Tussen verzet en overgave

George Frederic Watts (1817-1904), Orpheus  and Eurydice

Het vonnis: dat hij deze vrouw moest missen,
Werd zeer verzacht, doordat hij uit de hel
Haar zonder om te kijken halen mocht.

Hij ging haar voor, al spelend op zijn tocht,
En keek tòch om, om zich te vergewissen
Van haar bewond’ring voor zijn snarenspel.

Aldus Simon Vestdijk in zijn gedicht Orpheus en Eurydice dat hij schreef in het Sint Michielsgestel waar hij als gijzelaar verbleef in de oorlog en waar ook zijn eerste ideeën ontstonden voor zijn boek De toekomst der religie. Wat had Vestdijk met dit gedicht willen zeggen? Het was niet de rouw van Orpheus, die Vestdijk gefascineerd had. Eerder de ijdelheid van de kunstenaar die zijn kunst had ingeruild voor de liefde van een vrouw, waardoor hij zijn lier uiteindelijk aan de wilgen had gehangen. Zo wordt duidelijk in de eerste strofen van het gedicht: 

Toen hem de steenen en de wilde dieren
Verveelden met hun schorre loftrompet,
Wou hij een vrouw met zijn gezang bestieren
En ruilde de natuur voor ’t bruiloftsbed

Zijn nieuwe liefde won het van de lier en
Wanneer hij speelde, – zelden, – was het met
Die ijd’le acht’loosheid bij ’t feesten vieren,
Waar noob’ler kunst het bloeien wordt belet.

Orpheus beroemd om zijn gezang, had het plan bedacht om naar de onderwereld af te dalen, om daar Hades, de god van de onderwereld, te smeken of hij zijn geliefde Eurydice, die kort daarvoor overleden was, aan hem terug wilde geven. Orpheus pakte zijn lier, daalde af in de diepte en begon te zingen. Toen gebeurde er iets wonderlijks. De schimmen van de doden luisterden als betoverd naar het gezang van Orpheus. Tantalus vergat voor even zijn eeuwige kwelling en hield op voorover te buigen naar het terugwijkende water. Sisyphus staakte zijn zware arbeid en ging op de steen zitten die hij telkens weer de berg op moest rollen. Ook Hades was ontroerd en besloot dat Orpheus zich weer met Eurydice mocht verenigen. Maar wel op één voorwaarde. Hij mocht niet omkijken voor ze het licht hadden bereikt.

Zo liepen ze achter elkaar naar boven. Orpheus zong en Eurydice zweeg. Orpheus vertrouwde het niet, onderbrak zijn lied en vroeg aan Eurydice: “Gaat alles goed Eurydice? Ach, ik heb je zo gemist!” Eurydice antwoordde niet. Orpheus vroeg zich af of het werkelijk waar was dat ze achter hem liep. Hij keek om. En opeens zag hij dat hij een verschrikkelijke fout had gemaakt. Eurydice was wel degelijk met hem mee gekomen. Overmand door verdriet keerde Orpheus terug naar de aarde om daar zijn leven als weduwnaar te hernemen.

***

Al weer drie jaar geleden kwam ik op het idee dat ik mijn geliefde al schrijvend terug kon halen uit de dood. Die illusie had iets weg van de mythe van Orpheus en Eurydice. Het was een onmogelijke zoektocht van de geest die in rouw was ondergedompeld. Onmogelijk, want vroeg of laat komt er een moment dat ik me zou moeten neerleggen bij de onherroepelijke waarheid. Mijn geliefde  was dood en zou nooit meer tot leven komen. Misschien was dat tragisch besef wel de omkering van Orpheus, waardoor Eurydice hem voorgoed was ontglipt. Die omkering staat voor het keerpunt dat zich vroeg of laat aandient in elk rouwproces. Wanhoop slaat dan om in aanvaarding. Opstand in overgave.

Dat moment van acceptatie was voor mij nog ver weg. Ik wilde hij het alsnog proberen, tegen beter weten in. Ik besloot in real time te gaan schrijven, als een verslag van binnenuit van een proces dat zich voltrok vanuit de situatie die zich nog maar net had voorgedaan, met alle gevoelsverwarring die daar bij hoort. Het schrijven over mijn dode geliefde zou dan onderdeel worden van de worsteling, en omgekeerd. De aanvaarding van haar dood was voor mij onmogelijk, terwijl het geloof mij vroeger geleerd had de dood te aanvaarden. Maar ook het geloof was voor mij al lange tijd ver weg.

Ik was weer begonnen Camus te lezen, met wie ik ooit volwassen werd en door wie hij juist van mijn geloof was afgevallen.  Camus had mij geleerd het leven te aanvaarden zoals het is. Een mens diende niet de sprong te maken naar een geloof in een leven hierna. Maar was de weigering om daarin te geloven niet even absurd als het geloof zelf? Als de liefde voor het leven leidde tot een opstand tegen de dood, was dan het geloof in de liefde niet ook een vorm van geloof?

In zijn boek De mythe van Sisyphus schrijft Albert Camus :‘Leven is het absurde doen leven. Het doen leven is voor alles het beschouwen. In tegenstelling tot Eurydice sterft het absurde slechts wanneer men het de rug toekeert.’ Voor Camus was de dood het absurde bij uitstek. De kunst was voor hem de enige mogelijkheid om het bewustzijn te bewaren en daar zijn ervaringen in te verwerken.

‘Liefde is een wederzijdse omsluiting die de grens van de dood overschrijdt.’ Die gedachte speelde mij bij  het schrijven door het hoofd. Een onmogelijke gedachte natuurlijk. Het zou alleen mogelijk zijn door een metafysica te veronderstellen waarin de ultieme grens van de dood niet bestaat. Maar daarmee gaat de mens zijn boekje te buiten. Hij overschrijdt de grens die door het heldere denken is gesteld. Zo zou Albert Camus het formuleren. De metafysische werkhypothese die de grens van de dood ontkent is een sprong naar het onmogelijke, waarmee de mens het terrein van de mens verlaat.

Toch spreekt Camus in zijn boek De mens in opstand ook over de metafysische opstand. Dat is een revolte waarin de mens zich keert tegen de situatie waarin hij als mens verkeert. Hij verlangt naar de eenheid van alles, maar moet zich schikken in een gebroken bestaan. Er zit een barst in alles. De eenheid waarnaar de mens verlangt is niet mogelijk in deze wereld, waar het kwaad een noodzaak is, gerechtigheid niet bestaat en waar mensen almaar ziek worden, lijden en sterven. Het metafysisch verzet keert zich tegen alles wat zin en betekenis zou kunnen geven aan dit gebroken bestaan. In de metafysische opstand weigert de mens de dood te aanvaarden en daarmee ook de macht waardoor hem dit lot beschoren is. De metafysische opstand ontkent God en komt tegelijk tegen hem in opstand. Hoe kan dat?

Voor de Griekse denkers van de Oudheid zou dit een onmogelijkheid zijn. De mens kan zich niet tegen de macht van de natuur verzetten, want dan zou hij in opstand komen tegen zichzelf. Hij kan in opstand komen tegen een god tussen andere goden, zoals Prometheus in opstand kwam tegen Zeus. Maar een mens kan niet tegen de enige en ware God in opstand komen, zo die ene en ware God al zou bestaan. De metafysische opstand van Camus is dan ook geen ontkenning van God, maar een aanklacht tegen het idee van een monotheïstische God. Het is een schreeuw om gerechtigheid uit naam van alle mensen. Maar tegen wie is die schreeuw dan gericht? Deze opstand ontkent de God van anderen, en vooral de God van de christenen. Het waren immers de christenen die de metafysische opstand uiteindelijk mogelijk hebben gemaakt.

Het christendom heeft gemeend het wrede, monotheïstische godsbeeld van de Joden te kunnen verzachten door een middelaar in het leven te roepen. De gedachte dat Christus tegelijk een goddelijke en een menselijke natuur had, zou het probleem van het lijden en de dood hebben opgelost. Tegenover de wrede en na-ijverige God van het Oude Testament stond nu de God van de liefde die zijn Zoon offert en daarmee de verlossing mogelijk maakt. In plaats van de metafysische opstand predikt het christendom de metafysische berusting, met name als het gaat om de dood. De hoop op een eeuwig leven na de dood maakte het lijden voor de mens draaglijk.

Zo ontstond een metafysisch systeem van troost. Toen de wederkomst van Christus uitbleef, werd het christendom beschouwelijk en speculatief.  Men bouwde een bovenwereld en vergoddelijkte die ene mens die de liefde op aarde had gepredikt. Dat ging goed totdat het rationalisme de notie van de goddelijkheid van Christus onmogelijk maakte. Daarmee kwam de wrede God weer tevoorschijn achter een gordijn van vrome illusies.

In deze gedachtegang van Camus klinkt het schelle geluid op van een ongenaakbare waarheid. En toch, waarom bleef ik dan zo intens verlangen naar het onmogelijke? Waarom bleef mijn hoop bestaan dat alles ooit nog eens goed komt? Zou ik door mijn intuïtie te volgen het terrein van de mens kunnen verlaten?

‘In het licht van het klare denken blijft de wereld onze eerste en onze laatste liefde,’ zo schrijft Camus. Maar wat betekenen deze woorden in het aangezicht van de dood? Camus spreekt over de juiste maat die de opstandige mens in acht moet nemen. Maar gaat dit ook op voor de liefde? Is het niet juist de liefde die zich per definitie uitlevert aan mateloosheid ? Als het niet meer mogelijk zou zijn om in een God te geloven, dan zou je toch op zijn minst moeten kunnen geloven in een geliefde, ook als zij niet meer in leven is? Waarom bleef die ene onmogelijke gedachte nog altijd spoken door mijn hoofd ?

In La Peste van Camus komt een gesprek voor tussen een priester en een arts. Nadat dokter Rieux en de priester Paneloux aanwezig zijn geweest bij het sterfbed van een kind dat aan de epidemie is bezweken, is dokter Rieux uitgevaren tegen pater Paneloux. Als deze hem later op een bankje in de stad ziet, vraagt hij: ‘Waarom moest u zo boos tegen mij spreken? Ook voor mij was deze aanblik niet te aanvaarden? Rieux antwoordt dan het volgende:

‘Dat is waar. Vergeef me. Maar mijn moeheid maakt me gek. En er zijn uren in deze stad, dat ik alleen nog mijn opstandigheid voel.’ ‘Dat begrijp ik,’ mompelde Paneloux. ‘Het verontwaardigt ons, omdat het onze maat te boven gaat. Maar misschien moeten wij houden van wat wij niet kunnen begrijpen.’ Rieux kwam met een schok overeind. Hij keek Paneloux aan met alle kracht en hartstocht waartoe hij in staat was en schudde zijn hoofd. ‘Nee, pater,’ zei hij. ‘Ik heb een ander idee van de liefde. En ik zal tot mijn dood weigeren te houden van deze schepping waarin kinderen worden gemarteld.’

Dat is de ultieme botsing tussen aanvaarding en opstandigheid. De priester Paneloux had geprobeerd een verklaring te vinden voor al het leed dat over de stad was gekomen. Hij kon heel goed preken en hoopte met zijn woorden de mensen nieuwe moed te geven door te wijzen op een toekomstig leven. Een mens kan het kwaad dat hem overkomt niet begrijpen en de dood al helemaal niet. Maar er is een God die ons de weg wijst naar aanvaarding en berusting. In de grote kathedraal van de stad hield Paneloux twee preken. De tweede preek is duidelijk anders dan de eerste. Ook Paneloux verandert door het aanhoudende lijden van de mensen waarvan hij getuige moet zijn.

In de eerste preek had Paneloux de pest nog afgeschilderd als een straf van God voor de zonden die door de mensen waren begaan. De pest zou hen de gelegenheid bieden om zich alsnog te bekeren. Het kwaad en de dood zouden daarmee zin en betekenis hebben. Maar daarmee had Paneloux het lijden en de dood teruggebracht tot een abstractie. Dokter Rieux kon dat niet. Hij had bij heel wat mensen aan het sterfbed gestaan en hun zien worstelen met hun laatste adem. Ziekte en leed kunnen een mens milder maken, maar wie met eigen ogen de ellende ziet die een naderende dood met zich mee kan brengen, zal het niet niet in zijn hoofd halen om hierin te berusten, laat staan hier een zin of betekenis aan te hechten.

Ook de priester Paneloux is uiteindelijk aanwezig bij de doodstrijd van een kind. De wereld die hij met zijn godsgeloof had opgebouwd stort dan ineen. Zolang hij het kwaad nog als een abstractie kon zien was alles nog te hanteren, maar met de verschrikking van dit sterfbed voor ogen lukt dat niet meer. De tweede preek van Paneloux gaat niet langer over de pest als een wrake Gods, maar over de onbevattelijkheid van het geloof. Het schandaal van de dood zal door de mens moeten worden aanvaard, ook al weigert het verstand om dit te doen.

Ook Paneloux komt tenslotte te overlijden als slachtoffer van de pest. Hij sterft na alle medische hulp te hebben geweigerd, wanhopig zich vastklampend aan een halsstarrig geloof waarin hij het vermogen miste om in opstand te komen. Zijn geloof zonder opstand was een geloof geweest zonder liefde. Geloof is onlosmakelijk verbonden met hoop. Maar de liefde is meer dan beide. Zij is onlosmakelijk verbonden met opstandigheid. Geloof of ongeloof, wat maakt het uit? De scheidslijn is de liefde die beide verbindt als de kustlijn tussen land en zee. De christelijke naastenliefde en de liefde tot God ontstonden primair uit deemoed, overgave en zelfverloochening, kortom, uit het vertrouwen dat God zelf zich als liefde in de wereld geopenbaard heeft. Wie dat geloofde gaf zijn hart weg, maar nam daarmee nog geen levensverzekering voor een leven in een hiernamaals.

Maar hoe zat het dan precies met Orpheus, zo vroeg ik mij af.  In die mythe draaide het bij uitstek om opstand en overgave. Terugziend op mijn leven met mijn geliefde  bedacht ik dat de herinnering aan de liefde ongrijpbaar is. Ook het geheugen was als  de mythe van Orpheus die zijn geliefde Eurydice niet te zien krijgt. Hij moet haar verbeelden, haar sublimeren tot een transcendente gestalte. Haar gestalte onthulde zich pas, toen Orpheus zich afkeerde van de directe aanschouwing. Je zou dat de transcendentie van de verbeelding kunnen noemen. De geliefde komt pas tot leven door haar levende verschijning te negeren. Wie is overgeleverd aan de rouw en tegelijk toegeeft aan de verleiding om zich geheel om te keren naar het verleden, ziet het beeld van zijn geliefde voor zijn ogen verpulveren. Betekenis ontstaat pas, als iets voorgoed voorbij is. Pas als we ons van onze geliefde moeten scheiden, ontdekken we wat hij of zij voor ons betekend heeft. Er is meer ruimte in een gebroken hart. 

Reageren is niet mogelijk.