De modernist van de blokkendoos

Greetje Bijma was gisteren de grote vedette bij de presentatie van het Verzameld werk van Jan Wybenga in de stemmige ambiance van de de N.H. Kerk van Wartena. Zij droeg een aantal gedichten van Jan Wybenga voor op een wijze zoals alleen zij dat kan. Elk gedicht werd een vocaal kunstwerk, en de magie van de menselijke stem wist zij op een bijzondere wijze aanwezig te stellen. Meerdere malen werd haar optreden vanuit de stampvolle kerk bekroond met een staande ovatie. De poëzie van Jan Wybenga, waarin de muzikaliteit van de Friese taal een grote rol speelt, leent zich ook uitstekend voor een dergelijke vertolking. De afwezigen gisteren hadden dus alleen al hierom volkomen ongelijk.

Waarom Abe de Vries schitterde door afwezigheid werd mij gaandeweg compleet een raadsel. Wat hij op zijn weblog hierover naar voren heeft gebracht slaat kant nog wal, zo heb ik inmiddels begrepen. Goaitsen van der Vliet is door uitgever Goasse Brouwer niet buiten de opzet van het Verzameld werk gehouden. Het tegendeel is waar. Goaitsen van der Vliet is door Goasse Brouwer persoonlijk benaderd, maar heeft zelf geweigerd om mee te werken. Bizar hoe dit soort dingen kunnen gaan in Friesland. Ook in de Leeuwarder Courant van afgelopen vrijdag wordt de zaak volkomen verkeerd weergegeven.

Ik kwam als vierde spreker aan het woord, na Teake Oppewal, Jabik Veenbaas en Piter Yedema. Verder was Jan Wybenga ook zelf aanwezig, gespeeld door een acteur, evenals Gysbert Japicx. Er was zelfs een heks uit een van zijn gedichten, onder wier pruik bij nader inzien Jetske Kingma bleek schuil te gaan. De weduwe van Jan Wybenga was er, en verder heel wat familie. Ik was even bang, dat mijn verhaal, dat een korte versie was van een veel langere inleiding in het boek (ruim 5000 woorden), niet zo passend zou zijn voor deze gelegenheid, die toch vooral het karakter kreeg van een postuum eerbetoon aan de dichter Jan Wybenga. Gelukkig verklaarde een van de familieleden, die tot slot aan het woord kwam, dat zij – en ook de familie – er precies zo over dachten. Jan Wybenga zag zijn beeldend werk puur als een hobby en zou mijn verhaal zeer op prijs hebben gesteld. Dat was voor mij een hele geruststelling.  Hieronder volgt mijn tekst van gisteren en enkele afbeeldingen uit de catalogus.

***

 

an Wybenga was als tekenaar en schilder geen natuurtalent. Voor zover er sprake was van een aangeboren talent, zal hij het van zijn vader hebben geërfd die een tijdlang tekenleraar is geweest. Op de Rijks Kweek School in Heerenveen, waar hij van 1932 tot 1937 zijn opleiding tot onderwijzer volgde, had hij het vak handenarbeid gehad, waarbij hij leerde experimenteren met aquarellen en het knippen van papier. Het merendeel van zijn beeldend werk dateert uit de jaren dertig, dat wil zeggen: uit zijn late pubertijd en vroege adolescentie. Mag je hem hier eigenlijk wel op afrekenen? Zijn beeldend werk heeft Wybenga zelf nooit echt serieus willen nemen, en die houding siert hem, want hij getuigt van zelfkritiek.  As ik dit beeldend oeuvre overzie, dan wekt het geheel op mij de indruk van de eerste proeve van een nog wat onrijpe jongeling die met deze mappen onder de arm bij een kunstacademie binnenstapt. Er zijn een paar gevoelige tekeningen bij, waarin de sfeer van het landschap raak is getroffen met gedoseerde kleurarceringen of een enkele potloodlijn. Maar ook enkele sprekende portrettekeningen, zoals het zelfportret uit 1934 dat vooral uit blokjes en driehoeken opgebouwd.

Die techniek van constructie en deconstructie van de figuur in het vlak paste de jonge Wybenga graag toe, ook in de weergave van een vluchtig tafereel. Een enkele keer laat hij zich gaan in een speelse compositie van organische of kubistische vormen. Maar het blijven vooral probeersels met vorm en materiaal, die het eigen handschrift objectiveren of juist onzichtbaar maken, zoals in allerlei experimenten met druktechnieken. Het werk oogt vaak schools en academisch op een enkele vluchtige potloodschets na, waarin de maker laat zien dat hij aardig spontaan kan tekenen. Het geheel blijft esthetisch of decoratief, en getuigt zelden van een eigen karakter in weergave of uitdrukking.  Kortom, het merendeel van dit werk is hooguit curieus, en dan alleen omdat het door Jan Wybenga is vervaardigd die algemeen wordt gezien als een van de belangrijkste naoorlogse Friese dichters

 

aar is dit strenge oordeel wel terecht? Het werk, dat in de jaren dertig tot stand kwam, is voor die tijd uiterst modern, zeker als je het vergelijkt met wat er na de oorlog in Friesland aan kunst werd vervaardigd. Al voor de oorlog was de nog jonge Wybenga zeer goed geïnformeerd, in een tijd dat er hier in Friesland van een  ‘kunstwereld’ nog nauwelijks sprake. Dat was een kwaliteit van hem, waarvoor hij later ook als dichter geprezen zou worden. Hij had al vroeg zijn antennes uitstaan, zodat hij signalen ontving die van ver buiten Friesland afkomstig waren. Die kosmopolitische geest komt, hoe onbeholpen soms ook, in dit vroege beeldend werk duidelijk tot uiting.

Al in de jaren dertig kende hij de klassieke modernen, de expressionisten, Picasso, Matisse, maar ook de experimenten met organische vormen van Miró en Masson. Sommige van zijn tekeningen laten die invloed ook duidelijk zien. Het is of hij te hooi en te gras elementen uit het klassiek-moderne idioom bij elkaar raapt en op speelse wijze in een nieuwe setting plaatst. ‘Blokkendoos-modernisme’ zo zou je deze eclectische werkwijze nog het beste kunnen benoemen. Vanuit dat perspectief bezien is dit vroege werk van Jan Wybenga bijzonder, omdat het getuigt van een kosmopolitische geest van een jonge man die wist wat er in de wereld te koop was.

Na  de oorlog heeft Jan Wybenga op het terrein van de poëzie voor Friesland een pioniersrol vervuld , maar de experimentele dichter die zich in de eerste bundel Amoebe in 1954 al heel vroeg liet zien, heeft geen pendant gekregen in zijn beeldende ontwikkeling in de jaren vijftig. De tekeningen die Wybenga in die tijd vervaardigt zijn weinig opmerkelijk. De invloed van Cobra, het neo-constructivisme, en het abstract expressionisme gaat aan Wybenga voorbij. Over het vorm-inhoud probleem in literatuur en beeldende kunst, dat ook in Friesland in het begin van de jaren vijftig oplaaide, had Jan Wybenga zelf weinig te melden. Misschien ook wel omdat hij de revolte van moderne beeldende kunst niet echt begrepen had.

Die  revolte had alles te maken met de bezieling en de autonomie van de vorm. Zijn beeldend werk getuigt van kennis, maar niet van een bezielde kennis. Hij kent de modernistische vormentaal in al zijn verscheidenheid, maar hij weet die taal niet te verinnerlijken. Hij ontleent moderne manieren van verbeelden, zonder te beseffen dat béélden – en niet verbeelden – het nieuwe was wat de moderne kunst te bieden had. In die zin vertoont zijn beeldende werk de sporen van epigonisme. Het overnemen van vormexperimenten zonder die vanuit een ‘innerlijke noodzaak’ aan te gaan. Dat euvel leidt al gauw tot een gematigde vorm van modernisme, zoals dat zo vaak was te zien in de kunst die in Friesland in de jaren vijftig vervaardigd werd, met de expressieve kunst van Gerrit Benner als uitzondering die de regel bevestigt.

Nog altijd wordt uit alle macht geprobeerd om de poëzie van Wybenga op de brede middenweg tussen traditie en experiment te plaatsen. Daar – zo gaat een oud verhaal – ligt immers het eigene van de Friese poëzie, en ook het eigene van de Friese kunst, misschien wel het eigene van Fryslân zelf, of wat daar nog van over is na de kaalslag van de moderniteit. Daarmee komt een derde weg in beeld: de Fryske skriuwer als fellow-traveller van het modernisme, maar tegelijk ook voor eeuwig trouw aan die even diep-Friese als giftige cocktail van gekoesterde miskenning en melancholie over de teloorgang van it heitelân. De strijd tussen de traditionelen en de experimentelen, is in Friesland nog altijd niet beslecht. Je hoort in het een kamp of in het andere en de grenslijn is in de jaren zestig met uiterste precisie getrokken. Het beeldend werk van Jan Wybenga is een curieuze escapade in die nog altijd voortdurende stammenstrijd. Niet meer maar ook niet minder.

1 Reactie »

  1. Goaitsen van der Vliet

    20 februari 2015 op 16:56

    Beste Huub Mous,
    Hoe kom je erbij dat ik geweigerd heb om mee te werken aan het Wijbenga-boek?
    Ik heb op verschillende punten een bijdrage geleverd, zowel via uitgever Goasse Brouwer als via inleider Abe de Vries.
    Helaas waren mijn mogelijkheden beperkt door intensieve bezigheden in mijn woonplaats Enschede, en door de eigenzinnigheid van Goasse Brouwer. Van echte samenwerking kon daardoor helaas geen sprake zijn. Maar een weigering is nooit aan de orde geweest.
    Goaitsen van der Vliet

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)