Opgroeien tussen paters en boeken
‘Eigenlijk was de homoseksualiteit op de diverse instituten waar ik onderwijs heb mogen genieten, volkomen geaccepteerd,’ ging De Gekwelde Man gedreven verder. ‘Paters die jongetjes lieten nablijven en ze dan op hun schoot trokken, of priesters die ons kwijlend de biecht afnamen: “En? Hoe vaak heb je van de week aan jezelf gezeten?” Dat was in feite normaal – die broeierigheid. Ja, dàt is het woord: broeierig. Het was broeierig, op die door paters geleide knapenbunkers.’ Hij glimlachte even, zeer zonnig. ‘En het heeft ons geen kwaad gedaan’, murmelde hij. ‘Het was uiteindelijk: gewóón. Het hoorde bij de godsdienst’ . Kortom, in het vervolg lijkt de sfeer bepaald te worden door dezelfde positieve grondhouding, als die van één van de makers van Blvd, die onder de titel ‘Jezuïeten in Cyberspace’ in De Groene van 5 juli 1995 stelt: ’De jezuïeten stimuleerden mijn talenten, gaven mij zelfvertrouwen. Je moet woekeren met de talenten die je hebt, zeiden ze … Jezuïeten zijn nieuwsgierig, lezen veel, vinden kennis belangrijk. Blvd heeft geen missie, maar het creatieve element heb ik wel degelijk meegekregen van de jezuïeten.’
Dit is een citaat uit het boek ‘n eeuw IG (1995) waarin Paul Verberne onder meer herinneringen verzameld heeft van oud-ignatianen aan hun schooltijd bij de paters jezuïeten. Uiteraard kon het pijnlijke onderwerp van het seksuele misbruik van leerlingen niet onbesproken blijven. Iedereen die bij de jezuïeten op school heeft gezeten kent zulke verhalen, zo niet uit eigen ervaring, dan toch uit de mond van anderen, jaren later verteld, soms besmuikt, maar vaak ook met een opmerkelijk begrip achteraf. Het hoorde er nu eenmaal bij. Dat is ook de toon die in de reacties van het jubileumboek over het IG is terug te vinden. Achteraf is er meer waardering voor de stimulansen die de paters jezuïeten je hebben meegegeven, dan de broeierige vergrijpen in en om de biechtstoel. ‘De jezuïeten brachten me aan het lezen’, zo hoor je vaak. Ze brachten me belangstelling bij voor kunst en cultuur. Ze leerden me creatief en zelfstandig denken. Ze leerden me met respect om te gaan met boeken. Het universum van de jezuïet, was eerder de wereld van het boek, dan het domein van de jongensonderbroek. Maar is dat wel zo?
Opgroeien in de letteren is dit jaar het motto van de Boekenweek. In deze tijd van massale ontlezing heeft iemand het kennelijk zinvol geacht mensen te wijzen op de invloed die literatuur op een mensenleven kan hebben. Dit thema heeft prompt geleid tot allerlei voorspelbare reacties. Schrijvers verdringen zich om te wijzen op het boek dat hen het meest heeft beïnvloed. De Leeuwarder Courant laat elke dag een lezer aan het woord over het favoriete boek uit zijn of haar jeugd. Iedereen heeft opeens een ‘beslissend boek’ dat zijn leven veranderd heeft. Adriaan van Dis, die tijdens het boekenbal als een volleerd performer enkele strofen uit de Gijsbrecht al rappend ten gehore bracht, wees op het boek Karakter van Bordewijk dat bepalend is geweest voor de vorming van zijn eigen karakter. Alleen Marjolein Februari roeide tegen de stroom in en hield een pleidooi om niet te hoeven lezen als je jong bent, om niet aangeraakt te worden door de grote literatuur.
Of je nu aangeraakt wordt door paters of door boeken, het zal me eerlijk gezegd worst wezen. De jezuïeten hebben ook mij aan het lezen gebracht, dat is zeker, maar denk ik daarom met dankbaarheid terug aan die tijd? Eerlijk gezegd kan ik een heel eind met Marjolein Februari meegaan. Ik word ook altijd een beetje kriegel als iets zo nodig moet. Kunst moet want het is goed, ja aan mijn hoela. Niks moet, en kunst al helemaal niet, laat staan literatuur. Misschien komt het inderdaad door die verknipte opvoeding bij de paters jezuïeten, maar ik herinner me toch ook ander dingen die ze me bijbrachten. Zo wisten ze je bij elke gelegenheid op het hart te drukken, dat al het menslijk presteren – ook in artistieke zin – op ijdelheid berust. Ik kan me nog goed herinneren hoe pater Lorié SJ, die begiftigd was met een redelijk excentriek karakter, voor de klas een pleidooi hield om de Nachtwacht van Rembrandt in stukken te snijden en als strijkplank te gebruiken. Veel later las ik pas, dat Marcel Duchamp ooit exact het zelfde heeft beweerd. De grote kunstwerken uit het verleden zijn idolen voor de geest. Met grote boeken is het niet anders. We zijn geneigd deze cultuuruitingen te vereren als waren het afgoden, waarmee we niet alleen onszelf als mens naar beneden halen – alsof wij niet meer tot zulke meesterwerken in staat zijn – maar ook God beledigen, want hij is groter dan welke grote schrijver dan ook. Dat zeiden de jezuïten!
De bibliotheek van het Sint Ignatiuscollege, 1931
Wat is een boek eigenlijk? Het boek is een verzameling van beschreven en bedrukte vellen, in een band gebonden of ingenaaid. Zo staat het tenminste in het woordenboek. Het boek heeft geen wezen of essentie. Het boek is ook niet eeuwig. Het is een historisch fenomeen dat wellicht op het punt staat te verdwijnen. Het gedrukte boek is een middel dat eigen was aan een historisch en daarmee ook eindig tijdperk. Het boek is een symbool van onze geletterde cultuur. De gedachte dat het boek een verdwijnend fenomeen zou zijn, is niet van vandaag. Binnen het modernisme van de twintigste eeuwse avant-garde was vaak een zekere afkeer tegen het boek te bespeuren.
De futuristen kwamen er zelfs rond voor uit. ‘Het boek als middel tot behoud en overdracht van gedachten,’ schreef Marinetti in 1916. ‘Het boek is volledig verouderd en sinds lang gedoemd te verdwijnen zoals kathedralen, torens, vestingmuren en het pacifistische ideaal.’ En ook het manifest van De Stijl van 1920 wond er geen doekjes om: ‘De naturalistische clichés en de dramatische woordfiles die de boekenfabrikanten ons leveren per meter en per pond bevatten niets van de nieuwe handgrepen van ons leven.’ Zo werd het boek in de twintigste eeuw stilaan het symbool van het Gutenbergtijdperk dat op zijn eind ging lopen. In de zestiger jaren dacht de mediaprofeet Marshall McLuhan dit tijdperk voor het eerst definitief af te kunnen sluiten. De uitvinding van de boekdrukkunst werd door hem beschouwd als een bron van vele kwalen, die in het nabije ‘elektronische werelddorp’ weldra tot het verleden zouden behoren. Uniformiteit, desintegratie van de zintuigen, de ontkoppeling van gevoelen verstand, de breuk tussen instinct en intelligentie en de handeling zonder geïnvolveerdheid, dat alles zou in meerdere of in mindere mate de schuld zijn van het boek.
Ik zal het afscheid van het boek niet betreuren, maar eerder toejuichen. Ik ben opgegroeid en zelfs vergroeid met het boek. Maar ik zie ook dat het boek mensen meer verdeelt dan samenbindt, dat het gezagsstructuren meer bevestigt dan ondergraaft. De geletterde cultuur van het boek heeft machtige elites gecreëerd die het altijd beter weten. Het boek was ook altijd beter, zelfs beter dan de film die tien Oscars won. Maar die tijd loopt op zijn eind. De lineaire structuur van het boek creëert domheid in een wereld die steeds meer door non-lineaire structuren bepaald wordt. Nieuwe media creëren de condities voor een meer open vorm communicatie en een optimale uitwisseling en spreiding van kennis en macht. Verknochtheid aan het boek is geen argument vóór het boek. De intimiteit, die in het materiële karakter van het boek besloten ligt, weegt uiteindelijk niet op tegen de voordelen die nieuwe media te bieden hebben. Uiteindelijk zal het boek verdwijnen zoals ook al zijn voorgangers verdwenen zijn: het tablet, de boekrol, de codex…. De wereld van het boek maakt stilaan plaats voor een gigantisch netwerk van wikipedia’s en weblogs. Het boek wordt een verzamelobject voor bejaarde bibliofielen, papierpulp voor boekenwurmen. Het boek is ten dode opgeschreven, alleen de sterfdatum staat nog niet vast.
Daarom vieren we elk jaar weer de Boekenweek, met steeds meer overgave. Wat verdwijnt moet immers gekoesterd worden. Door een pleidooi te houden voor het boek onderscheiden wij ons van een ongeletterde massa. Door een ‘beslissend boek’ te noemen, laat je zien dat je leven ooit veranderd is door een boek. ‘Ik lees een boek, dus ik ben niet van de straat.’ Boeken zijn het elitaire onderscheidingsteken bij uitstek voor de snobist. Ik haat het boek. Dat vreemde ding, dat zelfs heilig kan worden en religies van start heeft doen gaan. Laten ze volgend jaar een ander thema bedenken: ‘Leven zonder boeken!’ Dat zou pas echt vernieuwend zijn. Ik stem op de partij zonder boek. Ik geloof in de religie die geen heilig boek heeft. Ik hou van de mensen die nooit een boek gelezen hebben. Ik zou graag al mijn boeken achter me laten. Het lezen achter me laten. De literatuur vergeten. De kunst vergeten en me langzaam herinneren, dat er een tijd is geweest zonder boeken. Die gelukkige tijd dat het leven zelf er nog toe deed en niet de literatuur.


Lammetje 456398
11 maart 2010 op 11:50
Zie wel, eerst gebonden en daarna genaaid.
Gelukkig had jij in die tijd op het IC je boeken, dan kon je tenminste daarover biechten.
De menselijke geest is nooit lineair geweest.
Lineair denken werd ons opgedrongen door verlichten en filosofen, die redenatielijnen voor ons uitzetten. Dit rationalisme heeft ons heel veel opgeleverd. Bijvoorbeeld de hedendaagse wetenschap. Maar nu wordt voor velen overduidelijk, dat onze geest veel meer kan dan zich door een troosteloze, rationele goot te laten spoelen.
Smots
11 maart 2010 op 11:59
Men beschouwe het boek
als peerd van ome Loek
Guster nog goud gezond
als een doos bonbons in ‘t rond
Het boek is hartstikke dood
je kenn der niet van vreten
het is slecht voor analfabeten
geef mij maar een half brood.
Huub Mous
11 maart 2010 op 12:24
Wie gaat er nog met een boek naar bed
Dat deed je vroeger, toen was dat nog pret
Tegenwoordig lees je niet meer onder ‘t laken
Daar kun je niet meer opgewonden van raken
Het lezen is meer iets van oude mensen
dingen die voorbijgaan als kinderwensen
aan het voeteneinde staat als engel van God
onze tweede tv als slaapkamergenot
Smots
11 maart 2010 op 12:52
Ik slaap nog wel met een beduimeld oud kaft
de inhoud heb ik al sedert jaren afgescheurd
ik kan niet anders zeggen dat het prima maft
en zelden wil mijn ega nog een grote beurt.
Inderdaad van voorbijgaan en de oude peerden
in een tijd dat we ons op papier manifesteerden
soms wil ik vol genot in mijn kijkbuis kruipen
middernacht stiekem de voorkamer in sluipen
Huub Mous
11 maart 2010 op 13:14
Ik zie die beelden ‘s nachts ondertussen
Aan het voeteneind aan mij voorbij trekken
Dat wil de tijd nog wel eens wat oprekken
Slapeloosheid is des duivels oorkussen
Dan helpt het lezen helaas niet meer
De geest wil beelden en geen letters
Wij zijn niet meer vroom, maar ketters
God was Het Woord, maar Hij is er niet meer
Vandaar dat wij nu Het Beeld aanbidden
Als een Gouden Kalf, subliem, ongeletterd
Wij gaan erin op, we worden verpletterd
Door Het Beeld dat aanwezig is in ons midden
Die voortdurende Presentie van Het Beeld
doet ons vergeten dat in den beginne
Het Woord er was om ons te beminnen
Nu is er Het Beeld dat de aandacht steelt
Smots
11 maart 2010 op 14:30
Een gouden kalf heb ik nog nooit gewonnen
alhoewel ik ooit als talent ben begonnen
in mijn nieuwste film speelt Kees Brusse
naar later bleek betrof het mijn hoofdkussen.
Televisiekijken is veel beter dan lezen
een televisiedominee doet ons werkelijk vrezen
zonder televisie ben ik maar een heiden
zie ik Katja wederom haar benen spreiden.
Soms lees ik nog wel eens in Jiddu Krisnamurti
de nieuwe Ned-talige roman van Simen Oetie
die las ik gister in de bus met veel interesse
al verlang ik ook naar een strenge meesteresse.
Ik had het boek van mijn uitgever gekregen
tegelijkertijd motivatie voor een langer leven
ik dacht inderdaad weer even aan den beginne
toen Adam Eva nog niet mocht beminnen.