Huizinga als wegbereider

‘Yn wêzen is dizze roman wiswier net nij. It is suver neat oars as in fannijs bearbeide en ferbettere útjefte fan de roman “Homo Ludens’ fan Johan Huizinga, syn uxor carissima taeigene.’ Met deze boodschap aan de lezers begint de kleine roman ‘Leafdedea’ van Homme Eernstma. Dat was het pseudoniem voor Feijo Schelto Sixma Baron van Heemstra’, een ‘Friese provo van adel’, die leefde van 1916 tot 1999. Hij schreef een van de meest merkwaardige boeken uit de Friese literatuur. Het verscheen in 1963 als bijlage van het tijdschrift Quatrebras. Die beperkte verschijning maakte dat het boek aanvankelijk redelijk onopgemerkt bleef, maar na enige tijd bracht het toch een klein schandaal teweeg. Fedde Schurer schreef een vernietigende recensie en liet een verdere analyse van dit ‘woordbraaksel’ aan pathologen over.
Volgens Babs Gazelle Meerburg, die een proefschrift schreef over de vernieuwing in de Friese literatuur in de jaren zestig, is één van de factoren die bijdroegen aan het onbegrip voor romans als ‘Leafdedea’ van Homme Eersntma, ‘De smearlappen’ van Anne Wadman en ‘Fabryk’ van Trinus Riemersma, dat het Friese publiek pas later gewend raakte aan stijlmiddelen als ironie en groteske. Volgens Josse de Haan heeft ‘Leafdedea’ meer nog dan ‘Fabryk’ en ‘De smearlappen’ bijgedragen aan de vernieuwing van de Friese literatuur. In zijn nawoord in de heruitgave van de roman uit 1994 schrijft hij: ‘De ‘boartsjende mins’ fan Huizinga krijt op in tige eigen wize stâl yn ‘leafdedea’. Ironysk en humoristysk, soms theatraal en byldzjend.’

Ik kreeg het boekje – met fraai omslag, ontworpen door Josum Walstra – enige tijd geleden toegestuurd van Josse De Haan. Het zat in een groot pakket met documentatiemateriaal over de avant-garde in Friesland in de jaren zestig. Gisteren wees Josse me in een mail nog eens op de link tussen Homme Eernstma en Johan Huizinga’s ‘Homo Ludens’. Wonderlijk dat Homme Eernstma het boek ‘Homo Ludens’ een ‘roman’ noemt. Terwijl het toch zijn ‘uxor carissima’ is, anders gezegd: ‘zijn meest dierbare vrouw’. Is dat ironie? Of heeft hij het boek misschien niet eens gelezen? Heeft hij er alleen maar naar gekeken, zoals je naar een mooie vrouw kijkt?
Bouke de Jong, die het boek in 1964 recenseerde in het tijdschrift Asyl, noemde ‘Leafdedea’ een grotendeels mislukte roman. Volgens hem was ook niet duidelijk waar het boek nu eigenlijk een parodie op was, terwijl de oproep aan de lezers in het begin toch geen ruimte laat voor misverstand. Zelfs de naam ‘Homme Eernstma’ is als pseudoniem waarschijnlijk ontleend aan de woorden ‘Homo Ludens’. Niet ‘de spelende mens’ maar ‘de ernstige mens’ schreef dit wonderlijke boek, waarin het ludieke in een dialectische volte getransformeerd wordt in het ernstige en omgekeerd. Het is literatuur die zijn eigen wetten en regels opzoekt in het spel van schijn en werkelijkheid, maar ook andersom: in een spel van werkelijkheid, droom en toeval.

Het boek ‘Homo Ludens’ was in het begin van de jaren zestig heel populair. Ik kan me herinneren dat ik er in 1964 voor het eerst van hoorde van mijn toenmalige leraar Nederlands, pater Jansen S.J., die zeer goed was ingevoerd in de moderne Nederlandse literatuur. Hij gaf ons als opdracht, weet ik nog, om een opstel te schrijven over ‘De spelende mens’. De tekst daarvan ben ik helaas kwijt geraakt. Het woord ‘ludiek’, dat door Huizinga in de Nederlandse taal is geïntroduceerd, zou in de jaren zestig door de Provo’s tot een cultwoord worden verheven. De ‘sixties’ waren het decennium van de spelende mens. Ook Louis le Roy las in die tijd het boek van Huizinga en verwees ernaar in zijn stellingen voor een nieuwe mondiale ecocultuur.
Zelfs de Parijse revolutie van mei 1968 heeft een directe link met de gedachten van Huizinga over de spelende mens. Een belangrijke ideoloog van de mei-revolutie was Guy de Debord, die ook wel de ‘paus’ van de situationisten werd genoemd. Debord was eind jaren vijftig door Constant Nieuwenhuys gewezen op het boek ‘Homo Ludens’. In zijn dissertatie over de situationisten – ‘Beweging tegen de schijn’ – meldt Har Sanders dat het boek van Huizinga al in 1946 gedeeltelijk in het Frans was vertaald door R.Callois in het tijdschrift ‘Confluences’. De ‘Homo Ludens’ had ook al grote invloed op de zogeheten ‘Lettristen’, een avant-garde beweging die in de jaren vijftig aan de situationisten vooraf ging. Kortom, Huizinga is met zijn ‘Homo Ludens’ een van de wegbereiders geweest van de culturele omwenteling van de jaren zestig. Dat een doemdenker als hij dat op zijn naam heeft staan is achteraf op zijn minst opmerkelijk te noemen.
Ik kocht de verzamelde werken van Huizinga in 1969. Die lagen toen voor 25 gulden in de ramsj. De negen delen – in ingenaaide licht-groen-blauwe banden – prijken nog altijd op de bovenste plank van mijn boekenkast. Vooral deel III – met de Herfsttij der Middeleeuwen – is helemaal stukgelezen. Maar ook andere delen vertonen sporen van slijtage, hoewel ik niet kan zeggen dat ik alles van Huizinga geconsumeerd heb. Er zitten ook veel gelegenheidsteksten bij. Onlangs heb ik zijn beroemde rede uit 1934 nog eens herlezen: ‘Nederlands geestesmerk’ .Tegen de achtergrond van de huidige discussie over Nederlandse identiteit is dit een belangwekkende tekst. Huizinga beweert in feite dat er geen homogene Nederlandse identiteit bestaat. Nederland is een historisch product van ‘De zeven Provinciën’ en kent belangrijke verschillen tussen noord en zuid, oost en west. Je zou deze rede van Huizinga – die duidelijk ook als vermaning is bedoeld tegen het opkomend fascisme – anno 2008 kunnen herlezen als een pleidooi voor culturele verscheidenheid en het belang van regionale culturen. Letterlijk schrijft hij:
‘In dat proces van afzondering en samenvoeging verbinden zich, gelijk in elk historisch proces, factoren van algemene aard met incidentele gebeurtenissen. Wie het oog vooral op het eerste richt, en aan de geografische en ethnische voorwaarden een deterministische betekenis voor de gehele ontwikkeling zou willen toekennen, moge wel bedenken, dat die factoren geheel verschillend zijn voor het Zuiden en voor het Noorden, en binnen het Noorden weer geheel verschillend oor de zeekant en de heikant.
Als prinses Máxima zoiets vandaag de dag zou beweren dan zouden de poppen weer aan het dansen zijn. Huizinga heeft gelijk. De Nederlandse identiteit bestaat niet. De Friese trouwens ook niet.
Ischa
11 januari 2008 op 15:54
Betreft bijdrage van 9 jan met als titel Hersenmystiek.
Na jouw stuk gelezen te hebben ben ik op zoek gegaan naar Chris Verburg. Googlelen op deze naam leidde nergens toe. Dagen later kreeg ik toegang tot de elektronische editie van de VK. Ik vond toen het artikel van een Kris Verburgh waar jij dus op aansloot.
Inderdaad een heel interessant artikel en gelukkig heel goed leesbaar. Dat laatste kan ik niet echt zeggen van jouw stuk. De derde revolutie waar hij over spreekt moet jij ook zeker niet verwarren met het werk van Freud. De bijdragen aan de wetenschap van deze Oostenrijker kunnen, naar ik begrepen heb, vele huidige hersenonderzoekers missen als kiespijn.
Jij noemt Verburgh’s artikel een ontluisterend betoog.
In je vervolg diskwalificeer je ook betogen van hersenwetenschappers omdat hun, door jouw vermeende, wereldbeeld jouw niet past.
Bestond de inquisitie nog maar, dan hadden wij wel een oplossing voor dergelijke schijnwetenschappers.
Jouw diskwalificaties zijn uiteraard geheel voor jouw rekening.
Chris Verburgh schrijft zelf: “Door te achterhalen hoe spiritualiteit ontstaat, blijkt dat veel interpretaties die de mens aan dit soort ervaringen geeft verzonnen zijn.”
Dus Verburgh trekt de spirituele ervaringen zelf allerminst in twijfel. Hij zegt alleen dat i n t e r p r e t a t i e s ervan verzonnen zijn.
Jij plakt wetenschappers een reductionistisch paradigma als fundament van ons wereldbeeld op de buik. Als jij dat zo wilt opschrijven dan zegt dat meer over jouw afschuw van zo’n wereldbeeld dan over het onderzoek van een wetenschapper. Zo’n onderzoeker doet gewoon zijn werk, zonder het bord van jouw reductionistisch paradigma voor zijn kop. Dat bord zit alleen voor jouw kop en door anderen daarmee op te schepen creëer jij je eigen gelijk.
Je kan beter ook niet schrijven over “ons” wereldbeeld, als je die wetenschapper dat door jou vermeende wereldbeeld in de schoenen schuift en als je daar zelf ook nog eens afstand van neemt.
Jouw zinnen over Stephan Jay Gould zeggen alles over jouw wensen en niets over zijn latere levensvisie. Die visie zou je eens waardevrij kunnen opschrijven alvorens je over borrelpraat begint.
Jij schrijft: “Religie is gegrepen worden door een scheppende kracht die voortdurend aan de wereld ten grondslag ligt”.
Ja, zo zou je dat kunnen zeggen, al laat ik mij gelukkig niet dagelijks grijpen.
Een hypergevoelige jongen die in zijn puberteit jarenlang onderhanden is genomen door vele S.J.’ ers, moet zich uiteraard en onvermijdelijk een zeer liederlijk wereldbeeld hebben toegedicht. Sommigen komen dat nooit meer te boven. Heb je al hulp proberen te vinden bij de Creationisten? Gesloten deur bij Prof Dekker? Zelf niet wetenschappelijk genoeg bezig?
Jammer, maar nieuwe creatieve groepen met spijtoptanten schieten heden ten dage als bosjes uit de koude grond.
Juist de meest dichterlijke discipelen onder deze nieuwlichters, zijn in staat om met hun kletsnatte kwast mensen, die een minder liederlijk wereldbeeld hebben, driedubbel plat achter het behang te plakken. Knevelen is hierbij vergeleken, nog niets.
N.a.v. de reactie van Frank Andriesse.
Ik bespeur niets dogmatisch in het artikel van Kris Verburg. Integendeel.
Door echter het beschrevene dogmatisch te gaan noemen, creëert ook Jan Andriesse zijn eigen gelijk.
Voor degenen die zich willen laven aan de oorspronkelijke, niet vervuilde inspiratie bron, zie:
http://www.krisverburgh.com/
Huub Mous
11 januari 2008 op 16:17
Lees ook eens de reactie van Jan de Nie op de opiniepagina van de Volkskrant van gisteren: ‘De Boeddha is geen konijn.’ Dat betoog spoort aardig met het mijne. Verder heb ik Jan Verburgh geen onrecht aangedaan. Ik heb duidelijk gesteld dat hij niets af wil doen aan de mystieke ervaring op zich zelf, maar de wijze waarop hij die ervaring reduceert binnen een beperkt neurologisch kader, daar heb ik evenals Jan de Nie grote moeite mee. De Nie redeneert vanuit een boeddhistisch standpunt. Het boeddhime kent geen transcendente God, maar wel een andere opvatting over mystiek dan Verburgh ons voortovert. Ik heb zelf geen last van mijn Roomse verleden. Ik ben agnosticus met een bijzondere belangstelling voor het fenomeen religie. That’s all. Don’t worry about me.
Peter Wesly
8 april 2010 op 12:04
Beste heer Mous,
op uw website vond ik een afbeelding van een potloodtekening van Johan Huizinga, die ook staat in mijn uitgave van Cultuurhistorische verkenningen (1929), daar met de signatuur “L.O.W. 10.VII’29″.
Weet u misschien wie L.O.W. is?
Ik zou u dankbaar zijn.
Met een vriendelijke groet,
Peter Wesly.