Riemersma en Reve

“Hebt u de vertaling van ‘Fabryk’ van Trinus Riemersma al gelezen?” – “Nee gelezen heb ik hem niet, verdomme, dat is een schandaal, want ik heb die hier liggen. Ik moet het eigenlijk lezen, zeker nu mijn kunstbroeder zo is aangevallen in zijn dorpje. “ – “Wat was uw indruk van Riemersma?’- “ Nou ik vond hem aardig, ik vond hem erg integer, erg hartelijk. Hij is wel een beetje zwaar op de hand, dacht ik. Ik vond hem een beetje een tobber…”

Aldus Gerard Reve in een interview Jaap de Boer en Hermyn Joustra in het tijdschrift Catheder. Deze passage werd kort daarna opgenomen in De Strikel in mei 1967 en dertig jaar later geciteerd door Babs Gezelle Meerburg in haar boek Hwant wij binne it nijs ûnder en boppe de sinne (1997). Reve kende Riemersma, want die was ooit met zijn brommertje helemaal vanuit Gau bij hem langs geweest in Greonterp. Reve had wat ‘skiterich‘ opengedaan, want Riemersma had zijn komst bij de volksschrijver niet aangekondigd. Toch verliep het gesprek allerhartelijkst, zoals Riemersma ook later liet weten. Bij die gelegenheid moet Riemersma vast een exemplaar van Fabryk bij zich hebben gehad, hetzelfde exemplaar dat Reve in 1967 nog niet gelezen had. Wellicht heeft Reve dit boek nooit gelezen, maar sympathie voor de ‘tobber Riemersma’ had hij dus wel.

De situatie in het dorp van Riemersma, waar Reve aan refereert, lag toen nog vers in het geheugen. Tijdens de nieuwjaarsnacht van 1967 was de voorruit van het huisje van Riemersma in Gau besmeurd met mest. Het leek een oudejaarsstunt, zoals die wel meer voorkomen in Friese dorpen, maar hier was iets anders aan de hand. Riemersma woonde hier al een jaar samen met zijn vrouw en drie kinderen. Hij was onderwijzer op de plaatselijke school, dus beslist geen vreemde eend in de bijt. In de krant werd gespeculeerd over een wraakactie. Het dorp zou hem als controversieel schrijver niet accepteren. ‘Ik smyt allinne mei stront. Ik haw gjin boadskip’ had hij zich ooit in een interview laten ontvallen. Er gingen zelfs geruchten, dat hij ontslagen was op school of zelf ontslag had genomen.

Al gauw bleek dat er iets anders aan de hand was. In zijn laatste boek Minskrotten-Rotminsken (1966) had Riemersma geschreven over een leerlinge in zijn klas die door een tankwagen overreden was. Het ongeluk had hem diep aangegrepen. ‘Waarom heeft dit kind geleefd? zo vroeg hij zich af. Hij had God vervloekt. Godverdomme, geroepen tegen dezelfde God die nu met zijn handen in zijn zakken rondliep in de hemel. Het was een felle aanklacht tegen de God die dit tolereerde, een onschuldig kind dat was verpletterd. Geen barmhartige taal, geen woord ook van mededogen. Gerard Reve had in zijn gedicht Graf te Blauwhuis ook over een kind geschreven dat op brute wijze uit het leven was weggerukt….’ een kind nog, dag lieve jongen.’ Wellicht hadden ze daarover gesproken, Reve en Riemersma, op die dag in Huize het Gras in Greonterp. Riemersma worstelde met de God van de orthodoxe christenen, de God uit het milieu waar hij zelf uit voortkwam, de God van zijn school, waar hij les gaf, de God van het schoolbestuur, de ouders van al die kinderen. Het moest een wrede God zijn, als er al zoiets als een God bestond.

In april 1967 zou Riemersma alsnog worden ontslagen. De affaire was door gaan wroeten. De ouders van het verongelukte kind hadden bij de RONO een geproken recensie gehoord van zijn boek. Ze voelden zich gekwetst over wat erover hun kind werd geschreven in die onbarmhartige taal. De zaak bracht destijds heel wat pennen in beroering. Fokke Sierksma, Lolle Nauta, Geart Jonkman….iedereen had er een mening over en lang niet iedereen was het met Riemersma eens. Verse wonden mag je niet openrijten en zeker niet in je eigen omgeving. Maar waarom dan die mest in de nieuwjaarsnacht? ‘Land van mest, mist en mythe‘, zo schreef Fokke Sierskma in De Nieuwe Linie. Het was een bewogen tijd, waarin allerlei conflicten in de literaire wereld van Friesland tegelijk de kop op staken en zelfs in de Randstad niet onopgemerkt bleven. Al die ophef moet de reden zijn geweest waarom Riemersma op zijn brommertje naar Greonterp is gereden. Toen Gerard Reve in april 2006 overleed, kwam Riemersma nog eenmaal terug op die wonderlijke audiëntie destijds. De aanleiding was, zo schreef hij, dat Reve weer eens van een schoolbestuur geen lezing mocht houden, dit keer bij de kweekschool in Sneek.

Riemersma moet veel in Reve hebben herkend. Hij had bewondering voor de wijze waarop hij Hendrik Algra van repliek diende. Hoe hij tekeer ging tegen de aanhangers van ‘de God der wrake’, tegen de waarheidswaan van de mannenbroeders. Reve ging diep door het stof in zijn Ezel-proces. Voor Riemersma moet het een déja vu zijn geweest. Niet alleen de wijze waarop Reve zich verdedigde, bewonderde hij. Hij had vooral respect voor de houding van Reve die – ondanks zijn felle strijd tegen de othodoxen – toch tot een authentieke godsbeleving kon komen. Dat laatste, daar had Riemersma zelf moeite mee. Een God, die een kind onder een tankwagen laat sterven, heeft immers geen recht van bestaan. Achteraf beschouwd is deze problematiek misschien wel het kernthema van zijn werk uit de jaren zestig. Ook in Fabryk was hij al tegen deze wrede God te hoop gelopen: “Men soe in kanon bouwe moatte en dêrmei de loft ôftaeste, dat, as der al in God is, hy wjoklam út de himel plofte en seach yn hokker rotsoai wy hjir sitte. Mar as der gjin God is, of as de ellinde hem neat skele kin, hwer moatte wy dan mei ús leed keare? Hwat moat ik dwaen as ien my syn fertriet yn hannen  triuwt…”

Dat was precies wat hem een paar jaar later zou overkomen, toen dat meisje uit zijn klas onder die tankwagen kwam. Als er een God is, was dit een verschrikking, maar als er geen God is, wat dan? Na zijn ervaringen in Gau en zijn bezoek aan Reve, schreef Riemersma de roman De Hite Simmer (1968). Het werd een afrekening met de Friese dorpsmentaliteit, maar ook zijn laatste ‘kristlike roman.’ De vorm is geïnspireerd door Nader tot U van Reve. Nader tot U besluit met 3o geestelijke liederen. De Hite Simmer vindt zijn bekroning in 25 fersen. Reviaanser kan het niet, zeker niet als het over ‘de niet bestaande God’ gaat, naar wie hij ondanks alles –  als een verliezer zelfs – toch bleef verlangen. Zoals Reve in zijn Dagsluiting eigenlijk aan niets geloofde en twijfelde aan alles, zo had Riemersma zijn eigen twijfels, al dacht hij misschien dan niet als Reve, dat God ook hem zocht, zoals hij Hem.

Jo dy’t net besteane God

Ik haw langst nei Jo

frou en berne sliepe

mar ik haw langst nei Jo

ik bin mêd God

ik haw myn krûd fersketten

en ik haw ferlern

(fers 3)

 

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)