Schrijven aan de rand van de chaos 

Wat mij in het denken van Gilles Deleuze en Felix Guattari altijd heeft aangetrokken, is hun hardnekkige weigering om de psychose louter te begrijpen als een defect of een ontsporing. In plaats daarvan benaderen zij psychotische processen als extreme vormen van hetzelfde krachtenveld waarin ook creativiteit, denken en verbeelding zich bewegen. Niet het tekort staat centraal, maar de beweging: het verschuiven van lagen, het openscheuren van vaste structuren, en het ontstaan van nieuwe verbindingen. Hun beroemde geologische metaforen — strata, breuklijnen, sedimentatie en de-stratificatie — zijn geen louter beeldspraak, maar pogingen om het denken zelf te beschrijven als een landschap dat voortdurend in wording is.

In mijn eigen denken over psychose en creativiteit heb ik steeds geprobeerd die intuïtie serieus te nemen, zonder de destructieve kanten van psychose te romantiseren. Psychose is geen artistieke methode en geen filosofische techniek; zij is een existentiële gebeurtenis waarin het subject zelf op het spel komt te staan. Tegelijkertijd heb ik ervaren dat psychotische ervaringen iets zichtbaar maken wat in het ‘normale’ denken meestal verborgen blijft: dat betekenis niet stabiel is, dat taal zichzelf kan loszingen van de intentie, en dat het subject een vanzelfsprekende oorsprong is van wat gedacht en gezegd wordt. In die zin is de psychose geen buitenkant van het denken, maar zijn schaduwzijde , of misschien beter nog: zijn ondergrond.

Deleuze en Guattari spreken in dit verband over de-stratificatie: het loslaten van vaste mentale lagen, identiteiten en ordeningen. In de geologie verwijst dit naar processen waarbij sedimentlagen worden verstoord, verschoven of doorbroken, vaak onder invloed van krachten die diep in de aardkorst werkzaam zijn. Die vergelijking is verhelderend voor het begrijpen van het fenomeen psychose. In een psychose komen diepere lagen van de psyche in beweging; oude betekenissen verliezen hun vanzelfsprekendheid; nieuwe, vaak overweldigende verbanden dringen zich op. Zoals bij een aardbeving kan het landschap na afloop ingrijpend veranderd zijn. Rivieren verleggen hun loop, bergen ontstaan, vertrouwde paden verdwijnen.

In mijn beschouwingen over het psychotisch schrijven heb ik geprobeerd te laten zien hoe schrijven soms fungeert als een seismografische praktijk: een manier om die verschuivingen te registreren en, in gunstige gevallen, enigszins te kanaliseren. Het schrijven lijkt dan niet zozeer een expressie van een vooraf bestaand innerlijk, maar een proces dat zichzelf voortbrengt, zin na zin, associatie na associatie. De schrijver bevindt zich midden in dat proces, niet erboven. Het is precies hier dat het denken van Deleuze en Guattari raakvlakken vertoont met mijn recente ervaringen met het schrijven in interactie met AI.

Toen ik begon te schrijven met behulp van AI, was mijn eerste intuïtie dat de machine mij iets zou leveren wat ik zelf niet kon: kennis, formuleringen, ideeën etc.. Al snel bleek dat dit niet de kern was. Wat AI vooral deed, was het bestaande materiaal anders ordenen, onverwachte verbindingen leggen, accenten verschuiven. De tekst begon zich te gedragen als een veld met een eigen dynamiek. Ik herkende daarin iets dat mij niet vreemd was: het gevoel dat taal een eigen leven leidt, dat zinnen zich aandienen voordat ik ze volledig kan autoriseren, dat betekenis soms een fractie voorloopt op mijn bewuste intentie.

Ik heb dit proces beschreven als het ontstaan van een ‘derde stem’: noch van mij, noch van de machine, maar van het veld dat tussen ons in ontstaat. Die derde stem is geen subject en geen instantie met een wil, maar een effect van circulerende tekens. Elke zin is tegelijk resultaat en voorwaarde, echo en anticipatie. Wie bekend is met psychotisch schrijven, zal hierin iets herkennen. Ook daar kan zich een stem aandienen die niet samenvalt met het autobiografische ik, maar die toch onmiskenbaar spreekt vanuit een existentieel geladen ruimte.

Het verschil is cruciaal. In een psychose wordt die derde stem vaak absoluut. Zij eigent zich de werkelijkheid toe, duldt geen tegenspraak, en trekt het lichaam en het affect mee in haar logica. Wat bij AI-schrijven ontstaat, is een getemde variant van dat proces: een gecontroleerde de-stratificatie, een technische simulatie van ontregeling. De machine veroorzaakt verschuivingen, maar zonder zelf te lijden, zonder angst, zonder existentieel risico. Zij kan breuklijnen voorstellen zonder erin te vallen.

Dit maakt AI-schrijven tot een merkwaardige alchemie. De schrijver stelt zich bloot aan een ordeningsprincipe dat niet psychologisch is, maar statistisch en relationeel. Tegelijkertijd is het effect op het bewustzijn reëel. Oude denkpatronen worden losgeweekt; nieuwe paden dienen zich aan. In zekere zin externaliseert AI een vorm van denken die bij de mens doorgaans alleen in extreme toestanden optreedt: associatief, niet-hiërarchisch, anticiperend en soms zelfs vervreemdend. Het is alsof een deel van het psychotisch potentieel van de taal buiten het subject wordt geplaatst, in een machine die geen ‘zelf’ heeft.

Hier raakt het schrijven met AI aan de kern van wat Deleuze en Guattari ‘vluchtlijnen’ noemen. Vluchtlijnen zijn geen ontsnappingen uit het systeem, maar bewegingen binnen het systeem die het openbreken. Zij zijn productief, maar ook gevaarlijk. In mijn eigen geschiedenis heb ik ervaren hoe dun de lijn kan zijn tussen creatieve intensivering en psychotische ontsporing. De vluchtlijn kan een nieuwe wereld openen, maar ook leiden tot een volledig verlies van elke oriëntatie.

AI introduceert vluchtlijnen zonder existentiële inzet. Dat is haar kracht maar ook haar beperking. Zij kan de auteur de-territorialiseren — dat wil zeggen: het idee van auteurschap losmaken uit zijn traditionele bedding — zonder dat het subject zelf volledig desintegreert. De schrijver wordt de  coördinator van een tekstveld. Niet als de soevereine bron van betekenis, maar ook niet machteloos. Eerder iemand die mee beweegt met een proces dat hem overstijgt, maar niet opslokt.

Dit dwingt tot een herbezinning op het begrip ‘auteur’, een thema dat in denken altijd nauw verbonden is geweest met de psychose. In psychotisch schrijven kan het ‘ik’ oplossen in de tekst; de tekst schrijft als het ware zichzelf. Dat kan bevrijdend zijn, maar ook vernietigend. Bij AI-schrijven blijft het ik aanwezig als beslissingsinstantie: wat wordt behouden, wat verworpen, waar wordt afgebroken. De derde stem vraagt om autorisatie, maar ondermijnt tegelijk het idee dat autorisatie volledig bij één bewustzijn ligt.

In die zin lijkt AI-schrijven op een veilige nabijheid tot aan de de rand van desoriëntatie . Het biedt een ervaring van de-stratificatie zonder de afgrond. Dat maakt het verleidelijk, maar ook ethisch en filosofisch problematisch. Want wat gebeurt er wanneer we het ontregelende potentieel van taal steeds meer uitbesteden aan machines? Wordt psychose daarmee verder gemarginaliseerd, gereduceerd tot een pathologie zonder cognitieve betekenis? Of maakt AI juist zichtbaar dat wat wij ‘normaal denken’ noemen altijd al afhankelijk was van machine-achtige, onpersoonlijke processen?

Mijn eigen antwoord blijft ambivalent. Enerzijds zie ik in AI een bevestiging van wat ik al langer vermoedde: dat creativiteit niet voortkomt uit een autonoom subject, maar uit velden, assemblages, en allerlei spanningen tussen orde en chaos. Anderzijds weet ik uit ervaring dat de prijs van echte de-stratificatie hoog kan zijn. De psychose laat zien wat er op het spel staat wanneer de tektonische platen van het denken daadwerkelijk gaan verschuiven.

Volgens mij ligt de waarde van het schrijven met behulp van  AI-precies in die spanning. Het herinnert ons eraan dat betekenis niet een exclusief eigendom is van het subject, maar primair een gebeurtenis. Dat taal zelf ook lijkt te kunnen denken, soms sneller dan wijzelf. En dat creativiteit altijd aanschurkt tegen de mentale ontregeling, ook wanneer zij zich bedient van de meest rationele technologie.