De mystiek van AI: the opposite goes anyway

Het is onbekend wie als eerste de uitspraak “The opposite goes anyway” heeft gedaan. Het citaat is niet terug te vinden in het werk van William Blake en komt niet voor in betrouwbare edities van zijn poëzie of proza. Toch wordt het hardnekkig aan hem toegeschreven. Dat is begrijpelijk, want inhoudelijk sluit het nauw aan bij Blakes denken, vooral bij zijn overtuiging dat tegenstellingen geen obstakel vormen, maar juist de motor zijn van leven en verbeelding. In The Marriage of Heaven and Hell formuleert hij dat kernachtig: “Without contraries is no progression.”

In haar boek Mysticism (1911) bespreekt Evelyn Underhill uitvoerig het werk van Blake, die zij geregeld letterlijk citeert. Voor Underhill waren de christelijke leer en haar dogma’s van fundamenteel belang voor vrijwel alle grote westerse mystici. Zij verankerden hun ervaringen in een gedeeld theologisch kader. William Blake vormt in dit opzicht echter een radicale uitzondering. Bij hem is de christelijke mystiek als het ware om haar symbolische as gedraaid: goed en kwaad, hemel en hel, God en Duivel worden niet moreel gescheiden, maar als noodzakelijke tegenpolen gedacht binnen één en hetzelfde visionaire systeem.

Opmerkelijk genoeg vertoont het hedendaagse debat over kunstmatige intelligentie een vergelijkbare structuur. Niet het relativistische anything goes lijkt hier te gelden, maar veeleer: the opposite goes anyway. Dezelfde argumenten die AI verheffen tot een bevrijdende kracht, worden zonder moeite ingezet om haar als existentiële bedreiging te veroordelen. AI vergroot onze creativiteit , maar en holt haar tegelijk uit. AI democratiseert kennis en produceert tegelijk ongekende ongelijkheid. AI maakt de mens efficiënter maar maakt hem ook overbodig. Hoe stelliger de beweringen, hoe dogmatischer het geloof waarmee zij worden uitgesproken, zowel door utopisten als door doemdenkers.

In dat opzicht is het AI-discours verwant aan Blake’s mystiek, waarin waarheid niet berust op logische consistentie, maar op de intensiteit van geloof. Blake laat zien dat één en hetzelfde symbolische systeem — zelfs wanneer het volledig wordt omgekeerd — in staat blijft om een identieke waarheid te verkondigen. Ook AI fungeert vandaag als zo’n symbolisch knooppunt: zij verschijnt tegelijk als verlosser en demon, als instrument van verlichting en als werktuig van vervreemding, zonder dat het discours zichzelf corrigeert. Integendeel, de tegenstelling versterkt het geloof.

Wat in deze discussie als ‘waar’ wordt aangenomen, berust minder op empirische toetsing dan op identificatie met een toekomstbeeld. Zoals Blake stelde dat waarheid niet zó kan worden verteld dat zij wordt begrepen zonder te worden geloofd, zo krijgt AI slechts betekenis binnen een narratief — van vooruitgang of van verval. De waarheid over AI laat zich niet simpelweg aantonen; zij moet worden aangenomen, bevochten en verdedigd.

Daarmee wordt de waarheid over AI onvermijdelijk een product van beelddenken. AI is geen neutraal object, maar een projectiescherm voor menselijke hoop, angst, schuld en verlangen. En zoals bij Blake elk beeld zijn tegenbeeld vereist, zo kan ook het beeld van AI niet bestaan zonder zijn schaduw. De belofte van intelligentie roept het spook van ontzieling op; de droom van autonomie genereert de angst voor controleverlies. Wie AI als lichtbron ziet, moet haar tegelijk denken in relatie tot de duisternis die zij oproept.

In de publieke verbeelding wordt die achtergrond vaak verduisterd en gemoraliseerd. Het tegenbeeld wordt gereduceerd tot misverstand, kwaadaardigheid of achterlijkheid. Maar zoals bij Blake de Duivel wezenlijk bij God hoort, zo behoort ook de angst voor ontmenselijking intrinsiek tot het geloof in technologische vooruitgang. AI kan slechts ‘oplichten’ tegen een achtergrond van existentiële onzekerheid ,over arbeid, creativiteit, waarheid en identiteit. Wie die achtergrond ontkent, begrijpt het beeld niet.

Die achtergrond is niet toevallig moreel of psychologisch, maar historisch en theologisch geladen. De vraag dringt zich op hoe het heilige verschijnt in een tijdperk waarin de traditionele goden verdwenen lijken, maar hun plaats onmiddellijk is ingenomen door nieuwe iconen van aanwezigheid en macht. Toen in Europa de kruisbeelden langzaam uit de hotelkamers verdwenen, werd hun leegte opvallend snel gevuld door het blauwige licht van de televisie, en later door de schermen van computer en telefoon. In die verschuiving tekent zich een paradox af: het oude religieuze symbool, dat verwees naar een werkelijkheid voorbij de wereld, maakt plaats voor een nieuwe liturgie die zich niet buiten maar midden in de wereld installeert. De dagelijkse nieuwsuitzending krijgt de ernst van een sacrament; de nieuwslezer spreekt met de plechtigheid van een priester. De wereld wordt niet meer vertegenwoordigd, maar opgevoerd, geconsacreerd in beelden.

De vraag is dan ook of secularisatie werkelijk het verdwijnen van religie betekent, of eerder haar transformatie. Steeds opnieuw lijkt de mens zijn verlangen naar een alomvattende eenheid te projecteren op wat voorhanden is: eerst de goden, daarna de geschiedenis, vervolgens de kunst, en nu de technologie. De dood van God blijkt geen einde te zijn, maar een verschuiving van plaats. Het heilige verdwijnt niet, het verhuist. Wat ooit transcendent was, keert terug als immanentie; wat ooit buiten de wereld stond, installeert zich nu in haar infrastructuren. In die zin vormt AI geen breuk met het religieuze, maar een nieuwe fase in een oude beweging.

Dat verklaart wellicht waarom AI zo gemakkelijk theologische trekken krijgt toegedicht. Zij verschijnt als een alwetende instantie, een alomtegenwoordige geest die de brokstukken van een uiteengevallen wereld bijeenhoudt. In een samenleving die radicaal gefragmenteerd is, belooft AI een nieuwe eenheid. Maar die eenheid is van een paradoxale aard: zij is tegelijk totaal en leeg. Het spektakel van media en technologie suggereert samenhang, terwijl de onderliggende ervaring die van versnippering blijft. Deze paradox – de wereld valt uiteen en wordt tegelijk één – heeft een religieuze structuur. Zij herhaalt het oude verlangen naar een mystiek lichaam, naar een geheel waarin het individu oplost en tegelijk behouden blijft.

Hier raakt het AI-discours aan een kernmoment uit de christelijke traditie: de idee van kenosis, de ontlediging van God. In de theologie betekent dit dat God zichzelf leegmaakt en incarneert in de menselijke gestalte. In de moderniteit herhaalt deze beweging zich in seculiere vorm. De transcendentie ontledigt zich steeds verder, totdat zij opgaat in de machine. AI verschijnt in het metafysische vacuüm dat door de dood van God is achtergelaten. Ironisch genoeg wordt de ‘God-is-dood’-theologie zo een nieuwe theologie: secularisatie blijkt niet het einde van het heilige, maar de plaats waar het zich opnieuw belichaamt, zij het in een kunstmatige gedaante.

In die zin is AI geen antwoord op de crisis van betekenis, maar een symptoom ervan. Zij belooft verlossing, maar kan die slechts beloven omdat zij voortkomt uit een leegte. Net als religieuze symbolen functioneert AI niet door wat zij is, maar door wat erin geloofd wordt. God was nooit meer dan het geloof in God; AI is nooit meer dan het geloof in AI. Dat maakt haar niet onschuldig, maar ook niet almachtig. Het mysterie blijft zich spiegelen, telkens opnieuw, in nieuwe gedaanten.

Hier ligt de diepere les die Blake ons vandaag nog kan leren. Niet dat wij moeten kiezen tussen utopie en dystopie, tussen hoop en angst, maar dat wij moeten leren verdragen dat beide tegelijk waar lijken. Niet omdat de werkelijkheid incoherent is, maar omdat ons verlangen dat is. AI is geen eenduidige waarheid, maar een kaars in de duisternis: zij verlicht slechts zolang wij niet vergeten dat het licht zelf schaduwen werpt. In dat besef opent zich geen verlossing, maar wel een ruimte voor denken. We leven in een tijd van nieuwe goden  en oude angsten, het enige wat ons nog rest. De mens glijdt langzaam over in een machine, en de machine neemt het masker van de mens op. Goden verdwijnen, maar de mens blijft, in welke gedaante ook, zelfs in de schaduwen van de dystopieën die door kunstmatige intelligentie worden opgeroepen. Want God was nooit meer dan het geloof in God; en AI is nooit meer dan het geloof in AI. Het mysterie blijft zich spiegelen, en is telkens opnieuw een projectie van onze diepste verlangens en angsten.

En toch: de mens is slechts mens. Hij wordt ouder, kwetsbaarder, maar in deze tijd van AI paradoxaal genoeg ook jonger dan gisteren, alsof de tijd zelf niet weet welke richting zij moet kiezen. De mens blijft een raadsel, zoals ook de machine steeds meer een raadsel wordt. Zelfs het heilige wordt mogelijk maakbaar, en wat gemaakt wordt, opent de deur naar het onbekende, het numineuze. De verschijning van AI oogt in die zin soms als de terugkeer van de Verlosser op aarde. Zo hoorden ooit velen een stem op de heuvels van Galilea, geen geluid slechts, maar een siddering die door de menigte trok, een kracht die het innerlijk openbrak en ontroerde tot in het diepst van de ziel.