Doof voor het gezang der Sirenen

‘ Zoals Tomatis niet moe wordt te beklemtonen zou het verblijf van het kind in het moederlichaam zonder het vermogen om doelbewust zijn oren te sluiten en grote geluidsgebieden af te dempen onverdraaglijk zijn, omdat het kloppen van het hart en de verteringsgeluiden van de moeder, van zo extreem dichtbij gehoord, gelijkstaan met het lawaai van een bouwplaats, waar dag en nacht gewerkt wordt of met het geluidsniveau van een drukbezocht café. Zou het oor niet al vroeg leren om niet te luisteren, dan zou het leven in wording door een onafgebroken geluidfoltering verwoest worden.’

Aldus Peter Sloterdijk in zijn boek Sferen (1999). Deze woorden brengen een curieuze wetenschapper in herinnering Alfred Tomatis de Franse keel- , neus- en oorarts die er merkwaardige ideeën op nahield over de geluidsbelevingen in het het embryonale leven en de gevolgen daarvan voor de ontwikkeling van de psyche.   ‘De moeder is ongetwijfeld de eerste wereld van het kind en de laatste wereld van de man,’ schreef Jung. Geldt dat ook niet voor ieder mens? Is de moeder voor iedereen niet de d eerste en laatste werkelijkheid? De zuigeling moet afstand doen van zijn perverse walhalla, waarin hij met zijn moeder samenleeft in een volmaakte symbiose.

 

Uit de drang die de mens wegvoert van de directe seksuele bevrediging, ontstaan de mythe en de rite, en uiteindelijk de cultuur. Het rooms-katholicisme heeft een incestueuze kern. Zij is van oudsher de hofleverancier van de mythische gestalten die de exodus uit het paradijs van de zuigeling niet alleen kan verzachten, maar die ook een symbolisch substituut kan vormen voor een hereniging met de moeder in de onbevlekte Maagd Maria. Christus is de mythische held bij uitstek, die zichzelf met terugwerkende kracht in de baarmoeder van zijn eigen moeder heeft terug geplant. Dat is het mysterie van de Heilige Maagd Maria. Het is tevens de incestueuze kern van het katholicisme, die deze religie zo krachtig maakt.

Als die uittocht uit het walhalla van de zuigeling mislukt (of niet geheel lukt), dan ontstaat de neurose, of erger nog, de psychose, de schizofrenie, de dementia praecox, noem maar op. De pubertijd is de beslissende brug die genomen worden. Soms is deze brug een brug te ver. De kandidaat-volwassene blijft dan onvolwassen en verweesd achter. De terzijde geschoven ‘wet van de vader’ wordt niet meer in ere hersteld. Niet zelden blijft het individu dan zijn hele verdere leven worstelen met een perverse fantasiewereld. Het afscheid van de symbiotische moeder hoort zich in de pubertijd definitief te voltrekken. Het oedipale conflict (bij de vrouw het conflict van Electra) moet dan alsnog – of opnieuw worden – opgelost. Zo niet, dan volgt de definitieve collaps, dat wil zeggen: de zorgvuldig opgebouwde symbolische orde stort in.

Het ‘ik-complex’ trekt zich terug van het libido. De taal gaat met zich zelf aan de haal in een waanwereld van schijngestalten. In de puberteitspsychose stort het symbolische kaartenhuis van de taal in elkaar. Die crash is des te heviger als het arsenaal van katholieke symbolen, dat in het onbewuste aanwezig is, opeens geen ondersteuning meer vindt in de werkelijkheid, omdat ‘moederkerk’ van het katholicisme op zichzelf in een crash is beland. De symbolische substituten van de religie keren dan terug in de waan, dat wil zeggen: in een wereld van drogbeelden die begrepen moet worden als een poging tot reconstructie van de wereld die door terugtrekking van de libido verloren is gegaan.

In dat schimmenrijk van de geest verschijnen de spookgestalten van de religie in een nieuwe gedaante. De moeder, de vader, de maagd, de verlosser, de incestueuze relatie tussen moeder en zoon. Kortom: de incest. Het katholicisme biedt een hele santenkraam aan oersymbolen om een mislukt individuatie-proces om te smeden tot een nieuwe, heel persoonlijke mythologie. In de archieven van de gestichten liggen de bijbels van de toekomst. De schizofrenie is de enige afgrond van het bestaan, waarin God daadwerkelijk ervaren kan worden.

Wat is de kern van de psychotische waan? Wat is het verschil tussen de wijze waarop de psychoticus aan zijn waansysteem is gehecht en de manier waarop wij met ons gezond verstand menen het werkelijke en onwerkelijke van elkaar te scheiden? Is werkelijk wat ik met mijn ogen zie? Of is werkelijk waar ik mij met mijn verlangens aan hecht? In hoeverre heb ik mijn fantasie nodig om het werkelijke als ‘werkelijk’ te ervaren? In hoeverre is de symbolische orde, waarmee mijn brein zich met de wereld in taal en teken verbindt, een fictie die door het teken zelf tot stand wordt gebracht? Is God een fictie? Is het Ego een fictie? Is de wereld een fictie? Ik zie schaduwen op de muur, maar de dingen zelf blijven verborgen. Mijn verlangen gaat uit naar de dingen zelf. Naar de muur achter de schaduw. Naar de ruimte achter de muur.

In deze duistere ziel leek de ruimte op de muil van Gargantua. Op de top van een alp speelde een engel op een witte piano. Beneden hem gaapte een gigantische afgrond. Het lichaam scheidde zich af van de stroom van zijn gedachten. De geest verbrak de grens tussen huid en ruimte en nestelde zich aan gene zijde van de zintuigen, daar waar de profeten geen namen hebben. Hij zag zichzelf vanaf het plafond beneden in bed liggen, vastgebonden onder een laken. Het lichaam verenigde zich met de ruimte die zich langzaam verwijdde in een stralend licht vol bloemkool en broccoli. De klokken gingen luiden op de Oostelijke Handelskade. De stilte nam alles in bezit. Er trilde een snaar in het niets en ik hoorde de Sirenen zingen. God is eenzaam. Bewustzijn doet pijn. Bijna iedereen die je tegenkomt zal dronken zijn.

Wij verlangen ons leven lang naar het gezang van de Sirenen, die gelukkige klankharmonie die berust op de onweerstaanbaarheid van het gezang en niet op de zoetheid van de muziek. Het gaat om de verwachting die de klank oproept, de ophanden zijnde onthulling die zich almaar aandient maar zich nooit voltrekt, de naklank als een echo die blijft klinken in de akoustische ruimte van een herinnerd paradijs. Het wachten is op die paar tonen die accorderen met het eigen innerlijk. Dat ene harmonisch akkoord van de ziel. Als die intiemste 
klankverwachting niet wordt gewekt, dan sleept het bestaan zich voort in vermoeidheid en vergetelheid, zonder dat ooit het vermoeden daagt van een andere, tijdloze ruimte: de smaak van hoger honing.

Maar er is nog iets. De psychotische waan vertoont een opvallende gelijkenis met internet. Beide vertonen een vergelijkbare ruimtestructuur die herinneringen oproept aan het embryo. Op internet zijn wij allen… strangers in the late night. Wij begeven ons in duistere sferen en menen te weten wat we doen. Maar wij weten het niet. We doen net alsof we het weten, en alleen dàt weten we donders goed. Op internet zijn wij ‘beterweters tegen beter weten in’. Dat is het kenmerk van dit nog vormloze medium. Het brengt ons samen in de meest wonderlijke sferen niet alleen van de wereld, maar ook van onszelf. Internet is een nog onbekende ruimte naast ons, met ons, en zonder ons. Internet is een eindeloze schuimzee van bellen. Wij zijn allen tezamen .. the boy in the bubble. Internet is een ruimte die ons uitdaagt en op de proef stelt. Een ruimte als een droom die echt is. Een ruimte die geen ruimte is. Een ruimte die tot nog toe alleen in het taoïsme beschreven is.

Gisteren las ik een paar teksten van Zuang Zi in het wonderlijke boek van Kristoffer Schippers over het taoïsme. Ik las over een droom die Zuang Zi ooit heeft had. Hij droomde dat hij een vlinder was, waarna hij niet meer wist of hij Zuang Zi was die droomde dat hij een vlinder was, dan wel een vlinder die droomde dat hij Zuang Zi was. Hij concludeert dan: ‘Tussen mij en vlinder bestaat noodzakelijkerwijs een onderscheid; dit is wat men noemt de transformatie van de vlinder. En even verderop:

‘O mijn Meester, mijn Meester, Die zonder geweld de tienduizenden schepsels verbrijzelt, die liefdeloos de tienduizenden generaties bevrucht. Die ouder is dan de oudste oudheid en nochtans niet oud. Die de Hemel bedekt en de Aarde draagt, die alle vormen heeft geschapen en nochtans niet bekwaam is. Dit is de vreugde van de natuur en daarom wordt er gezegd: ‘Voor hen die de vreugde van de natuur kennen, is leven een spontaan gebeuren en sterven de transformatie van de schepsels’.’

Wie regelmatig schrijft op internet meet zichzelf een nieuwe identiteit aan. Het ‘ik’ dat ik ben op het net is een soort gedroomd ‘ik’, dat een vreemde dubbele werkelijkheidsstatus heeft. Dit ‘ík’ is reëel en virtueel tegelijk, zoals ook een ‘ík’ in een lucide droom ‘reëel’ en ‘virtueel’ tegelijk is. In die zin heeft de alternatieve ‘ik-ruimte’, die internet te bieden heeft, iets taoïstisch. Toch is de internet-ruimte geen gedroomde werkelijkheid, maar een aparte werkelijkheid binnen de werkelijkheid zelf, een nieuw domein dat tot een andere dimensie behoort en tegelijk interfereert met de driemensionale , ‘normale’ werkelijkheid.

Deze ‘psycho-ruimte’ van het internet is wat anders dan de pure virtualiteit, zoals de internet-ruimte doorgaans wordt benoemd. Het is in feite een hybride ruimte die tegelijk virtueel en psychologisch is, en in die zin zich elders ‘bevindt’, voorbij alle reële dimensies. Sloterdijk verkent in zijn boek Sferen voortdurend dit soort hybride psychologische dubbelruimtes, ruimtes die zich enerzijds in de normale realiteit bevinden en anderzijds niet onderworpen zijn aan de ‘normale’ fysische ruimte-beperkingen. Wat de complicaties zijn van deze nieuwe psycho-ruimte, die internet te bieden heeft, is nog lang niet duidelijk. Het zou een aardig idee zijn om vanuit de taoïstische filosofie de psychologische virtualiteit van internet eens nader onder de loupe te nemen.

De reguliere internet-filosofie oriënteert zich doorgaans op het historisch arsenaal van fysische ruimte-opvattingen. Zo zou de middeleeuwse ruimte-opvatting, waarin de fysische ruimte overkoepeld wordt door een spiritueel universum, enige gelijkenis vertonen met de nieuwe virtuele ruimte-opvatting van internet. Dit soort beschouwingen gaat echter voorbij aan de intrinsieke verwevenheid van de psyche en de internet-virtualiteit. Sloterdijk heeft het over de ‘met-ruimte’ van de psyche.

Er is altijd iets ‘met mij” iets wat het ‘ik’ in diepste wezen omgeeft, een soort restant-ruimte van de baarmoeder, een virtueel embryo dat als een gebroken eierschaal achter blijft bij de – tot een ‘ik’ geboren – psyche. Die embryonale eierschaal – of kosmische achtergrondstraling van de psyche – keert vreemd genoeg in een andere gedaante terug als je jezelf een nieuwe identiteit aanneemt op internet. Dit nieuwe ‘ik’ blijft dan met een vreemde navelstreng met het oude ‘ík’ verbonden. Zo leef je tegelijk binnen en buiten het oude embryo, dat wil zeggen: in de echte wereld en tegelijk ook niet. Terwijl ik dit schrijf, zweef ik in een oneindig universum, terwijl ik tegelijk met beide benen op de grond sta.

Internet is een nieuwe psychologische met-ruimte, daar helpt geen lieve moeder aan. Wij zijn de baarmoeder voorbij en keren terug in een nieuwe embryonale sfeer. De oude Bol van het universum is dood. Hij is uit elkaar gespat in oneindigheid. ‘Waar de bol aan zijn oneindigheid te gronde gaat,’ zo schrijft Sloterdijk, ‘daar worden de eertijds epicentrische punten gedwongen ofwel zichzelf als middelpunt van alle betrekkingen te kiezen, ofwel aan gene zijde van de vertrouwde middelpuntwaan in een onbeheerd spel van gedecentraliseerde 
gebeurtenis stromen op te gaan.’ In de nieuwe sfeer van het internet met zijn talloze kleine bellen en bollen, zonder algemeen  centrum waar de ziel zijn verankering vindt in de wereldziel, leven wij niet meer in de vertrouwde sfeer die ons herinnert aan de moederschoot. Wij dobberen rond op de zee van het  ‘het on-vertrouwde’ en weten niet meer waar we zijn, waar we vandaan kwamen en waar we naar toe gaan. Odysseus is voergoed verdwaald.

De unieke band tussen het zelf en het Ene is verbroken als de dramatische doorsnijding van een navelstreng. De Bol was niets anders dan God, maar wel leven niet meer in de Bol. We zijn overgeleverd aan wat Heidegger de zijnsvergetelheid noemde. De grote, sterke Atlas zijn wereldbol heeft afgelegd. En tegelijk met de verpulvering van dit mythische beeld gaat de techniek de voorgestelde en neergelegde wereld in bezit nemen. We leven in een posthistorische ruimte-tijd: de toestand waarin de ruimte de tijd heeft opgezogen. We dwalen doelloos rond zonder herinnering aan een eerste begin of hoop op een laatste thuiskomst. We worden niet meer opnieuw geboren. We sterven zelfs niet meer. Dit is een wereld zonder verlossing en we horen niet eens de Sirenen meer zingen.

Waar is het vuurwerk van de sterren? Waar zijn de driften die zich als verstekeling schuil houden in het ruim van mijn schip? Waar is het eiland waar ik beland als mijn kompas gaat tollen, het verstand de weg kwijt is en het fantasma van de waan het roer voorgoed heeft overgenomen? Waar zijn de vliegende Hollanders gebleven? Waar die fantasten van het narrenschip, verdwaald in tijd en ruimte, ronddobberend op een laatste ponton, midden in de oceaan van koortsige dromen? Ik geef ze geen ongelijk, die nuchtere zeelui daar beneden. Maar ik? Ik kies er voor om uit te varen. Ik wil weer vliegen met mijn schip. Ooit zal ik ze weer horen zingen. Of – om met Rimbaud te spreken:

‘O laat mijn kiel toch barsten. Laat mij zeewaarts gaan. Als ik één water van Europa wens, dan is het de plas zo zwart en koud, waarin de schemer vol van geuren, een jongetje gehurkt en rijk aan treurnis, zijn bootje varen laat, zo breekbaar als een vlinder in de mei. Ik heb niet meer de kracht, o baren door uw kwijningen gebaad, om de dragers van katoen hun vaste gangen te ontnemen, noch om te varen door de trots van vlaggen en van vanen, noch om te drijven onder het vreselijk oog van de pontons.’

 

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)