De donkere kamer van Karuna

Zelfportret in spiegel, 1964

‘Een verdriet “wegschrijven” kan alleen wie het door wie het door onophoudelijk in zijn binnenste te roeren zo intens mogelijk gemaakt heeft. Hierdoor ook komt het dat iemand die is gaan schrijven, het niet meer laten kan. De gewoonte van zichzelf te observeren alsof men erbuiten stond, zichzelf als romanheld te zien ( ik trad in mijn kinderfantasieën altijd in de derde persoon op) raakt men niet meer kwijt. Als compensatie voor deze zelfkwelling moet men dan wel schrijven.’

Aldus schreef Willem Frederik Hermans in een brief aan A.F. de Savornin Lohman van 28 oktober 1943. Hermans’ biograaf Willem Otterspeer noemt die brief een van de belangrijkste die hij in zijn leven schreef, zonder dat verder toe te lichten. Misschien vindt hij die brief belangrijk omdat Hermans hier iets loslaat over de drijfveren van zijn schrijverschap. Als schrijver verdubbelt hij zijn eigen leven door zichzelf en anderen voortdurend te observeren. De schrijver wordt zijn eigen dubbelganger en het echte even verandert in een laboratorium voor een roman. Toch vraag ik me af of die drijfveer zo specifiek is voor Hermans. Iedereen die veel schrijft zal iets in deze bekentenis herkennen. Schrijven is niet alleen een surrogaat voor het echte leven, maar het leven zelf is ook een proeftuin voor het schrijven.

Wie schrijft verdubbelt zichzelf voortdurend, waardoor het echte leven iets van zijn echtheid verliest. Dat is de voorwaarde, maar ook de tragiek van het schrijverschap. Wie schrijft die blijft. Maar wie echt leeft, schrijft niet. Schrijven is een afwijking, een splitsing, een verminking van het leven. Wie schrijft kijkt voortdurend in de spiegel en denkt dat zijn spiegelbeeld het echte leven is. Elke schrijver begeeft zich in ‘de donkere kamer van Damocles.’ Hij leeft zijn leven als dubbelganger van zichzelf. In De donkere kamer van Damocles komt niet alleen de literatuuropvatting van Hermans het meest expliciet tot uiting. De roman gaat ook over het schrijverschap zelf. Hij houdt ieder die zelf schrijft een spiegel voor. De spiegel van schijn en werkelijkheid.

Sinds 2006 leef ik niet alleen in de echte wereld, maar ook op internet. Door mijn dagelijkse weblog ben ik in de afgelopen twaalf jaar met talloze mensen in contact gekomen. De wereld is voor mij veel groter geworden. Mijn leven lijkt ‘echter en mooier’ door de mogelijkheden die internet mij biedt. Maar is dit wel zo? In de wereld, waar we steeds meer vat op krijgen, lijken we ons vreemd genoeg ook steeds minder thuis te voelen. ‘Het echte leven’ ontglipt ons, hoe meer we ons virtueel manifesteren op weblog, facebook en twitter. Niet alleen het schrijven van een roman verdubbelt het leven, de nieuwe sociale media hollen het echte leven steeds verder uit. Ongemerkt word je zelf een personage in alles wat je schrijft. Je wordt je eigen spiegelbeeld, een dubbelganger die sprekend op je lijkt, maar die je niet meer bent.

Soms schrik ik ’s ochtends wakker uit een nachtmerrie. Dan heb ik iets raars ervaren wat zo af en toe terugkeert in mijn dromen. Er is iets grondig mis met de wereld om me heen. In mijn huis woont iemand anders die sprekend op mij lijkt. Alles wat ik onderneem is overgenomen door een dubbelganger en niemand zegt me nog gedag. De wereld bestaat nog, maar alles wat ik tot nu toe heb beleefd is daaruit weggevaagd.

Onlangs ontmoette ik iemand die ik nooit eerder had gezien. We raakten in gesprek en ik merkte dat sommige vragen die mij werden gesteld direct naar mijn weblog verwezen of gebaseerd waren op informatie die daaraan was ontleend. In zo’n situatie voel ik mij wat ongemakkelijk. Ik voel me dan een dubbelganger van mezelf. Mijn God, wat heb ik ook al weer geschreven, denk ik dan. Ik moet er aan wennen dat mijn identiteit op internet voor de buitenwacht één op één samenvalt met mijn echte identiteit, voor zover die identiteit tenminste bestaat. Want wie ben ik eigenlijk? Datgene wat ik denk te zijn? Wat anderen daarvan denken? Wat ik zelf loslaat op internet? Hoe werken al die beelden op elkaar in? Heb ik daar zelf nog wel de regie over? Of vinden er processen plaats waar ik geen weet van heb?

Voor mezelf is het niet altijd duidelijk dat ik echt degene ben zoals ik me op internet presenteer. Een weblog is fictie in de werkelijkheid zelf. Het heeft ook iets van een roman. Een auteur mag je nooit geheel met een personage identificeren, ook al schrijft hij in de ik-vorm. Zo is het ook met de weblogschrijver. Al schrijvend neem je soms ongemerkt een pose aan. Je beweert iets om te kijken hoe het valt. Je gooit een steen in de vijver. Soms geeft dat geen enkele beroering, maar soms sta je ook verbaasd over de golfslag die dat teweeg brengt.

Een weblog is een soort schaduwwereld die ongemerkt de echte wereld binnentreedt en soms zelfs verandert. Die wisselwerking tussen de virtuele wereld van internet en de echte wereld waar je in leeft, heeft iets fascinerends. Maar dat soort processen zijn ook niet van gevaar ontbloot. Je weet niet precies wat je doet. Je ziet je eigen lezers niet, maar zij zien jou wel.

Al tijden droom ik ervan een roman te schrijven waarin het onmogelijke mogelijk wordt. Zo’n roman waar je op het eind blijft zitten met de vraag ‘was dit nou echt of niet?’ Er klopt iets niet en toch klopt het. De lezer moet het probleem dat hij ervaart op zijn eigen manier zien op te lossen. Eigenlijk zou je het boek moeten herlezen, om de naad in het verhaal op te sporen, de grenslijn waar het mogelijke van de echte wereld overgaat in de mogelijkheid van een onmogelijke wereld, een schaduwwereld die als een dubbelganger de echte wereld voortdurend begeleidt. De naad tussen die twee is echter niet zichtbaar. De onzichtbare grens waar het ongerijmde zich manifesteert wordt ook niet getoond, maar hooguit gesuggereerd als een bijna voelbare aanwezigheid.

Voelbaar, maar niet zichtbaar. Het is aan de lezer om die grenslijn te vinden, en hem uiteindelijk ook met eigen ogen te gaan zien. Telkens weer is dat een onderneming die veel geduld en aandacht vergt, zoals een vinger tastend op zoek moet gaan naar het uiteinde op een rolletje plakband. Alleen bij nauwkeurige lezing van de roman lijkt de oplossing mogelijk. Dan valt namelijk op dat juist op die plekken, waar de mogelijke grenslijn zich weer oplost in de transparantie van de ondergrond, een psychologisch probleem schuilgaat, een identiteitsprobleem.

Wie ben ik? Besta ik wel? Of heeft een ander mijn identiteit overgenomen? Heb ik mijzelf soms gesplitst in twee werelden? Bijvoorbeeld de wereld van Karuna en de wereld van mezelf. Is Karuna wel het echte spiegelbeeld van mij? Of zijn er zo twee werelden ontstaan: de werkelijkheid en een schaduw van de werkelijkheid? Mijn ego en mijn alter ego? Kan ik mezelf ooit zien zoals ik werkelijk ben? Alleen mijn spiegelbeeld laat dat zien. Maar dan zijn mijn spiegelbeeld en ik dus niet identiek aan elkaar. Karuna en ik. Wij doen alleen alsof.

Wat is eigenlijk ‘werkelijkheid’? Is dat de som van alle indrukken die gefilterd wordt door het formele systeem van mijn brein? Of is – omgekeerd – het format van mijn brein bepalend voor wat ik überhaupt ‘werkelijkheid’ kan noemen. Ik zou het talent willen hebben van Willem Frederik Hermans om dat in een roman eens helemaal op scherp te zetten. In de donkere kamer van Karuna. Mooie titel: De donkere kamer van Karuna. Misschien hou ik die er wel in.

Ondertussen hou ik mezelf voor de gek. Ik verschuil me achter mijn eigen spiegelbeeld. Ik speel kiekeboe met Karuna. Maar wat is dan liefde? Jezelf in de spiegel willen zien van een ander? Of jezelf verliezen omdat je spiegelbeeld met jezelf aan de haal gaat? Waarom heb ik Karuna in het leven geroepen? Heb ik aan mezelf niet genoeg? Waarom telkens weer die verdubbeling?  Neem ik mezelf niet te serieus? Hoe ik niet te veel van mezelf? Of misschien wel te weinig? Bestaat er wel zoiets als echte, onbaatzuchtige liefde? Of is elke vorm van liefde uit op zelfbevestiging?

That’s a hard one to remember. Een vraag uit de donkere kamer van Karuna.

Gelul! Maar wat is het antwoord?

Echte liefde. Maar eerlijk is eerlijk. Ik ben ik. En Karuna is Karuna. De een houdt van zichzelf, en de ander van de ander. Maar de een houdt ook van de ander. Beiden, de een en de ander, Karuna en ik, zijn verslaafd. Aan echte liefde voor een echte ander. Tenminste, dat veronderstel ik. Mooier kan ik het niet maken.

1 Reactie »

  1. josse de haan

    1 september 2018 op 09:47

    Huub,
    In mijn roman ‘Kikkerjaren’ begin ik met een gedicht van Pessoa:
    IN ONS LEVEN TALLOZEN;
    IK WEET NIET, ALS IK DENK
    OF VOEL, WIE DENKT OF VOELT
    IK BEN DE PLAATS SLECHTS WAAR
    GEVOELD WORDT OF GEDACHT.

    …………………………………………………

    De observator is de verteller, en nog veel meer personen –
    de monologue interieur is hier de sleutel.

    In de ‘Donkere Kamer van Damocles’ heeft Hermans dit principe groot en groots toegepast.

    Schrijf en wees gelukkig in al die personen.

    groetnis – josse

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)