Mienskip… Our gift to Europe!

Slide1

‘De EU is sinds haar oprichting vooral een Gesellschaft geweest, maar geen Gemeinschaft. Het streven naar een Europese identiteit en gemeenschap ligt ten grondslag aan het project Culturele Hoofdstad. Sinds 1985, het begin van dit project, is de mens en zijn omgeving nogal veranderd. We verhouden ons op een andere manier tot onszelf en tot elkaar. Is het streven naar meer Europese Gemeinschaft anno 2018 nog wel zinvol? CH2018 gaat het in ieder geval proberen. ‘Our gift to Europe’ is het in stelling brengen van de Fryske mienskip voor het oplossen van sociale en economische problemen.’

Aldus een tekst die ik aantrof op de site van de Nacht van de Filosofie Friesland 2014. Het was de opmaat voor de bijdrage Hilde Tjeerdema en Oeds Westerhof leverden aan dit festijn. Het staat er echt: ’Fryske mienskip. Our gift to Europe.’ Dit soort zinnen doet mij uit de ramen staren. Mijn gedachten dwalen af naar een ver verleden.

‘Een afgesloten nationale cultuur is in Europa niet meer mogelijk, behalve natuurlijk als kunstmatig provincialisme en geforceerde romantiek.’

Deze woorden schreef Menno Ter in het artikel De Europese geest, L’Avenir de l’Esprit Européen, dat is opgenomen in zijn Verzamelde Werken, deel V. Het is een verslag van een conferentie die van 16 tot 18 oktober 1933 plaatsvond in Parijs. Deze bijeenkomst ging uit van het ‘Comité Français de Coöpération Européenne’ en beoogde een uitvoerige bespreking van het probleem van de ‘Europese geest’. Een keur van bekende schrijvers en geleerden uit heel Europa nam er aan deel. Paul Valéry was de voorzitter en Nederland werd vertegenwoordigd door Prof. J. Huizinga.

Niets is tegenwoordig meer in diskrediet dan het begrip Europa,’ schreef Ter Braak. ‘Er is bijna geen land, waarin niet het nationalisme (al dan niet in de vorm van fascisme of nationaal-socialisme) de boventoon voert.’ Veel sprekers hielden dan ook een pleidooi voor een internationale Europese cultuur, die de hang naar volk en vaderland, bloed en bodem te boven ging. Huizinga verdedigde een verzoening van de nationale tegenstellingen, een soort veredeling van de nationale culturen door middel van proces van selectie. Julien Benda, de bekende schrijver van La Trahison des Clercs en Discours à la Nation Européenne protesteerde daartegen, omdat de volken van Europa in zijn optiek hun nationale eigenschappen geheel moesten prijsgeven, als zij ooit een Europese natie wilden vormen.

Op deze bijeenkomst in Parijs in 1933 was het voor de sprekers streng verboden om over politiek te spreken. Kosmopolitisch denken was geoorloofd in het kader van cultuurbeschouwing, maar stond los van de actuele politieke implicaties. Van tevoren had men dan ook unaniem besloten de politiek buiten beschouwing te laten, waardoor de discussie volgens Ter Braak op een zeer ongewenste wijze beperkt bleef. Op dat punt is een overeenkomst te herkennen met de actualiteit. Ook vandaag de dag zie je vaak dat binnen discussies over cultuurbeleid begrippen als ‘culturele identiteit’, ‘nationale identiteit’, ‘gemeenschapsgevoel’, ‘respect voor traditie’, ‘historisch besef’ en ‘de historische canon’ heel goed bespreekbaar zijn, maar je wordt niet geacht deze begrippen in een politiek-ideologische context te plaatsen, laat dat je begint over Blut und Boden. .

De constatering dat dit soort termen van oudsher thuishoren in de rechterzijde van het politiek-ideologische spectrum wordt met name door linkse politici doorgaans niet echt op prijs gesteld. Met termen als identiteit, sociale cohesie, participatiemaatschappij en mienskip valt tegenwoordig politieke winst te behalen, zowel door linkse als voor rechtse politici. ‘Kunst versterkt!’ Dat lijkt in toenemende mate de legitimatie te worden voor het hedendaagse cultuurbeleid. Beleidsmakers en politici realiseren zich dat kunst en cultuur een belangrijke rol kunnen spelen in het leren omgaan met snelle veranderingsprocessen.

Kunst en cultuur zouden bij kunnen dragen aan de leefbaarheid van onze samenleving en de bewustwording daarvan. Daardoor krijgen kunst en cultuur tegenwoordig vaak iets knus, iets wat ‘huis en haard’ bevestigt en zeker niet uit is op het veranderen van bestaande codes of het kweken van een kosmopolitische geest. Met een pleidooi voor kosmopolitisch denken plaatst men zich tegenwoordig buiten het correcte cultuurpolitieke discours van de actualiteit. Vensters open, de grenzen over … dat wel. Maar met de dikke gordijnen dicht graag. Mienskip is wat ons leven kleur geeft en ons gezellig samenbindt. Mienskip is wat je vanbinnen voelt!

Het doorgeschoten individualisme van de jaren negentig, waarvan het bewustzijn ooit doordrong tijdens de herdenking van de zinloze doodslag op Meinder Tjoelker in de nachtelijke binnenstad van Leeuwarden, heeft zijn tegendeel gekregen in het doorgeschoten ‘mienskip-denken’ van de jaren tien. We zijn de weg kwijt geraakt in een pervers gevoel van saamhorigheid. Het is een tragische vorm van kokerdenken dat van bovenaf wordt gelegitimeerd en dat op termijn fatale gevolgen zal hebben. Want laten we wel wezen, de kunst is uiteindelijk het slachtofer. Kunst is een zaak van het individu en niet van de mienskip.

Slide1

Je hoeft de meest recente cultuurnota van de Provincie Fryslân er maar op te slaan of je struikelt over het woord mienskip. Ik ben het woord gaan turven en ik telde het maar liefst – schrik niet – 59 keer!  Er is zelfs een heel hoofdstuk aan gewijd. Ik stel me zo voor dat ambtenaren op het Provinciehuis een bonus krijgen voor elke keer dat het woord mienskip uit hun pen vloeit. Mienskip is een heilige koe geworden en elk tegengeluid is heiligschennis. Wie tegenspreekt kan zijn positie op de culturele apenrots wel vergeten. De meest schokkende passage wil ik u niet onthouden:

Foar ús hiele belied jildt, dat wy op in oare wize nei ús Fryske mienskip sjen wolle, nei wat ús bynt. Dat moat net allinne basearre wêze op it behâld fan mienskiplike wearden, mar ek rjochte wêze op it wurkjen oan in nije takomst en in iepen, Europeesk oriïntearre maatskippij. Dat draacht by oan in mienskip dy’t mei kennis fan himsels en de wrâld om him hinne in plak op ’e earste rang feroverje kin. De ambysjes fan de Stichting Ljouwert 2018 binne dêr ek op rjochte. De aspekten dy’t by dat selsbewust- wêzen hearre, binne foar in part de sterke kanten fan de Fryske mienskip. Dy komme ta utering yn eigenskippen lykas selsredsumens, mienskipssin, organisearjend fermogen, grutskens, kreativiteit en it bewust wêzen fan de eigen identiteit. Dat allegear wurdt stimulearre troch aktive maatskiplike partisipaasje en it jin bewust wurden fan de eigen rol yn de maatskippij.

Wie het huidige denken over Fryske mienskip wil doorgronden doet er goed aan terug te keren naar het debat over ‘regionalisme in Europees perspectief’ dat in de jaren dertig werd gevoerd. Vooral omdat hierin argumenten naar boven kwamen die tegenwoordig niet zo makkelijk meer in de mond worden genomen. Tijden veranderen, zo ook de discoursen, maar de onderliggende gedachten duiken tegenwoordig op in nieuwe bewoordingen: trots, zelfbewustheid, zelfredzaamheid, participatie, het versterken van eigen kracht… Het is oude wijn in nieuwe zakken. Wat hieruit spreekt is vooral zelfgenoegzaamheid. Collectieve eigendunk wordt vertaald in propagandistische peptalk om de mienkip – wat dat dan ook is – op te stoten in de vaart der volkeren.

Juist de periode van het interbellum was het tijdvak waarin de ideologieën van nationalisme en kolonialisme in Europa in hoogtij vierden. De westerse beschaving werd alom als superieur beschouwd en haar ontwikkeling als maatstaf genomen. Zo werd er naarstig gezocht naar modellen om de wetmatigheden in die ontwikkeling aan te tonen. Er werd gezocht naar grote verbanden en tegenstellingen, niet alleen tussen noord en zuid, maar ook tussen de kenmerken in de specifieke cultuur van volkeren en naties op basis van klimaat, geografie of volksaard. Elk volk zocht naar de eigen historische wortels, de eigen identiteit, de eigen ritmiek in de choreografie van het alom oprukkende beschavingsideaal. Het ontstaan van de volkerenpsychologie aan het eind van de negentiende eeuw, gemarkeerd door de studie van Wundt (Völkerpsychologie,1908) leverde de eerste aanzet van een theoretisch instrumentarium voor deze onderneming.

Wat volgde was een invasie van psychologische termen op het terrein van de geschiedwetenschap. Volkeren, zo luidde de redenering, verkeerden in verschillende fasen van ontwikkeling. Het historisch onderzoek werd ook steeds meer gebaseerd op intuïtieve instrumenten van de menselijke psyche waardoor het beeld van het geheel in verband kon worden gebracht met de bezielde vorm van het detail. Verondersteld werd in feite dat de menselijke geest begaafd is met een bijzonder empathisch vermogen. Het was de tijd van de Geistesgechichte, de fenomenologie en de Gestaltpsychologie, kortom de tijd van de grote patronen en verbanden. Tegenwoordig leven we in de tijd van de neurofysiologie die zich op steeds kleinere aandachtsgebieden: de microwereld van de neuronen, de synapsen en de emissie van dopamine. Maar het bloed kruipt waar het niet gaan kan, want zonder grote verbanden kan een mens niet leven. ‘Waar het visioen sterft verwildert het volk.’ (Spreuken 29:18).

In de jaren dertig ontstond er een discussie onder Nederlandse cultuurhistorici over de relatie tussen volksaard, cultuur, ras en taal, dat prachtig beschreven is in het boek Volkseigen, ras cultuur en wetenschap In Nederland, 1900- 1950. (2000). Die discussie vond plaats vóór de ‘Kristalnacht’ en was dus nog niet beladen met de schuld van het nazisme dat elk denken in etnische en raciale termen sindsdien als incorrect heeft bestempeld. Johan Huizinga en Jan Romein relativeerden ieder op eigen wijze de etnische factoren in het denken in termen van volksaard, maar zij waren er beiden ook van overtuigd dat Nederland een zuiver Germaans land was. Daarover bestond in de jaren dertig in feite een vrij brede consensus.

De historicus Pieter Geyl daarentegen had veel sympathie voor de Vlaamse beweging en ontwikkelde een Groot-Nederlandse conceptie waarin taal de bepalende factor was voor de natie. Alle ‘Diets sprekende’ gewesten, zo betoogde hij, vormden een fundamentele eenheid. Taal was voor Geyl een bijna onveranderlijk natuurverschijnsel dat een rechtstreeks uitvloeisel was van een etnische essentie. Het centrale begrip ‘stam’ fundeerde hij op een groep van mensen die dezelfde taal spreken. Geyl mocht dan een vurig anti-racist en anti-nationaalsocialist zijn, toch bleef hij hoog en bij laag beweren dat moderne bevindingen van de etnologie tot de conclusie leiden dat taalgrenzen samenvallen met de opmerkelijke scheidslijnen tussen gebieden met sterk verschillende schedellengten. Elke stam heeft zo zijn eigen maten in de schedel. Sterker nog, zijn eigen gelaatstrekken.

In het in 1942 verschenen het fotoboek Friesland-Friezenland staan de typisch Friese gelaatstrekken prachtig afgebeeld. Het zijn de stereotypen van de Friese boer en de Friese schipper, zoals August Sander die voor de oorlog in Duitsland had gefotografeerd. Laag camerastandpunt en een dramatische belichting van opzij. Deze portretten tonen een soort ‘indexale leesbaarheid’. Het zijn ideaaltypen waarin onder het oppervlak van het gelaat de essentie het pure en zuivere type wordt waargenomen. Het denken in etnische ideaaltypen is na de oorlog stilaan verdwenen.

Toch bleef men tot ver in de jaren zestig in heel Nederland denken in termen van ‘volksaard’ en ‘volksziel’. In Friesland is dit denken in ideaaltypen nooit geheel verdwenen. Het heeft zich uiteindelijk genesteld in de strijd om het behoud van de Friese taal, maar ook in de zorg voor het Friese landschap dat nog altijd primair als als een statisch ideaalbeeld wordt waargenomen en tot elke prijs bewaard moet blijven, juist in tijden van snelle verandering. Tenslotte wordt het Friese eigene misschien nog het meest ervaren in datgene wat ook het meest bedreigd werd door de moderniteit: de Fryske mienskip.

Zo is het Fries eigene na de oorlog intrinsiek verweven geraakt met de triade taal, landschap en mienskip. Of die mienskip nu van God of van Troelstra was, maakte weinig uit. Het Fries eigene heeft zich verbonden met een grote etno-linguïstische restauratie als politiek project van sociale en culturele vernieuwing. ‘Veranderen om te behouden’ betekende in feite de taal van de Fryske mienskip bewaren in tijden van modernisering en globalisering. Het huidige adagium ‘iepen mienskip’ is de laatste variant van dit streven om nog iets overeind te houden van wat voorgoed teloor dreigt te gaan. Het is de Friese beweging in zijn laatste en meeste verlichte fase als definitief wordt afgerekend met de lange schaduwen van het nationalisme uit het verleden.

Nationalisme is een proces van in- en uitsluiting, waarbij het ervaren van een collectieve identiteit een centrale rol speelt. Hoe ontstaat zo’n identiteit? Hoe komt het dat mensen bij een groep willen horen die zo groot is dat ze onmogelijk alle leden van die groep persoonlijk kunnen leren kennen: een regio, een natie, een geloofsgemeenschap. De constructie van identiteit is een dialectisch proces, dat wil zeggen: er is altijd een ander (of een andere groep) nodig om te weten wie jezelf bent. Tegen de ander kun je je afzetten en zo ontstaat het gevoel van anders zijn, een exclusieve eigenheid die een bodem geeft aan het eigen bestaan en door primaire geloofssystemen bevestigd wil worden. Identiteit is dus in wezen een verschil met een ander, en niet een unieke essentie of een zuivere oorsprong in jezelf. Identiteit is iets wat historisch geconstrueerd is en niet iets wat er altijd al was.

Friesland kreeg in de jaren zestig te maken met een nieuwe stedelijke cultuur, waardoor de het rurale cultuurideaal van de Friese beweging zijn externe antipode kwijtraakte. De vijand was naar binnen geslopen. Daarnaast werd het voor een nieuwe generatie belangrijk om je anders te oriënteren en bovendien je af te zetten tegen het ‘mienskip-denken’ van de oudere generatie, waarvan enkele voormannen ook nog eens behept bleken te zijn met een fout oorlogsverleden. Zo raakte ‘de rustificatie van het moderne’ uit beeld toen het modernisme in de jaren zestig een doorstart kreeg. De aan efficiency verslaafde wereldburger wilde voortaan niets meer te maken hebben met al die toverachtige verhoudingen in het boerenleven van weleer.

Die mythe leek opeens tot op de draad versleten. Wie mee wilde met de laatste lichting van de avant-garde moest kosmopolitisch zijn. ‘Past and peasant’ waren van oudsher de troefkaarten van het regionalisme en het nationalisme: de boer en het verleden. Maar de nieuwe troefkaarten waren ‘de toekomst en de stedeling’. Die toekomst gloorde aan de horizon als de blokkendozen van Kosmopolis. Niemand wist toen nog men vijftig jaar later in Friesland opnieuw het wiel zou uitvinden. Fryske mienskip… Our gift to Europe!

5 Reacties »

  1. Wiersma

    5 januari 2015 op 04:34

    Soort van ‘goed verhaal’.

    ‘Nationalisme is een proces van in- en uitsluiting, waarbij het ervaren van een collectieve identiteit een centrale rol speelt.’

    Ik heb zelf ook zo mijn twijfels of Mienskip wel zo’n goed of ‘slim’ idee is. En of dat tegen 2018 juist niet tegen je gaat werken.
    De weerstand tegen ‘Europa’ (de EU) neemt ook met de dag toe, en terecht. Per slot van rekening wilden de burgers die hele EU niet eens, maar stuk voor stuk zijn alle landen verraden door politici die koste wat kost die ‘mienskip’ er door wilden drukken.

    Datzelfde gevoel bekruipt me op kleinere schaal bij de fryske ‘Mienskip’.

    Wat ik al eerder zei: een Pool is geen Belg en een Ier geen Italiaan.

    De EU probeert daar een (mienskips) eenheidsworst van te maken, net zoals ze met de nationale munten en soevereiniteit hebben gedaan.
    Die vorm van mienskip (lees dictatorship) is alles behalve gezamelijkheid of eenheid. En trouwens, wat was er mis met de EEG?

    Ik heb ook al eens eerder gezegd: wat zijn dan die in-of uitsluitingen die een Mienskip bepalen? Wanneer hoor je daarbij dan? En wanneer niet? En wat als je nou net mentaal buiten die ‘Mienskip’ valt maar er wel fysiek tussen woont?

    Tegen 2018 mogelijk een boemerang die keihard terugkomt.

    Maar het is allemaal zo vreselijk politiek correct he?
    “Weg met het cynisme”, “samen schouders eronder” dat soort jaren vijftig uitspraken.

    We zijn in een compleet andere tijd beland door de globalisering.
    Die zowiezo al een ramp is.

    Temeer daar ‘Europa’ danst naar de pijpen van the United Stupid of America. Europa is een vazalstaat die danst naar de pijpen van de US of Navo. Knechtje. Slaafje.

    “Weg met het cynisme” is een totaal holle klank als je beseft dat het financiele stelsel compleet aan top is komen te staan. Boven alles uit. Boven landen, regeringen, bedrijven, wetenschap, zelfs boven sommige olichargen.

    The ‘too big to fails’.

    Een centrale/Europese/ECB/FED/Wallstreet/IMF/Wereldbank hoeft de rente maar op te schroeven op vrijdag en op maandag is het burgeroorlog.

    Daar helpt geen lieve moer aan met je ‘schouders eronder’.

    De meeste mensen beseffen ws niet hoe enorm kwetsbaar ze/hun land zijn geworden door de monsters van het financiele stelsel en de grootmachten zoals de EU, het verliezen van de eigen munt en soevereiniteit.

    Mienskip op zijn smalst komt op mij dan ook over als ‘samen navelstaren’. Maar omdat je dat samen doet creeert dat zo’n eenheid he? Yeah right.

    En ondertussen het monster wat boven je kop hangt niet zien. Eén hap of klap en je bent volkomen weggevaagd.

    Regeren is vooruitzien jongens.

    Verder zijn er heel wat ‘mienskippen’ geweest die juist groot zijn geworden door andere ‘mienskippen’ van de aardbodem te vagen.

    Wat te denken van al die veroveraars. De uitgeroeide indianen. Assen van kwaad. Eskomo’s. Slavernijen. Hitler met zijn ‘arische ras’. De islam/ISIS en noem maar op.

    Het is bijna eng te noemen, dat ‘mienskip’.

    Verder is het opvallend dat juist eenlingen tot grote doorbraken kwamen. Het was nooit ‘de groep van Einstein’ of ‘de groep van Tesla’ geweest die werelden op zijn kop zetten.

    Het zijn meestal de eenlingen die tot grote veranderingen leidden. Meestal ook nog door tégenwerking van de groep.

    Nogmaals, het is zwaar politiek correct en (vals) ‘sociaal’, maar ik ben bang dat het de friezen eerder in een gemoedelijke slaaptoestand sust dan dat het werkelijk bijdraagt om die razende globaliseringseconomie en geopolitiek bij te kunnen houden.

    Die globalisering en geopolitiek zijn namelijk het tegenovergestelde van ‘lief, sociaal en meelevend’.

    Dat zijn ratten. Nietsontziend en superslim. Die kennis kopen ze desnoods in, toch geld genoeg. Winstoptimalisatie is hun doel. Geld en daarmee macht. Monopolies. In feite Maffia 2.0.

    Soms konden ze daar zelf eigenlijk niet eens wat aan doen. Maar ja, tegenwoordig kun je als startup binnen een paar jaar miljardair zijn. Je kunt niet anders meer dan je als een predator gedragen, want voor je het weet wordt je keihard ingehaald door iemand met nog een beter idee. Dat zorgt letterlijk voor een rat-race.
    Ook bij de absolute top ja.

    En de burger staat er bij en kijkt er naar en is in feite compleet machteloos of afhankelijk geworden. Of wilde je zeggen dat er een alternatief was voor Google, Facebook, de ECB, of de EU? Dat is er niet (meer). The winner takes it all.
    De hedendaagse monsters zijn zo immens groot en machtig geworden, daar helpt geen mienskip of samen schouders eronder tegenop.

    Daar moet iets veel slimmers voor komen.

    Wat politici en media doen is het monster ‘voeden’ om zo in de gratie van het monster te blijven. Ten KOSTE van het volk ja.

    Het volk zelf zal toch echt iets anders moeten verzinnen.

    Weet je wat ik wel een leuke mienskip vond?

    Asterix en Obelix.

    DAT was pas een mienskip!
    Hup, vort met die Romeinen, over de kling ermee!
    Weg met die monsters! Oprotten, opzouten!
    Wij doen hier ons ding op onze manier, doe jij je ding maar lekker thuis. Wegwezen, kwijleballen!
    Maar ja, toen moest ‘politiek correct’ nog worden uitgevonden.

    Ook weer gebaseerd op één mannetje he? Die druide.
    Vind toverdrank uit. En hup, die dikke valt per definitie al in de ketel als kind, maar niet al te slim, en een ander mannetje, wel slim, leidt dan de groep.

    Als BV Friesland wil overleven in die grote globalisering dan moet je dat monster niet voeden want dan wordt je keihard onder de voet gelopen tijdens het navelstaren.

    Die zo gewenste eenheid moet je creeren, juist door tegen dat monster in te gaan.

    Toegegeven, daar is wel voortschrijdend inzicht, wellicht een wonder en toverdrank voor nodig.
    Toevallig weet ik iets van toverdranken.
    Maar ja, daar is tegenwoordig ‘marketing’ voor nodig he?
    Wonderen bestaan niet meer dus het kan niet kloppen wat ik zeg.

    Maar de eerste tekenen van verzet (waar friezen ooit zo bekend om stonden) kunt u zelf aan bijdragen! Jawel!

    Ten eerste:

    Zo veel mogelijk verzet tegen windmolens in Friesland, waar dan ook. Op land, zee maakt niet uit. De hoeveelheid man-made CO2 is zo achterlijk klein, dat warmt de aarde echt niet op. En er zit nog voor 3700 jaar steenkool in de grond dus laat je niet BANG maken.

    Ten tweede: kap met lame stream media kijken en kopen.
    Zij zijn allang onderdeel van ‘dat monster’. Want afhankelijk.

    Ten derde: ga niet stemmen.
    Laat het systeem maar crashen, maak uw ongenoegen over hun kleuterbeleid maar duidelijk. Belgie heeft ook overleefd zonder regering. En trouwens, zelfs de landelijke politie begint al help te roepen in de ‘participatie maatschappij’. Want ineens moeten ze ritten administratie bijhouden ipv boeven vangen.

    Ten vierde: ga eens alternatieve media lezen. U zult verbaasd staan over het feit dat daar wél goede journalistiek valt te lezen.

    Ten vijfde: kap met links-rechts denken, dat is iets uit de jaren vijftig vorige eeuw. U wordt kunstmatig in een diepe slaap gehouden door dit zwart-wit fenomeen denken. De wereld van nu bestaat niet alleen uit 50 kleuren grijs maar uit miljoenen kleuren inmiddels.

    Ten zesde: herken de psychopaten. Heel belangrijk deze.
    Want ze zijn slim en of machtig of krijgen alle aandacht van de lame stream media. Het verschil tussen kijken en zien.
    Daarom heten mensen die TVkijken ook kijkers. En niet zieners.

    Ten zevende: herken dubbele agenda’s.
    “Luister niet naar wat ze zeggen, maar kijk wat ze doen”.

    Ten achtste: leer patronen herkennen.
    Als een politicus zegt: “Ik herken mij niet in het door u geschetste profiel”, dan weet je dat er ergens stront aan de knikker is. Of de pis tegen de plinten opklotst. Ga dan zelf op zoek. Het internet is één groot brein. Nog wel.

    Nou ja. Zo eerst maar weer eens.
    Food voor brain na de break.

    –break–

    http://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2011719-heeft-windenergie-nog-de-toekomst.html

    http://www.ftm.nl/column/nieuwjaarsoproep-rijken-help-ons-aan-een-derde-gouden-eeuw/

    http://www.geenstijl.nl/mt/archieven/2014/12/het_grote_gs_kerstessay.html

  2. Pieter de Vries

    5 januari 2015 op 08:47

    Alleen al bij het zien van de eerste illustratie (Leeuwarden als een soort knooppunt, van wat eigenlijk?, in Europa) kreeg ik een onbedaarlijke lachbui, waardoor verder lezen onmogelijk werd. Helaas Huub.

  3. philippus breuker

    5 januari 2015 op 14:25

    It Fryske mienskipstinken fan tsjintwurdich hat syn ûnûnderbrutsen oarsprong yn de ideeën fan Joast Halbertsma. Hjir folget it wat útwurke beslút fan in lêzing dy’t ik koartlyn oer syn mytysk tinken hold.

    Trochwurking
    Halbertsma syn ideeën oer it Fryske folk wurde al sûnt 1840 oerdroegen. It begong mei de mannen fan it Selskip en mei Waling Dykstra. Gjin niget dat de Fryske Beweging der fan trochlutsen is. Der sit dúdlik in utopistyske kant oan dy ideeën. It Fryske folk wurdt foarsteld as in idealistyske mienskip neffens Gryks model of ek wol neffens de steat fan de oerkristenen. Stânsferskillen wienen der earder net, it Fryske folk bestie út frije Friezen, baas op eigen hoarnleger.
    De Bewegers, nee: de Friezen seagen it as har taak om dát Frysk en dát Fryske folk te rêden en troch te jaan oan in folgjend slachte. Dat wie wat kostbers út oerâlde tiden. In opdracht foar it libben! Wa’t net wurch waard dy ideeën te ferkondigjen, wie Johan Winkler. Sa hold hy yn 1889 in lêzing foar it Frysk Genoatskip nei oanlieding fan de wurden fan mr. C. Vosmaer, de klassikus en literator: ’Zij’, dat zijn de Friezen, ’zijn de aristokraten, de adel onzer volksstammen’. Dat brocht him ta útspraken as:

    Adel zetelde in ieders gemoed. Van daar waren de Friezen aristokratisch en democratisch tevens.

    Dat hat er (miskyn ek al lykas Vosmaer sels) streekrjocht by Halbertsma wei, lykas sa’n soad trouwens. Hy is net oars as de popularisearjende ’his masters voice’ fan Halbertsma. Hy beslút syn ’boeiende rede’ mei in opwekkend wurd om te kearen dat ’de aloude Friesche roem’ fan eigen seden, gewoanten en taal net ferdwynt.’
    Dit giet oer de folksaard. Mar ek it op de spits dreaune tinken fan Halbertsma oer de mytologyske oarsprong fan alderhande oerbliuwsels yn taal en folkslibben wie ein njoggentjinde ieu noch breed ferspraat, sels ûnder en as de krityske Tsjitse Jakobs de Boer. Dy skreau yn 1896 yn in besprek fan Waling Dykstra syn Uit Frieslands volksleven teminsten as er in ferhaal neifertelt oer in moardnerskastiel mei reuzen dat er sels heard hie:

    Deze vertelling herinnert ons aan middeneeuwsche toestanden; ja, mogelijk leeft er in de reuzen, die in vele noordgermaansche sagen voorkomen, een herinnering voort aan het volk, dat eenmaal voor de Germanen plaats moest maken.

    Fan in herlieding nei mytologyske oarsprong moat er lykwols neat hawwe. Nei’t er yn in stik oer de Fryske boer út 1897 opmurken hat dat der earder in soad swanen op de klaai holden waarden en dêr de pompeblêden yn it Fryske wapen dy’t tusken de swaneblom bloeie en de swanehalzen op de skuorren mei yn ferbân bringt, foeget er dêr yn in noat oan ta:

    Tot in onzen tijd vindt men er die zwanehalzen, evenals de paardekoppen in Saksische streken. Archaeologen nemen gewoonlijk tot verklaring van zulke gebruiken de mythologie te baat, maar worden zodoende zelf mythologen. Waarom wijdt de heidensche Saks zijn paard aan de godheid? Omdat het paard het beste is wat hij heeft. Waarom versiert hij zijn huis met paardekoppen? Omdat het paard het beste is wat hij kent. Voor beide verschijnselen dezelfde reden. De mythologie kan ons wel iets leeren, niet verklaren. Veeleer moet zij zelf uit volksgebruiken en –begrippen worden verklaard.

    Boeles tocht, alteast tenearsten – oft er der letter noch sa oer tocht, ha ’k net neigongen – ek mytologysk. Yn syn ynlieding op de oanwinsten fan it Frysk Museum oer it jier 1899-1900 skriuwt er dat it museum dat jier in oantal Amelanner en Hylper âldheden oankocht hat en hy ferfettet dan:

    Het Friesch Museum komt nu langzamerhand in het bezit van eene flinke verzameling van locale oudheden, die door hare originaliteit, vooral ook door vreemdelingen, een groote charme bezitten. Sedert Dr. J.H. Halbertsma het belang van de Friesche volkseigenaardigheden inzag – zijne verzameling berust in het Friesch Museum – zijn deze voorwerpen al weer heel wat schaarscher geworden. Jammer is dit zeker, want evenals de volksverhalen, de folklore de animistische en andere godsdienstige voorstellingen van zoo goed als voorhistorische tijden overleveren, vindt men soms bij de voortbrengselen van volkskunst, hetzij houtsnee-, aarde- of zilversmidswerk (vooral lijfsieraden), zeer duidelijke sporen van eeuwenoude vaktraditiën, van ornament, dat teruggaat tot op vroeg-middeleeuwsche en germaansche tijden.’

    Fier oant yn de tweintichste ieu wie it net oars. Belangrike Frysknasjonale kultuerdragers as Douwe Kalma, ds. Wumkes, E.B. Folkertsma en Tony Feitsma droegen Halbertsma syn ideeën oer de adel fan it Fryske folk út. Syn mytologysk tinken oer folksferhalen, ûlebuorden en oare as folksaardich begrepen saken stjert dan stadichwei út, al wie der fansels noch wol ien as Herman Wirth.
    Foar Wumkes en Folkertsma wie it Fryske folk in Godsgeskink. Wumkes hat it oer de Fryske folkssiele, dy’t him yn in man as master Gysbert sa suver wjerkeatst, dat hy der it symboal fan wêze kin, en neamt him de Fryske stamgeast sels, út waans wurk frijheid, frommens en wierheid sprekt. Folkertsma sjocht yn de optochte Wytse Fons fan Paulus Scheltema

    it karakter fan in frij man. In man, greatsk op syn adellike ôfkomst en famylje, greatsk op syn Fries wêzen – yn hwatfoar selskip of formidden ek, hy praette altyd Frysk – greatsk net minder as minske. Him foar gjinien, heech of leech, forbrekkend en him om gjinien foroarjend. Mei in eigen selsstannich oardiel oer minsken en dingen. Gjin ûnderskie tusken minsken meitsjend al nei har maetskiplike posysje, mar foar alleman oersteande as minske foar minske, frij en gelyk.

    Poortinga hat Folkertsma’s neifertelling yn 1967 noch sûnder kommentaar oernommen yn de troch him fersoarge blomlêzing Wite en reade roazen.
    Douwe Kalma oriëntearre him mear op de klassiken, de Grykse ideaalsteat.
    Tony Feitsma har byld fan it Fryske folk wurdt ek beskaat troch in ideaaltypyske mienskip fan gelikensen. Har Beweging is in beweging fan emansipaasje en solidariteit yn tsjinst fan wat se it ’gewoane’ Fryske folk neamt. Sosjolekten ûnderskiedt se net, sa’t Sjölin al synjalearre hat. Har ideeën oer it folkstaalkarakter fan it Frysk rinne alhiel parallel mei dy fan Halbertsma.
    De ynfloed fan it tinken fan dizze fjouwer oer Fryslân en de Friezen is yn Fryslân noch altyd grut en dêrmei dus ek it tinken fan Halbertsma.

  4. Zum Kotsen bis Kotsen

    5 januari 2015 op 18:42

    Ja, dit soort gedrochtelijke uitwassen krijg je als een autistische Friese PvdA veel geld geeft om de ruïne die Friesland heet, te restaureren.

  5. Johannes

    9 januari 2015 op 23:05

    “Zo doen wij dat niet in ons dorp”.
    Dat zegt een echte Friese autochtoon tegen een niet-Fries die al veertig jaar in dat dorp woont.
    Intussen blokkert hij zelf het toegangspad tot de woning van de niet-Fries omdat hij op een naastgelegen erf een of ander karweitje moet verrichten en te lui is om twintig meter te lopen.
    Toen de niet-Fries thuiskwam en zijn toegangspad met een vreemde auto geblokkeerd zag en daarom maar achter die auto parkeerde, was de Fries daar verbolgen over.
    “Zo doen wij dat niet in ons dorp”, zei hij toen hij na tien minuten zijn verhaal kwam halen.
    Nee, in dit dorp pleur je dus gewoon als Fries je auto op iemands anders prive-toegangspad neer, als jou dat zo uit komt.

    Naar mijn dagelijkse ondervinding als niet-Fries lopen die wereldwijde verbindingen vanuit Leeuwarden, die op het bovenstaande plaatje getekend zijn, in de dagelijkse werkelijkheid hooguit tot het volgende dorp. Als ze de dorpsgrens al overschrijden.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)