Jonger dan gisteren

In de zomer van 1966 was ik voor het eerst in Rome. Vorige week was ik er weer.  Ietsje ouder dan toen, maar toch ook jonger dan gisteren. De tijd vliegt maar keert soms ook op zijn vroegere schreden terug, waardoor alles in een ander licht komt te staan. Toen ik jaren geleden een rondreis maakte door Spanje, zag ik in elke hotelkamer een kruisbeeld en een tv aan de muur. Christus en CNN zijn overal. Zet de knop maar aan en je hoort de plechtstatige toon van de nieuwe Verlosser. De nieuwslezers spreken ons toe met de vrome ernst van een priester met zijn mysterie van brood en wijn, lichaam en bloed van Christus. Het journaal is een sacrament, een consecratie. Dit is het mysterie van een nieuw soort geloof.

De mens wordt een machine. Geschiedenis wordt theater. Dood wordt glamour. Nieuws wordt religie. Het beeld is niet meer een afbeelding van de werkelijkheid, maar een poging om werkelijkheid opnieuw te construeren en zo mogelijk te overstijgen. Het woord is beeld geworden en leeft onder ons. Dat wil zeggen: live op tv en ander wel in onze eigen bubble op internet.  Alles zit in het complot, zelfs de de muze heeft gecapituleerd. Kunst heeft het domein van verzet en kritiek al lang geleden verlaten. In plaats daarvan verheerlijkt de kunst de overgave en exalteert zij de geestloosheid. In de hemel heerst een oorverdovende stilte, als in het graf van een Egyptische zonnegod.  

Naast de verdovende triomf van het religieuze spektakel keert ook het oude geloof weer terug. De wedergeboorte van de godsdienst in het post-metafysische tijdperk is meer dan een misverstand, zo beweert de Italiaanse filosoof Gianni Vattimo in zijn boek Het woord is geest geworden (2002). Dat misverstand wordt begrijpelijk als we de diepe verwantschap onder ogen zien tussen de westerse religieuze traditie en het Heideggiaanse denken van het Zijn als ‘een gebeuren en een verzwakking’. Het herkennen van deze verwantschap biedt de filosofie een basis voor een kritische reflectie op de vormen die ‘het heilige’ vandaag aanneemt. Secularisatie is niet de ondergang van het christelijk geloof, maar juist het gevolg daarvan.

Er zit een wonderlijke overeenkomst tussen de hedendaagse mediamaatschappij en het traditionele christendom. Media absorberen de mens in een toestand van passiviteit en overgave, zoals ooit de christelijke religie het beste uit de mens heeft opgezogen. De economie is geen aparte categorie meer, maar doordringt alle levenssferen. Zelfs het domein van de vrije tijd wordt gekoloniseerd door de grote Moloch. Het individu is afgesloten van een geheel dat hem tegelijk volledig verdooft. Het spektakel is de illusoire éénheid van een totaal gefragmenteerde samenleving.

Die paradox heeft iets religieus. De wereld versplintert en wordt één. Wij zijn in de media, de media zijn in ons. In die woorden herhaalt zich het patroon van het ‘mystieke lichaam van Christus’, anders gezegd: in de totalitaire baarmoeder, waarin de mondiale geloofsgemeenschap zich eeuwenlang heeft verenigd. Tegenwoordig verenigt de mondiale geloofsgemeenschap zich in het ‘breaking news’ van CNN. ‘Neem en eet, want dit is mijn lichaam’. Dat is nu: ‘Kijk tv, want dit is het wereldnieuws’.

De paulinische ‘ontlediging’ (kenosis) van God in de mens voltrekt zich opnieuw in de verschijning van het heilige in de moderne leegte. Deze ontheiligde wereld wordt opnieuw Gods lichaam. God incarneert zich in de leegte van de moderniteit. Zo zou de dood van de metafysische God juist nieuwe ruimtes voor het geloof hebben geschapen. Met andere woorden: ‘De God is dood’-theologie is nog niet voltooid. De secularisatie moet opnieuw worden geïnterpreteerd als de plaats waar de transcendentie van God zich openbaart.

In dit post-heideggeriaanse spoor van het denken bewegen zich tegenwoordig meerdere filosofen. Het doel van hun onderneming kan een restauratiepoging van de religie zijn, maar ook omgekeerd: de herinterpretatie van de moderniteit in traditioneel religieuze termen. Dit soort denken kan voortkomen uit een radicale vorm van cultuurkritiek, maar ook uit een behoefte aan nieuw soort goddeloze theologie. Die twee intenties lijken behoorlijk met elkaar in strijd en toch zijn ze ook ergens verwant. Als de nood het hoogst is, is de redding nabij. Het is alles of niets, de dood of de gladiolen. Of zoals Heidegger zei in een interview uit 1966 – het jaar dat ik voor het eerst in Rome was – en dat pas na zijn dood in 1976 werd gepubliceerd:

‘Alleen een God kan ons nog redden. Ons blijft de enige mogelijkheid om in het denken en dichten een ontvankelijkheid voor te bereiden voor de verschijning van een God of voor de afwezigheid van een God in de ondergang. Dat we voor het aangezicht van een afwezige God ondergaan.’

De mens wordt een machine. En toch, goden sterven, maar de mens leeft voort. God is het geloof in God, meer niet. Een mens is maar een mens, maar hij wordt wel ouder en ouder. Ik ben inmiddels tientallen jaren ouder ouder geworden…., maar steeds ook weer jonger dan gisteren.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)