Als ik terugzie op 2025, zie ik wat mij betreft een bewogen jaar voor me. Een openhartoperatie en een intensieve behandeling vanwege prostaatkanker. Beide kwalen werden vroeg ontdekt, dus alles is gelukkig goed afgelopen. Ik voel me inmiddels weer kerngezond en superfit. Onderwijl werd vorig jaar aan mij ook nog eens de Van Helsdingenprijs toegekend, die ik in september in ontvangst mocht nemen. Als klap op de vuurpijl won ik ook nog eens de Kotja Radja Prijs, ingesteld door het grootste Chinese Restaurant in Leeuwarden.
Het wonderlijke is dat al deze, toch niet alledaagse gebeurtenissen een beetje langs me heen zijn gegleden, alsof ik ze niet echt heb beleefd. De hartspecialist, bij wie ik onlangs op bezoek was voor een laatste controle, en aan wie ik over dit vervreemdend gevoel vertelde, liet mij weten dat ik er wel op moet rekenen dat ik – zoals ieder mens – niet onsterfelijk ben. Die mededeling leek niet onmiddellijk tot mij door te dringen. Alsof de tijd zelf nog in herstel was, vertraagd en aarzelend, en de betekenis van haar woorden mij pas later zou bereiken.
Mijn lichaam was al teruggekeerd in het ritme van alledag, maar mijn bewustzijn liep achter, nog zoekend naar een vorm waarin deze kennis kon worden geïncorporeerd. Ook dat hoort kennelijk tot het herstel, niet het verdwijnen van het levensgevaar, maar het langzaam weer leren bewonen van de eindigheid van het leven, de reguliere menselijke staat die gewoonlijk als oneindig wordt ervaren, en die zich vorig jaar voor mij een tijdlang alleen in medische termen liet verwoorden.
Toch was het ook weer niet zo onwerkelijk vorig jaar. ’s Nachts had ik vaak heftige dromen, alsof mijn onbewuste overdag wakker was geweest, maar mijn bewustzijn niet. Soms leek het wel of ik in de film The Matrix was beland, of anders: The Truman Show. Dat waren verbeeldingen uit de jaren negentig voor wat ons nu wellicht te wachten staat. Een werkelijkheid die niet meer werkelijkheid wordt, mede door toedoen van AI. Kunstmatige intelligentie verandert in toenemende mate ons leven. Dat is inmiddels een bekend gegeven, waar veel over geschreven wordt.
Vorig jaar begon AI zich ook steeds nadrukkelijker op te dringen in mijn denken, niet alleen als maatschappelijke ontwikkeling, maar ook als iets dat raakte aan mijn eigen manier van ervaren en schrijven. Het ging me minder om wat AI allemaal kan, dan om wat zij ongemerkt uit handen neemt. Niet alleen het eindproduct, maar het hele spanningsvolle traject daartussen: de onrust, het wachten, het niet-weten dat nodig is voordat iets vorm krijgt.
Ik merkte het bij mezelf. Vroeger hoorde innerlijke verwarring bij het schrijven: een teveel aan indrukken, gevoelens die nog geen woorden hadden, dagen van mislukking en stilstand. Nu is er altijd de mogelijkheid om dat proces te omzeilen. Eén zin volstaat, en er verschijnt een tekst die klopt, die zelfs ontroert. Wat ontbreekt, is niet de stijl, maar de noodzaak. De woorden komen, zonder dat ik er eerst doorheen heb moeten gaan.
Datzelfde zie ik om me heen gebeuren. AI luistert, ordent, stelt gerust. Ze helpt mensen hun gevoelens te verwoorden nog vóór die gevoelens echt zijn doorleefd. Dat kan troost bieden, en soms is dat ook nodig. Maar tegelijk wordt iets overgeslagen: het moeizame leren verdragen van spanning, schaamte, onbegrip — precies die frictie waarin betekenis langzaam ontstaat. De vorm komt te vroeg, alsof de wond al verbonden wordt voordat hij pijn heeft mogen doen.
In kunst en muziek gebeurt iets vergelijkbaars. Beelden en klanken verschijnen onmiddellijk, afgestemd op een stemming, perfect passend. Maar juist de weerstand — het mislukken, het opnieuw moeten beginnen — verdwijnt. Wat vroeger een worsteling was tussen drift en vorm, wordt nu een gladde spiegel. Het verlangen wordt niet getransformeerd, maar bevestigd.
Ik begon me af te vragen wat dat doet met het lichaam. Want daar, in dat herstellende lichaam van mij, was niets gladgestreken. Het wist nog van gevaar, van eindigheid, van woede en verlangen die niet zomaar konden worden opgelost. Terwijl de wereld zich steeds soepeler leek te organiseren, bleef daar een rest, iets wat niet meedeed. Misschien is dat wat mij zo vaak het gevoel gaf dat alles wel doorging, maar ikzelf achterbleef.
Het gevaar van AI schuilt voor mij dan ook niet in de technologie zelf, maar in de verleiding om het eigen tekort uit te besteden. Wie zijn innerlijke spanning niet meer hoeft te dragen tot zij vorm afdwingt, verliest iets fundamenteels: de ervaring dat betekenis pijn doet voordat zij houvast biedt. Wat overblijft is rust, maar een rust zonder doorleefd te zijn, een leven dat vanzelf gaat, zonder echt geleefd te worden.
Als ik terugkijk op 2025, komt mij zo’n levensgevoel niet onbekend voor, al had dit wellicht een andere oorzaak. Mijn leven bewoog langs ups en downs, door nachtmerries en stiltes, terwijl de wereld zijn gang leek te gaan. De dingen gebeurden gewoon, de beelden verschenen en de teksten formeerden zich, maar het voelde alsof ik er slechts aan voorbijging. Wie weet was het de rust van een nog onbekend algoritme dat alles voor mij ordende, of de stilte van mijn eigen lichaam dat het tegendeel bewaarde: de echte drift, de onverwerkte woede, de verlangens die niet konden worden verzacht door welke machine dan ook.
Alles werd zichtbaar, alles werd vormgegeven, en toch bleef er steeds weer die lege ruimte, dat moment van afwezigheid waarin ik mijn eigen aanwezigheid moest herontdekken.
Alsof ik er niet was.
