Laurens ten Cate

Wolvega0001.JPG

Vandaag ben ik in het Historisch Centrum Leeuwarden bezig geweest met het archief van Aiko van Hulsen. Het is een verzameling van 55 plakboeken met prachtig materiaal: niet alleen krantenknipsels, maar ook foto’s, correspondentie, originele uitnodigingskaarten en teksten van openingstoespraken. Zo stuitte ik op een openingsrede van Laurens ten Cate, uitgesproken ter gelegenheid van de kersttentoonstelling van ‘It Frysk Palet’, op 15 december 1960. Het is een indrukwekkende redevoering, op zeven dichtgetypte foliovellen, waarin Ten Cate werkelijk de vloer aanveegt met de hele Friese kunst en cultuur van die dagen. Ik heb nog nooit zo’n felle tirade gelezen tegen provincialisme en middelmatigheid. Het is ook een bevlogen pleidooi voor kwaliteit. Deze rede was voor mij vandaag een eye-opener. De tekst werpt opeens een heel ander licht op het kunstklimaat van de jaren vijftig in Friesland, toen de regentencultuur van de Fryske Kultuerried de boventoon voerde. Dat klimaat werd opeens openlijk als beklemmend bestempeld.

Ik zal passages van deze toespraak verwerken in de publicatie waar ik mee bezig ben, maar eigenlijk vind ik dat deze tekst van Ten Cate nog eens integraal gepubliceerd zou moeten worden (in De Moanne of op Farsk bijvoorbeeld), omdat veel van zijn woorden nog altijd – of misschien wel eens te meer – actueel zijn. Meer ga ik er hier niet over zeggen. Laurens ten Cate moet een fenomeen zijn geweest, dat beslist geen blad voor de mond nam. Ik kan hem nog herinneren van tv, toen hij in de jaren zestig in de publiciteit kwam, bijvoorbeeld bij de oprichting van Nieuw Links. Hij sprak altijd heel weloverwogen, weet ik nog. Wonderlijk hoe zo’n capabele man zo snel in vergetelheid raakt. Op Wikipedia is geen woord over hem te vinden. Zelfs de Friese Wikipedia heeft (nog) geen lemma aan hem gewijd. Internet wordt een nieuwe scheidslijn in de eigentijdse geschiedschrijving. Wie vóór de komst van het net zich publiekelijk manifesteerde, heeft geen digitale sporen nagelaten. Zo ontstaat een nieuw soort non-digitale prehistorie.

Laurens ten Cate was voor zover ik weet ooit één van de hoofdredacteuren van de Leeuwarder Courant. Hij kwam van de Friese Kourier waar hij Fedde Schurer had opgevolgd. Ik kan me nog herinneren dat ik in 1972 tijdens een zomervakantie een dag in Friesland verbleef en in Leeuwarden een LC heb gekocht. Terug in de trein las ik een hoofdredactioneel commentaar van Laurens ten Cate dat veel indruk op mij maakte. Ik fantaseerde toen hoe het zou zijn om in Friesland te wonen en te werken, niet wetend dat ik hier later nog eens terecht zou komen. Toen ik hier uiteindelijk aankwam – in 1977 – was Ten Cate in zijn nadagen. Hij had een ernstig auto-ongeluk gehad, waarbij hij een hersenbeschadiging had opgelopen, zodat hij moeite had met schrijven en vooral met zijn geheugen. Niettemin schreef hij nog vaak in de krant, maar zijn teksten waren wat moeilijk te lezen. Het was een staccato-achtige robottaal die in de verste verte niet leek op de taal van de oude Ten Cate.

Ik heb me wel eens laten vertellen dat hij heel treurig aan zijn eind is gekomen. Alleen wonend in een kaal huis met zelfs geen vloerbedekking op de vloer. Ook had hij een gigantische kaartenbak, waarmee hij een soort kunstmatig geheugen opnieuw aan het opbouwen was, om zo zijn haperende brein te kunnen ondersteunen. Alleen al om die reden is het doodzonde dat hij de computer niet meer heeft meegemaakt. In december 1983 – vlak voor zijn dood – heb ik hem nog persoonlijk ontmoet. Dat was bij een tentoonstelling in Wolvega, die hij toen opende (zie foto). Ikzelf had de catalogustekst geschreven. We hebben toen nog even staan praten, hoewel hij nauwelijks nog kon staan. Het was wederom een indrukwekkend verhaal dat hij daar afstak. De laatste woorden van zijn toespraak zijn later opgenomen in het boekje van het aan George Orwell gewijde ‘Project 1984’ van Henk van Gerner, Carlo Kroon en Geert Schaap, waar deze tentoonstelling deel van uitmaakte. Ze luiden als volgt:

‘Wij doen allen wat wij moeten, omdat wij het moeten, zonder te weten waarom wij het moeten en wat er zou gebeuren als wij het niet deden.’

16 Reacties »

  1. Jan

    21 maart 2007 op 22:42

    Er is inderdaad weinig van/over deze heel bizondere man te vinden op internet.
    Dit schamele zootje vond ik:

    Fernand Auwera. Geen daden maar woorden. Interviews
    ……Dat Laurens ten Cate, Guus Dijkhuizen en Hug Boekraad niet in dit boek zitten komt doordat onze beschikbare vrije tijd te ver uit elkaar lag……

    Recensie van: Piet Hagen, Journalisten in Nederland
    Uit Historisch Nieuwsblad, maart 2002
    …..Belangrijker omissies: …… Journalisten als Laurens ten Cate, G.B.J. Hilterman, Henk van der Meyden of Kees Lunshof worden met enkele zinnen afgedaan…..
    Henri Beunders
    Hoogleraar geschiedenis van maatschappij, media en cultuur Erasmus Universiteit

    http://www.keesvanoosten.nl/
    ….Volgens Laurens ten Cate, ooit hoofdredacteur van de Friesche Koerier, wel. ….Die beschouwde de Nieuw Linksers in de PvdA, waar hij aanvankelijk zelf toebehoorde, als ratten op de ladder van de maatschappelijke vooruitgang…..

    De Mensen Mogen Niet Meedoen in Nederland Kanttekeningen Bij De Politieke Gebreken in Onze Democratie
    by Laurens ten Cate
    Author Laurens ten Cate
    Publisher Friese Pers

    Maar: Who the hell is Rimmer Mulder of hoe die man ook heten mag ?

  2. Huub Mous

    22 maart 2007 op 00:41

    Als ik Rimmer Mulder intyp op Google, krijg ik alleen maar mijn eigen naam te zien.

  3. Jan

    22 maart 2007 op 10:47

    Over humor gesproken.

    Inderdaad, de stukjes die de moeite waard zijn gaan over jou.

    Het beste vind ik: Het Gat van Friesland van Eeltsje Hettinga, te vinden op: http://www.theovangogh.nl/Eeltsje_2.html

    Hierbij de beginalinea als herinnering.

    “Ge zoudt ze moeten schoppen, zei Boontje ooit, maar wie in Friesland schopt, loopt grote kans doodgeschopt te worden. Benepenheid, om nog eens die oude door Slauerhoff opgevoerde ondeugd te nemen, is dè deugd van het Friese Midden, een grijs, hoofdzakelijk christelijk-humanistisch geïnspireerd en monolithisch blok, dat met de Leeuwarder Courant voorop het patent heeft op de ‘Beschaafde Achteruitgang’, oftewel: het laten dichtslibben van een werkelijk open mediaklimaat, zoals onlangs bewezen in de LC-affaire. “

    Om de hier weergegeven gang van zaken, blijf ik graag anoniem.
    Ik heb op veel plaatsen gewoond in deze wereld.
    Ik heb overal mijn mening kunnen geven.
    Maar alleen in Friesland word ik daarna bedreigd.

    Voor mij roept jouw blog beelden op uit die film na een atoomoorlog.
    Vanuit één plaats in de woestenij na de explosie, komt nog een radiosein:
    in Leeuwarden is nog leven!

    Ik geloof dat die film was naar het boek van Nevil Shute: On the Beach

    Houd moed, ik hoor je.

  4. josse

    22 maart 2007 op 12:48

    Laurens ten Cate heeft ooit een oneliner geschreven die indruk maakte:

    ‘Links langharig werkschuw tuig dringt de rechtse kortharige schuwe werktuigen in de verdediging’.

    In het tijdschrift ‘trotwaer’ is jaren geleden een briefwisseling opgenomen tussen de schilder Boele Bregman en Laurens ten Cate, waarin Ten Cate zich begrijpend, gevoelig, en vooral kleur- en kunstbestendig laat lezen.

    Opgegroeid met LC-hoofdredacteur Jan Piebenga was Ten Cate voor mij een openbaring, en van hetzelfde kaliber als Lolle Nauta, Hessel Miedema en Marten Brouwer. Met De Blauwe Hand in Harlingen (Josum Walstra), Paul Panhuyzen als Directeur van de Vredeman de Vriesschool probeerde men iets aan het (kunst) klimaat te veranderen.
    Later hebben we met de WKF (Werkgroep Kultuut Friesland) geprobeerd wiggen te slaan. Maar helaas, Hessel Miedema heeft het in DE GREATE WRAKSELING beschreven -gewapend beton kom je als eenvoudig kunstenaartje niet door heen.

    In zijn proefschrift over de LC heeft Broersma weinig over hoofdredacteur Ten Cate geschreven. Een uitvoerige bio over deze belangwekkende figuur zou interessant kunnen zijn.
    josse

  5. Jeltsje

    22 maart 2007 op 13:59

    Goeie bijdragen! Josse en Jan,
    maar even geduld.
    Ik hoor dat Papa “even op stap” is.

    Jeltsje

  6. Smots (onbevlekt vandaag)

    22 maart 2007 op 14:41

    Groetnis fan Smots
    Hy wit alles fan kots
    Kom brûzje en sierde yn it rûn
    Mei beide learzen yn ‘e Fryske grûn

  7. Huub Mous

    22 maart 2007 op 16:22

    Daar ben ik weer. Inderdaad Josse, die briefwisseling tussen Laurens ten Cate en Boele Bregman heb ik ooit gelezen. Toevallig stuitte ik vanmiddag in het archief van Aiko van Hulsen op een krantenknipsel uit 1970, dat ik heb gekopieerd. Het gaat over de WKF (de Werkgroep Cultuur Friesland). Wat was dat voor een club? Ik lees dat ze samen met de Fryske Kultuerried bezig waren om een rapport over de herstructurering van de Kultuerreid.

    Men was het niet eens met de wijze waarop de Kultuerried functioneerde en werd samengesteld. Het moet een rare club zijn geweest. Zo las ik dat men een zo groot aantal mensen wilde inspireren tot ‘kulturele zelfwerkzaamheid’. Provinciaal zouden zich werkgroepen moeten vormen die zelf zouden beoordelen of ze zich bij de Kultuerried wilden aansluiten of niet. Als voorbeelden van werkgroepen werden genoemd….(en nu komt het!) :

    ‘Plastcizakverzameleaars, alternatieve leefwijs-mensen, stokjessnijders, experimentele huis-ontwerper-bouwers, mensen die met groepen werken op cultureel gebied, totaal-speel-mensen, zoekers naar en integratie van diverse cultuuruitingen, overheidsmensen, alternatieve medaille-uitreikers, financieel technische mensen en mensen die schrijven.’

    Dit heeft de journalist kennelijk letterlijk (en met droge ogen) genoteerd. Uit niets blijkt dat hier van enige ironie of dubbele bodem sprake is. Het was een rare tijd toen. Het artikel besluit met de conclusie waar de vergadering het over het volgende eens werd: ‘We zouden niet meer over kunst moeten praten of alles kunst moeten noemen. ‘

    Wat voor club was dat die Culturele Werkgroep Friesland? Zat jij daar soms achter Josse?

    Overigens weet ik dat Hessel Miedema net als Paul Panhuysen bezig is geweest met een alternatieve cultuurnota voor Friesland. Beiden keerden zich fel tegen de Fryske Kultuerried, het bolwerk van Moeke Faber. Maar dan spreken we over begin en midden jaren zestig.

    Hessel Miedena heb ik zelf in 1970 in Amsterdam leren kennen. Van 1970 tot 1977 heb ik kunstgeschiedenis gestudeerd aan de Universiteit van Amsterdam. Tot aan mijn kandidaats was Hessel Miedema mijn belangrijkste docent. Ik had in die jaren een vreemde haat-liefde verhouding met hem. Ik volgde al zijn colleges en werkgroepen, maar ik lag voortdurend met hem overhoop. Ik was gefascineerd door de wijze waarop hij met zijn vak omging. Bevlogen, maar ook meedogenloos voor een nieuwe generatie lakse studenten (zoals ik), die meenden zo nodig het ‘pretvak’ kunstgeschiedenis te moeten gaan studeren.

    Kunstgeschiedenis was een echt vak, zei hij altijd. Ik bewaar nog steeds zijn stencils, niet alleen over Karel van Mander en de kunsttheorie vande Renaissance, maar ook over alle methodische aspecten van het vak. Alles wat hij deed, deed Miedema grondig. In Amsterdam was bekend dat zijn collectiebeschrijving van het Princessehof voorbeeldig was. Niettemin riep hij bij menigeen weerstanden op, niet in de laatste plaats vanwege zijn eigengereide gedrag. Hij was iemand die het conflicten eerder opzocht dan vermeed. Wat je noemt een angry young man.

    In 1972 en 1973 ben ik samen met hem op excursie geweest, eerst naar Venetië, daarna na Florence. In Venetië kwam onze haat-liefde verhouding
    tot een wonderlijke uitbarsting. Ik was zijn fanatieke gedram op een gegeven moment zo zat, dat ik een klapperpistool heb gekocht. Op een van de bruggen van over het Canal Grande heb ik toen een aanslag op hem gepleegd. Op klaar lichte dag!

    Nadat ik hem bedreigd had met de woorden, dat er morgen in de krant zou staan dat hij door een gestoorde student was vermoord, haalde
    ik de trekker over. Hij stond compleet te ‘shaken’ en zijn vrouw naast hem verschoot van kleur. Nadien is het nooit meer echt goed gekomen tussen hem en mij. Hij heeft me uit de werkgroep proberen te zetten, die de excursie naar Florence voorbereidde. Ook heeft hij allerlei strikvragen gesteld bij
    mijn examen voor mijn kandidaats. Maar het is hem nooit gelukt me terug te pakken.

    Hij is nooit professor geworden, daarvoor was hij teveel een dwarsligger. Ik herinner me hem als een bijzonder mens, die soms boven zichzelf uitsteeg. Ik ben er niet bij geweest, maar het verhaal deed de ronde dat hij op een werkcollege kort na het overlijden van een van zijn leermeesters, in trance raakte en een ongehoord boeiend betoog heeft gehouden over de iconologie van de Renaissance. Hij schreef gedegen artikelen over kunsttheorie o.a. van in De Gids en was een van de eerste pleitbezorgers van wat tegenwoordig ‘visual studies’ heet. Zo wilde hij met evenveel kunsthistorische discipline eigentijdse stripverhalen gaan bestuderen in en tijd dat dit nog compleet ‘not done’ was.

    Vorig jaar heb ik Hessel Miedema nog uitgenodigd om met een nieuw gedicht deel te nemen aan de tentoonstelling ‘Tsjin it ferjitten’. In het Fries natuurlijk, want hij heeft – sinds hij boos uit Friesland vertrok in 1963 – nooit meer een woord in het Fries geschreven. Het idee om hem hiervoor te te vragen kwam van Teake Oppewal. Ik kreeg een heel vriendelijk briefje terug, maar hij deed het niet. Uit de aanhef begreep ik dat hij nog wist wie ik was. Zo zie maar weer, de tijd maakt mild en heelt alle wonden.

  8. josse

    22 maart 2007 op 18:03

    Wat jij hebt gevonden over de WKF staat in het 1e Supplemint van trotwaer (sept. 1970). In die werkgroep werd het bestuur gevormd door: Gerben Abma, Chris Fokma, Emmeke de Jong – Wijffels, Tseard Visser en Piter Yedema. Gerben Abma trok de kar. Het was terecht dat Pieter de Groot opmerkte dat het vreemd is dat deze schrijver ontbreekt in het ‘Wolkenboek’. Hij lijkt nog taboe te zijn.

    Anderen zoals Willem Abma, Harmen Abma, Mare van der Woude, ikzelf en meer waren nauw betrokken bij die groep. De tekst die jij citeert is de onzin waarmee we de gevestige orde bestookten.

    We hebben in die tijd ook een alternatieve fictieve schrijversorganisatie gehad – FFFL (Fakferiening Fan Fryske Leterkundigen. We kregen zelfs vertrouwelijke informatie van het ministerie van CRM. Trinus Riemersma, Reinder van der Leest, Willem Abma en ik vormden het fictieve bestuur.
    Die vereniging was zelfs zo verdacht dat bij het jubileum van de echte schrijversbond deze alternatieve niet vermeld mocht worden in het jubileumboek (1995).

    Het heeft alles met de Kultuerrie te maken waar Moeke Faber de marionetten bespeelde – zij adviseerde de provincie, de ministeries, etc. Dit blok was niet in beweging te krijgen. Met Mr. Dr. Klaas de Vries (Fryske Akademy), die een liefde opgevat had voor Zuid-Afrika (broeders in de strijd…), bepaalde zij het klimaat.

    Toen OPERAESJE FERS (telepoezie) de Gysbert Japiksprijs toegekend werd (1969), maar niet uitgereikt, splitsten de geesten zich. In die jaren ’65 – ’70 is geprobeerd iets te veranderen. Soms is dat gelukt, maar meestal won de gevestigde orde.
    Toen ik augustus 1971 naar Noord-Holland vertrok schreef Noordmans in de LC: ‘het zal stil worden in Friesland’. Let op de formulering! S T I L

    Die periode moet nog beschreven worden. Babs Gezelle Meerburg heeft iets over die tijd geschreven wat betreft de literatuur, maar het grootste gedeelte moet nog op schrift gesteld worden. Ik ben benieuwd naar je boek over de kunsten. Het zal een begin zijn.
    Josse

  9. Jan

    22 maart 2007 op 20:07

    Zoekend naar Moeke Faber:
    http://www.volkskrantblog.nl/bericht/98053
    met deze inhoud
    FRED VAN DER WAL: EEN ONGELUKKIGE MOVE
    Geplaatst op 04-01-2007 09:35 door fred van der wal in categorie literatuur

    ‘In 1978 verhuisden ik met mijn echtgenote van uit Amsterdam naar Friesland, in feite een ongelukkige Move, dat heeft eigenlijk onmid dellijk het einde van mijn tot dan toe zeer voorspoedige carriere als gearriveerd beeldend kunstenaar betekend en daar is in die achterlijke provincie mijn werk in de vierentwintig jaar dat wij daar woonden mijn werk genegeerd en gediscrimineerd door de per ongeluk bij gebrek aan gewicht omhoog gevallen boeren van de Friese Pers en het Friese Kunstinstituut, maar ook door Groningse instellingen en hun vertegenwoordigers als die in zijn vrije tijd schilderende tekenleraar, de zwaar brillende kikkerkop Diederick Kraaijpoel en drs. Hans van Seventer uit Aduard, alleen omdat ik ex-Amsterdammer was, dat konden ze niet hebben. Wat stellen Friese kunstenaars eigenlijk voor ? Het stro komt ze van onder de pet vandaan. In Leeuwarden kocht de vrouw van een raadslid kunst aan voor de gemeente, een kogelronde boerin met bloemkool permanent, Moeke Faber heette dat mens, ze liep rond met een boerenzakdoek met vier knopen op d’r hoofd vastge speld op die vette varkenskop, een op het hoofd geplette parasol tegen de zon, langs bloedarmoedige kunstmarkten. De Friese kunstenaars , die schijthuizen, deden het (behalve Fred van der Wal) voor haar in hun broek. Ik ben dus nooit aangekocht. Het kwam in feite in Fries land neer op een Berufsverbot. Ik heb er dus tussen 1978 en 2003 ook nauwelijks kunnen tentoonstellen, behalve twee keer bij de TEM in Leeuwarden, daar regelt een joviale, toffe ex-Amsterdammer (Harald Klinkenberg) de tentoonstellingen en dan nog weigerden de provin ciale kunstredacties mijn werk te recenseren. Gelukkig begrijpen Amsterdammers elkaar met een half woord, zodat met Harald in elk ge val geen Babylonische spraakverwarring ontstond zoals met die Friese klei aardappelen constant het geval was. Tegenstanders van mijn werk in Friesland waren o.a. recensenten Sikke Doele, Huub Mous, Johanna Schuurman en de hoofdredacteur van de Leeuwarder Courant Rimmer (Rimmer; Amerikaans slang voor reetlikker) Mulder of ik kreeg commentaar in het Leeuwarder Sufferdje van een puisterige, zwaar brillende student kunsthistorie die de kunstrubriek er bij deed naast zijn studie, dat mijn werk geschikt was om naast de vullisbak neer te zetten en dat werd nagekwaakt door die duizenden non valeurs die van de contraprestatie vraten, staatskunstenaars als Jan Maas kant die vette percentage opdrachtjes kregen of lid waren van de provinciale artiesten vereniging Fria en nooit iets klaar speelden behalve het communistiese jargon na praten en met hun lul in hun klamme jat andermans wijf verhit achterna liepen, wat de grote mode was onder beeldende kunstenaars van 1945-1990 in Nederland. Ik heb daar nooit aan mee gedaan omdat ik niet graag in andermans kwakkie roer met mijn schuimspaan, dan word je de volgende ochtend wakker met een lul als een rood stoplicht, daar bedank ik voor, alhoewel ik een paar gehuwde dames ken in Frankrijk en Nederland, nou, nou, nou…in een woord adembenemende tiepes waarvoor ik mijn stelregel even voor opzij zou zetten. We moeten nou ook weer niet al te konsekwent zijn.
    Hoofdredacteur Rimmer Mulder van het Leeuwarder Sufferdje, maar ook provinciale collegaat es als Eja Siepman van de Berg, Lode Pemmelaar, Henk Helmantel, Rein Pol en Co Cordel, tevens de fijngristelijke tekenleraar Henk Pietersma en het geachte PVDA lid, de te kenleraar Rienk K. en de tekenleraar J.S. verketterden mijn werk achter mijn rug om. In Groningen had ik fervente tegenstanders als de te kenleraar/amateurschilder Diederick Kraaijpoel, de streng gereformeerde kunstschilder Henk Helmantel, de kunstschilderende pantoffel held Fokko Rijkens, de abstracte knoeier Martin Tissing, de stijlgriffermeerde tekenleraar/waterverver Jan van Loon (hij kneep stiekem het akademiemodel van Minerva in d’r kut in de bezemkast) en de even stijl gereformeerde E.O. producer van gezapige kunstprogram mas drs. Hans van Seventer. Ik kon bijvoorbeeld geen lid worden van de Noordelijke Realisten of de Noordelijke aquarellisten en ook niet van de Friesche Kunstenaarsvereniging Fria die ik n.b. zelf heb opgericht in 1985. Ik ben dus eigenlijk uit Friesland/Groningen weg gepest. Nu is het leven in Frankrijk heel wat beter dan in Nederland, dus wie het laatst lacht …Zelfs een gereformeerde Friesche tekenle raar/ vrijetijdsschilder (Jan van Loon, voorzitter Drentse Kunstenaars Vereniging), die me in het verleden twee maal heeft besodemieterd met tentoonstellingen kwam hier in Frankrijk met de pet in zijn hand bij ons landgoed aan bellen en gooide een briefje in de bus met een tekst dat we in een heel erg mooi huis woonden, of iets van dien aard. Ik gooi dat soort slijmerige briefjes natuurlijk gelijk weg want ik ben niet geinteresseerd in wat tekenleraren vinden in het algemeen en in mededelingen over ons huis van overbetaalde gepensioneerde leerkrachten in het bijzonder al helemaal niet, want het is me een kast van een huis waar we in leven en werken.

  10. Huub Mous

    23 maart 2007 op 01:24

    Bedankt voor de informatie Josse, ik zal dat supplement van Trotwaer eens opvragen bij Tresoar.

    Ik kan ook Googelen, Jan. Overigens heb ik Fred van der Wal vanavond geinterviewd voor de Literatuerfabryk in Boekhandel De Tille. Ik had hem in 20 jaar niet meer gezien. Het werd buiten verwachting een uiterst plezierig gesprek.

  11. kees

    14 augustus 2007 op 00:13

    Beste Huubmoes,

    ik ben blij dat je iets over Laurens ten Cate heb ik geschreven en ik zie tot mijn verrassing dat ik in je stukje wordt geciteerd. Ik herinner me Laurens heel goed van vergaderingen van Nieuw Links in Utrecht. Hij hoorde eigenlijk niet bij al die jonge honden en hij had ze snel door. Een goed idee om het Historisch Centrum op te zoeken. Dat zal ik zeker doen, want Laurens ten Cate moeten we niet vergeten.

  12. geert schaap

    14 april 2009 op 08:58

    Ik herinner me de gesprekken met Laurens ten Cate voor onze tentoonstelling in de bibliotheek in Wolvega in 1984 nog heel goed. We hebben hem toen (Geert Schaap, Carlo Kroon en Henk van Gerner) een aantal keren bezocht en met hem gesproken over het idee voor onze tentoonstellingscyclus in 1984. (een onderzoek naar de spanning die bestaat tussen het persoonseigene en het gemeenschappelijke) Een cyclus van vier tentoonstellingen met als titel: “1984″. Laurens ten Cate was enthousiast en naar ik meen is het zijn laatste optreden in het openbaar geweest toen hij op 16 december 1983 de woorden uitsprak die me nog steeds zijn bijgebleven. Hij sprak over de bescheidenheid die echte kunstenaars onderscheidt van namaak. En de zinnen; “Wij doen allen wat wij moeten, omdat wij het moeten, zonder te weten waarom wij het moeten en wat er zou gebeuren, als wij het niet deden.” Hoe vaak heb ik sinddien aan die woorden gedacht?? Geert Schaap.

  13. geert schaap

    14 april 2009 op 09:08

    Naar aanleiding van de foto die gemaakt is bij de opening van de tentoonstelling op 16 december 1983 bovenaan deze bladzijde, de volgende reactie. Ik herinner me de gesprekken met Laurens ten Cate voor onze tentoonstelling in de bibliotheek in Wolvega in 1984 nog heel goed. We hebben hem eind 1983 (Geert Schaap, Carlo Kroon en Henk van Gerner) een aantal keren bezocht en met hem gesproken over het idee voor onze tentoonstellingscyclus in 1984. (een onderzoek naar de spanning die bestaat tussen het persoonseigene en het gemeenschappelijke) Een cyclus van vier tentoonstellingen met als titel: “1984″. Laurens ten Cate was enthousiast en naar ik meen is het zijn laatste optreden in het openbaar geweest toen hij op 16 december 1983 de woorden uitsprak die me nog steeds zijn bijgebleven. Hij sprak over de bescheidenheid die echte kunstenaars onderscheidt van namaak. En de zinnen; “Wij doen allen wat wij moeten, omdat wij het moeten, zonder te weten waarom wij het moeten en wat er zou gebeuren, als wij het niet deden.” Hoe vaak heb ik sinddien aan die woorden gedacht?? Geert Schaap.

  14. Huub Mous » Hoe schrijf ik een roman?

    20 augustus 2010 op 14:18

    [...] wat wonderlijke methode, maar zo gek is hij nu ook weer niet. Ik heb mij eens laten vertellen, dat Laurens ten Cate (zie foto) in de laatste jaren van zijn leven – na een zwaar verkeersongeluk – te kampen [...]

  15. GroenLinks is aan revisie toe « George Knight

    2 september 2011 op 13:17

    [...] hun bevlogenheid in een logisch betoog te vangen. Aangevuld met vrijdenkers als Anton Constandse en Laurens ten Cate die verder gingen dan zwart-wit denken is dat nog steeds wat ik in de hedendaagse politiek mis: [...]

  16. nick kempermann

    8 september 2012 op 18:39

    De reactie van Fred van der Kwal is onbeschaamd. Hoe durft hij? Zegt: die in zijn vrije tijd schilderende tekenleraar, de zwaar brillende kikkerkop Diederick Kraaijpoel en drs. Hans van Seventer uit Aduard,

    Deze twee schilders zijn tien keer zo goed als hij, en die kunnen schrijven ipv de onleesbare schrijfsels van die van der Kwal.

    Zegt van der Kwal ook nog: Hoofdredacteur Rimmer Mulder van het Leeuwarder Sufferdje, maar ook provinciale collegaatjes als Eja Siepman van de Berg, Lode Pemmelaar, Henk Helmantel, Rein Pol en Co Cordel, tevens de fijngristelijke tekenleraar Henk Pietersma en het geachte PVDA lid, de tekenleraar Rienk K. en de tekenleraar J.S. verketterden mijn werk achter mijn rug om. In Groningen had ik fervente tegenstanders als de te kenleraar/amateurschilder Diederick Kraaijpoel, de streng gereformeerde kunstschilder Henk Helmantel, de kunstschilderende pantoffel held Fokko Rijkens, de abstracte knoeier Martin Tissing, de stijlgriffermeerde tekenleraar/waterverver Jan van Loon (hij kneep stiekem het akademiemodel van Minerva in d’r kut in de bezemkast) en de even stijl gereformeerde E.O. producer van gezapige kunstprogram mas drs. Hans van Seventer

    Stuk voo stuk topkunstenaaars. Hij heeft het er zelf naar gemaakt dat ze hem niet moeten maar dat is niet om zijn persoon maar om dat geklieder. Karel Appel is al lang verleden tijd, meneer van der Kwal. Nog steeds dat zo met verf smijten is voorbij en dat hand ophouden bij de subsidie ook.

Laat een reactie achter

(verplicht)

(verplicht, wordt nooit weergegeven)