënt op historische structuren. Deze nieuwe, meer organisch geaarde visies kwamen in de afgelopen decennia steeds nadrukkelijker naar voren in de opeenvolgende, landelijke nota’s voor ruimtelijke ordening. Bovendien kwam in de jaren negentig  een nieuwe visie op het landschap aan het licht in de beleidsmissie gericht op bescherming en behoud van cultuurhistorische waarden. Beide ontwikkelingen raakten in een convergerend proces verwikkeld. De ruimtelijke ordening werd voortaan  beschreven als een geïntegreerde benadering vanuit verschillende disciplines als economie, sociologie, ecologie, geografie en cultuur(behoud).

De totstandkoming van de kwaliteit van de ruimte werd voortaan gezien als een culturele opgave, dat wil zeggen: het landschap werd een complex-dynamisch systeem dat in feite een creatief proces in de tijd is. Maar al die mooie woorden hebben er uiteindelijk toe geleid dat de ruimtelijke ordening failliet is verklaard. We zijn weer teug bij af. De ruimte is weer aan zijn eigen lotsbestemming overgelaten en sinds staatssecretaris enk Bleker is de landbouwlobby een succesvolle reconquista begonnen tegen het doorgeschoten beleid van natuurbeschermers en planologen. Het neoliberale no nonsense beleid heeft elke herinnering aan de penetrante geur van geitenwollen sokken uiteindelijk kunnen verdrijven. Maar ondertussen blijft de vraag overeind: bestaat er in ons land eigenlijk nog wel zoiets als ‘het landschap’?

Verloren toekomstbeelden

Adriaan Geuze constateerde onlangs dat de ruimtelijke ordening in Nederland geen ideaalbeelden meer kent die dit land nog echt aantrekkelijk kunnen maken. Nederland is van oudsher ‘een kunstmatig gemaakt land’, maar de idealen van de makers zijn we vergeten. De voortvarendheid waarmee Ir. Lely destijds de Zuiderzeewerken ter hand nam, de radicaliteit van de Deltawerken en de doortastendheid bij de sanering van de voormalige mijnstreek gingen gepaard met visie en ondernemingszin. ‘Veranderen om te behouden’ betekent daarentegen vooral ‘pappen en nathouden’. Vlees noch vis dus. De verbeeldingskracht wordt op deze manier het kind van de rekening. Angst voor de toekomst vormt een belangrijk obstakel om nieuwe ideaalbeelden te creëren. Het platteland heeft een deel van zijn vertrouwde karakter verloren, omdat boeren hun bedrijven zijn gaan beschouwen als industrie-complexen. Maar het zijn de weggevluchte stedelingen en de rentenierende pensionado’s die in de nog resterende ruimte met een open horizon een soort Arcadië herkennen, een denkbeeldig oord uit een ver verleden, waar ook veel Friezen hevig naar terug verlangen.

In die spagaat lijkt ook het denken over de ruimtelijke ordening in Friesland gevangen te zitten. Tussen heimwee naar een verdwenen Arcadië en een gebrek aan nieuwe ideaalbeelden voor de toekomst.  Die twee polen keren telkens weer terug. Ze komen tot uiting in de tweeslachtige houding ten aanzien van radicale landschappelijke ingrepen uit het verleden, zoals bijvoorbeeld de Afsluitdijk.  Maar ze keren ook terug in een behoedzaam integreren van planologie, kunst en architectuur, zoals dat te herkennen valt bij tot stand komen van het Museum Belvédère in Oranjewoud. In beide voorbeelden spelen elementen mee als identiteit, volksaard en de beleving van het eigene. De planologie lijkt steeds meer in de greep te komen van het herkennen, behouden, bevestigen en actualiseren van de eigen nationale, c.q. Friese identiteit.

De aandacht voor het arcadische landschap als romantisch mijmergoed en ontspanningsdomein voor Mien met de Banjo en Jo met de mandoline, heeft plaatsgemaakt voor een doorgefokt territorium voor de nostalgie. Het arcadisch landschap is het onnatuurlijke tegenwicht voor de vervreemding van de vooruitgang. In de jaren zestig bestond er dan ook geen arcadisch landschap. Voor zover men bezorgd was over de totale cultivering van de ruimte, werd die zorg destijds niet door beleidsmakers geuit, maar door kunstenaars.

De nulgraad van het landschap

Land art is een fenomeen van de jaren zestig en zeventig, toen het maakbaarheidsoptimisme hoogtij vierde. Toch is die ideologische analogie tussen land art en maakbaarheid maar schijn. Vele land art kunstenaars uit die tijd maakten zich juist grote zorgen over de totale cultivering van het landschap. Het meest bekend is Joseph Beuys geworden die in 1982 in de Kassel en omgeving 7000 eiken liet planten. Louis Le Roy was een ‘anti-utopisch utopist’, die zich met zijn eigen adagium van ecologische maakbaarheid verzette tegen het totaal gecultiveerde landschap, waarin ook de mens zelf totaal werd uitgeschakeld. Maar het meest radicaal wellicht was de Canadese kunstenaar Michael Snow, die in 1971 vijf dagen doorbracht op de top van een verlaten berg in North Quebec.

Daar maakte hij een film La region centrale  die werd opgenomen door een zelfgebouwde robotcamera. Drie uur lang maakte deze robot – met de meest wonderlijke at random bewegingen van de camera – elke mogelijke opname van het berglandschap.  Deze blik op het landschap was in feite een radicaal verzet tegen de vensterblik die sinds de renaissance onze kijk op het landschap heeft bepaald. Geen enkele conventie of aangeleerde code beïnvloedde de opname van de rondslingerende camera.  De schoonheid die zo ontstond was wars van elke esthetische traditie. Het landschap werd bevrijd ban onze gecultiveerde blik. En zo werd plotseling duidelijk dat het landschap niet buiten ons bestaat, maar in onszelf aanwezig is. Het landschap zit in het cultureel-historische format, waarmee we de wereld buiten ons waarnemen. Als toelichting op zijn project verklaarde Snow:

‘I recorded the visit of some of our minds and machinery to a wild place, but I did’t colonise it, enslave it. I hardly even borrowed it. I feel horror at the thought of the humanizing of the total planet.’ 

Toch kun je je afvragen of die onderneming uiteindelijk is gelukt. Snow was op zoek naar de nulgraad van het landschap, door elke vorm van menselijke subjectiviteit uit te sluiten. Toch staat zijn onderneming inmiddels in alle handboeken over land art. Ondanks zijn radicale verzet tegen de kolonisering van het landschap, heeft Snow niet kunnen voorkomen dat zijn daad inmiddels esthetisch volledig geïntegreerd in is in de canon van de moderne kunst. Zijn daad is even iconisch als de eerste  esthetische beschrijving van het landschap, die Petrarca op de top van de Mont Ventoux heeft verricht. Door aan de esthetica van het landschap te ontsnappen is Snow bij het andere uiterste uitgekomen: de de-esthetisering van het landschap. Een proces dat in even esthetisch is. Zoals ook het weer krom maken van ooit recht gemaakte meanderende beek een proces is dat in zijn eigen staart bijt. Wij kunnen niet aan het landschap ontkomen. Het landschap blijft bestaan, zelfs als het niet meer bestaat. De esthetica kruipt waar ze niet gaan kan, ook als de kunst zichzelf denkt op te heffen.

In 2005, een kwart eeuw na de productie van de film La region centrale van Michael Snow, werd de Portugese mediakunstenaar José Miguel Biscaya uitgenodigd om in het kader van het Media Art Festival een project uit te voeren in het Friese landschap. Biscaya koos ervoor on een videocamera te monteren op een van de wieken van een windturbine aan de waddenzeekust.  Zo  draaide zijn camera een paar uur lang 360 graden in het rond, waardoor een fascinerende kijk op het Friese landschap ontstond. Je zag Friesland van boven, zoals het nog nooit is waargenomen. Los van elke conventie en elke esthetische code. Maar het resultaat was in al zijn objectiviteit en conceptualiteit ontegenzeggelijk esthetisch. Hoever je de grenzen ook verlegt, de geest van de esthetica waait waarheen hij wil. Zoals een dode God blijft voortbestaan, is er nog altijd een landschap, zelfs voorbij het landschap.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)