Creativiteit en management

Ik begin al aardig thuis te raken in het lezingencircuit. Maandag in de Pier Pander tempel, zij het voor één bezoeker. Woensdag in het Piter Jelles College voor een zaal van dertig leerlingen. En gisteren in de Ecokathedraal in Mildam, voor zestig leerlingen van de Academie Bouwkunst in Rotterdam. Er zit dus een stijgende lijn in. De laatste twee lezingen hadden wonderlijk genoeg iets met elkaar gemeen. Woensdag mocht ik een inleiding houden over ‘de creatieve stad’ op basis van de ideeën van Richard Florida. En gisteren waren de ecokathedrale structuren in het denken van Louis Le Roy aan de orde. Beide goeroes hebben iets met elkaar, terwijl ze ook hemelsbreed van elkaar verschillen. Beiden hebben ideeën het over het inschakelen van menselijke creativiteit in een stedelijke context. Florida is de goeroe van het nieuwe kapitalisme, waarin creativiteit de motor is van de economie. Le Roy is de goeroe van het ecologisch denken van het anders-globalisme, waarbij de vrije energie van de mens wordt ingeschakeld in duurzame processen in ruimte en tijd.

De locaties van beide lezingen vormden in zekere zin elkaars tegenpool. De lezing in het Pieter Jelles College vond plaats in het bestuurscentrum. Dat is een apart gebouw, los van de vele vestigingen die deze scholengemeenschap heeft, zowel in Leeuwarden als daarbuiten. Het management heeft voor zich zelf een eigen onderkomen gecreëerd in een hypermodern gebouw dat van alle technische snufjes is voorzien. De organisatie van deze onderwijsinstelling is kennelijk ‘top down’ georganiseerd, in tegenstelling tot het type onderwijs dat in praktijk wordt gebracht. De afdeling ‘Impulse’, waar de opleidingen  ‘cultuur en economie’ en ‘maatschappij en economie’ zijn ondergebracht, hanteert het zogeheten systeem van ‘het nieuwe leren’ dat de laatste jaren nogal in opspraak is.

Kort gezegd komt dat ‘nieuwe leren’ er op neer dat er geen pakket kennis wordt overgedragen, maar trajecten met de leerlingen worden afgesproken, waarlangs zij individueel of in een groep zelf kennis kunnen verwerven. Het gaat daarbij meer om zogeheten ‘competenties’ (vaardigheden) dan op afgeronde kennis die in boeken te vinden is. De leerlingen krijgen aan het begin van het jaar ook geen schoolboeken, maar een laptop. Dat is hun belangrijkste instrument om mee aan het werk te gaan. Zo zat ik met een zaal van dertig vierdejaars-leerlingen die allemaal achter hun Apple-laptop zaten. Meteen na de lezing begonen ze druk te typen en te Googelen.  De docent is bij deze vorm van onderwijs geen leraar meer,  maar een begeleider of een coach. Wat ik deed – een lezing met PowerPoint – was dus eigenlijk heel ouderwets gebeuren.

Bij de lezing over Le Roy in de Ecokathedraal was ik geheel verstoken van technische ondersteuning. Wij bevonden ons immers in de openlucht. Ik had een plekje uitgezocht, waar zo’n twintig leerlingen in het rond konden zitten onder een grote boom. De groep van zestig was onderverdeeld in drie groepen. Voor elke groep was ik een half uur aan het woord. Daarna gingen ze elders aan het werk met het stapelen van stenen. Ook dit was dus een vorm van ‘nieuw leren’, maar niet volgens een vaststaande methodiek. Het ging om eerste en tweede jaars studenten van de afdeling interieur-vormgeving. De bedoeling was dat ze door deze workshop in de Ecokathedraal en beetje gedeprogrammeerd werden. Jonge studenten interieur-vormgeving zitten nog vaak vast aan de mooie plaatjes die ze zien in glossy tijdschriften. Ze moeten ontdekken dat er ook andere ontwerp-opvattingen zijn, waarbij de esthetiek van het gelikte design niet aan de orde is.

Beide lezingen vond ik zeer inspirerend om te doen. Het leidde na afloop tot uiteenlopende discussies. Bij de het Piter Jelles College waren het vooral een paar docenten die bleven napraten. Zij waren zeer geïnteresseerd in nieuwe methodes van onderwijs, waar de expertise vanuit verschillende disciplines wordt samengebracht. Zet een aantal creatieve mensen bij elkaar in een inspirerende omgeving en je kunt er donder op zeggen dat er vruchtbaar proces op gang wordt gebracht. Hoe kun je creativiteit bevorderen, dat is ook de kernvraag waar het bij ‘de creatieve stad’ om draait. Ik denk dat Le Roy daar een basaal antwoord op heeft gevonden. Creativiteit wordt bevorderd door een omgeving met een hoge mate van complexiteit. Daardoor wordt de keuzevrijheid geoptimaliseerd en ontstaan als vanzelf ordeningen die je vooraf niet voor mogelijk had gehouden.

De hele natuur, maar ook de mens, is een gelaagd complex systeem. Ook een stedelijke omgeving, een organisatie of een onderwijs-instelling zijn gelaagde complexe systemen. Die lagen van het systeem liggen  boven elkaar gestapeld, waarbij elke hogere laag een hogere vorm van complexiteit vertegenwoordigt. In de natuur zijn die lagen uit elkaar voortgekomen. Ze zijn organisch gegroeid. In niet-organische omgevingen is dat niet het geval. Het is dan zaak om een zodanige vorm van complexiteit in het totale systeem te organiseren dat de informatie in de lagere laag niet verloren gaat in de hogere laag. De natuur heeft daar allerlei hele slimme foefjes op bedacht. Ook de mens zit zo in elkaar. Vanaf de aminozuren tot de neocortex zijn steeds complexere systeemlagen op elkaar gestapeld, waarbij alle informatie van onderop in essentie meegenomen wordt naar boven. Deze complexe netwerkstructuur – die in feite uit de natuur zelf voortkomt – ligt aan de basis van allerlei nieuwe methodieken, en is zowel in het denken van Le Roy te herkennen, alsook in de creatieve industrie. Maar daarnaast ook in het ‘nieuwe leren’ en in de nieuwe media met zijn nieuwe vormen van informatieverwerking en in de zogeheten ‘open source structuren’.

Wat dat betreft is het wonderlijk, dat onderwijsinstellingen die zich op het ‘nieuwe leren’ richten, in hun eigen organisatiestructuur zo weinig doen met de inzichten die dit nieuwe denken heeft opgeleverd. Het Piter Jelles College is daar een schrijnend voorbeeld  van. De organisatiestructuur van deze grote onderwijsinstelling is extreem ‘top down’ ingericht, terwijl het karakter van het onderwijs ‘buttom up’ is gericht. De bestuurscrisis op het Piter Jelles College sleept zich al jaren voort. Dissidente vestigingsdirecteuren hadden onlangs het werk neergelegd, maar zijn uiteindelijk weer aan het werk gegaan. Zij hadden zich na de zomervakantie ziek gemeld vanwege de onwerkbare sfeer in het management van de scholengemeenschap. Het college van bestuur stapte op en er is inmiddels een interim-manager benoemd die het proces weer in goede banen moet leiden.

Ik denk dat de crisis van het Pieter Jelles College niet op zich zelf staat, maar symptomatisch is voor wat er bij veel grote onderwijs-instellingen tegenwoordig aan de hand is. De nieuwe methodiek van het onderwijs, die aansluit bij nieuwe ontwikkelingen in de wetenschap, spoort niet met de wijze waarop het management wordt ingericht.  De verschillende lagen van het systeem communiceren niet meer met elkaar. Informatie, die op de werkvloer wordt opgedaan, stijgt niet meer op naar boven, wat in toenemende mate tot irritatie en ergernis leidt. Uiteindelijk gaat het hele systeem dan spaak lopen. Misschien moeten de colleges van bestuur, die met een dergelijke problematiek te kampen hebben, maar eens een workshop gaan volgen in de Ecokathedraal. Ik wil ze dan graag uit de doeken doen hoe het ook anders kan. Opgave is mogelijk bij de Stichting Tijd.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)