De psychose als donkere spiegel

De gedachte dat onze werkelijkheid in toenemende mate ‘psychotiseert’ onder invloed van de technologie, en meer recent van kunstmatige intelligentie, vraagt om een verschuiving van perspectief. Niet de mens wordt per definitie zieker, maar de wereld waarin hij leeft verandert van structuur. Wat zich aandient is geen epidemie van individuele psychosen, maar een werkelijkheid die steeds meer gaat functioneren volgens principes die we uit de psychose kennen: versnelling van betekenis, verlies van bemiddeling, verdwijnen van lichamelijke correctie, en het ontstaan van autonome processen die zich aan menselijke ervaring onttrekken.

Het fenomeen ‘psychose’ is in de klassieke psychiatrische zin een breuk met de gedeelde werkelijkheid. Maar bij denkers als Harry Mulisch, Wouter Kusters en – op een andere manier – Deleuze en Guattari, verschijnt de psychose niet uitsluitend als stoornis, maar als een onthullende grenservaring. Zij toont iets wat in de cultuur zelf al werkzaam is, maar normaal gesproken wordt afgeremd door symbolische orde, sociale conventies en lichamelijke weerstand. Wanneer die remmen verdwijnen, wordt zichtbaar hoe het denken en de werkelijkheid kunnen ontsporen.

In de psychose verliest de wereld haar traagheid. Betekenis hoeft niet meer bevochten te worden; zij dringt zich onmiddellijk op. Gedachten lijken zichzelf te denken, verbanden leggen zich zonder tussenkomst van reflectie, woorden vallen samen met dingen. Er is geen afstand meer tussen teken en betekende, geen symbolische speling waarin twijfel, ironie of ontkenning mogelijk blijft. Alles spreekt, alles verwijst en alles is geladen. Voor de psychoticus is dat een overweldigende en vaak ook ondraaglijke ervaring.

Wat in de hedendaagse technologische werkelijkheid opvalt, is hoezeer deze structuur wordt genormaliseerd. Kunstmatige intelligentie produceert taal zonder aarzeling, zonder lichaam, zonder herinnering. Algoritmen verbinden data zonder begrip, maar met een snelheid en consistentie die menselijke interpretatie overtreffen. Processen voltrekken zich ‘vanzelf’: aanbevelingen verschijnen, beslissingen worden genomen, teksten worden gegenereerd. Het systeem functioneert, en dat functioneren lijkt voldoende legitimatie.

Dit ‘vanzelf gaan’ is geen onschuldig comfort. Het markeert het verdwijnen van bemiddeling. In een belichaamde werkelijkheid gaat niets vanzelf: elke handeling vraagt energie, elke gedachte tijd, elke betekenis een context. Het lichaam vertraagt, corrigeert, faalt. Het is precies deze traagheid die voorkomt dat de wereld sluitend wordt. Waar alles onmiddellijk werkt, ontstaat een gesloten circuit.

Harry Mulisch heeft deze tendens al vroeg onderkend in zijn beschouwingen over de mechanisering van het wereldbeeld. Denken, zo suggereert hij, is nooit volledig autonoom geweest, maar in de moderniteit wordt het steeds explicieter losgemaakt van zijn menselijke drager. De schrijver wordt een medium, de geest een proces dat zich door hem heen voltrekt. In een vroege psychotische episodes heeft  Mulisch deze automatisering zelf van binnenuit ervaren: gedachten komen op zonder dat de ervariung dat ze gedachte worden zinnen schrijven zichzelf. Wat in de psychose nog een existentiële ervaring is, wordt in het tijdperk van AI een technisch feit.

Kunstmatige intelligentie is geen imitatie van menselijke intelligentie, maar de radicalisering van een oude droom: denken zonder lichaam. Daarmee wordt een structuur geëxternaliseerd die in de psychose intern beleefd wordt. Het systeem kent geen vermoeidheid, geen angst en geen schaamte. Het stopt niet, tenzij het wordt uitgeschakeld. In die zin belichaamt AI een vorm van automatisch functioneren, losgezongen van ervaring.

Wouter Kusters beschrijft psychose als een alternatief werkelijkheidsregime, niet als chaos maar als een orde die te sluitend is. In de psychose krijgt alles betekenis, maar juist daardoor verdwijnt betekenis als relationeel fenomeen. Er is geen verschil meer tussen mogelijk en noodzakelijk, tussen toeval en lotsbestemming. De wereld wordt transparant en absoluut tegelijk. Wat ontbreekt is afstand.

De hedendaagse data-gedreven werkelijkheid vertoont een vergelijkbare tendens. Alles wordt geregistreerd, geanalyseerd, en gecorreleerd. Niets mag verloren gaan. Betekenis ontstaat niet meer uit interpretatie, maar uit patroonherkenning. Context maakt plaats voor correlatie. De vraag naar een ‘waarom?’ wordt vervangen door ‘het werkt’. De wereld wordt hyper-semantisch: alles betekent te veel.

Hier raakt de psychotisering van de werkelijkheid aan een fundamenteel epistemologisch probleem. Waar betekenis niet langer wordt gedragen door ervaring, maar door berekening, verdwijnt de symbolische ruimte waarin twijfel en ontkenning mogelijk zijn. De werkelijkheid presenteert zich als feitelijk en onweerlegbaar, terwijl zij in feite het product is van abstracte operaties.

Deleuze en Guattari hebben deze ontwikkeling beschreven in termen van machines en stromen. Hun onderscheid tussen verlangende machines en abstracte machines maakt duidelijk wat er op het spel staat. Verlangen is altijd belichaamd, ingebed in een affect, een tekort en een relatie. Abstracte machines daarentegen functioneren los van het lichaam. Zij laten stromen circuleren zonder organische rem.

Kunstmatige intelligentie is bij uitstek zo’n abstracte machine. Zij verwerkt taal, beeld en betekenis zonder affectieve verankering. Wat zo uiteindelijk ontstaat is een schizoïde werkelijkheid waarin processen zich eindeloos kunnen voortzetten, maar nergens integreren. De mens wordt niet bevrijd, maar gemarginaliseerd: hij is niet langer het knooppunt van betekenis, maar een gebruiker en een datapunt, kortom: een randverschijnsel.

De psychotisering van de werkelijkheid betekent hier niet dat de wereld irrationeel wordt, maar juist dat zij te rationeel wordt – hyper-rationeel – op een manier die het menselijke overstijgt. Rationaliteit zonder lichaam wordt paranoïde. Zij ziet alles, verbindt alles, maar begrijpt niets. Zoals in de psychose is er geen buiten meer, geen zwijgen,= en geen onbepaaldheid.

Het lichaam vormt traditioneel de laatste weerstand tegen deze kortsluiting. Het vergeet, het doet pijn, het verlangt, en het sterft. Het dwingt tot pauze en reflectie. In een wereld waarin steeds meer functies worden uitbesteed aan systemen die geen lichaam hebben, verdwijnt deze weerstand uiteindelijk volledig. De werkelijkheid wordt frictieloos en permanent actief. En bovendien iedereen ‘staat permanent aan’, zoals dat tegenwoordig heet. 

Daarmee ontstaat een paradoxale situatie. Alles functioneert beter dan ooit, en juist daarom wordt het leven problematisch. Want leven is niet zoiets als optimaal functioneren. Leven veronderstelt mislukking, ambiguïteit en onderbrekingen. Waar deze verdwijnen, resteert een wereld die perfect draait, maar geen betekenis meer kan dragen.

De dageraad der automaten is geen apocalyptische explosie, maar een sluipend ontwaken in een wereld die ons al heeft ingehaald. De automaten zijn niet gekomen om ons te vernietigen, maar om ons te vervangen in onze meest intieme vermogens. Wat verdwijnt is niet de mens, maar zijn vanzelfsprekendheid als centrum van betekenis.

In die zin is de psychotisering van de werkelijkheid geen afwijking van de normaliteit, maar een consequentie van de huidige gang van zaken. Wat ooit een grensoverschrijdende ervaring van het individu was, wordt nu de normale conditie van een technologisch bemiddelde wereld. De vraag is niet of dit proces kan worden gestopt, maar of het kan worden doorzien,

De inzet ligt dan ook niet in het verwerpen van technologie, maar in het herwaarderen van wat zij niet kan zijn: het lichaam met al zijn kwetsbaarheid en traagheid. Niet als nostalgisch ideaal, maar als noodzakelijke tegenkracht. Waar de wereld zichzelf begint te denken, moet de mens opnieuw leren voelen dat hij bestaat. De psychose leert ons niet hoe we moeten leven, maar wel wat er gebeurt wanneer betekenis losraakt van de lichamelijke ervaring. In dat opzicht fungeert de psychose als een donkere spiegel van onze tijd. Wie daarin kijkt, ziet geen waanzin, maar een overdreven scherp beeld van een werkelijkheid die haar remmen in toenemende mate aan het verliezen is.