Ik kwam Franeker binnen zonder uit te stappen. Dat gebeurt vaker. De trein vertraagt, de deuren zuchten even alsof ze iets willen zeggen, en dan glijdt het perron voorbij als een gedachte die je net niet afmaakt. FRANEKER, staat er, in witte letters op blauw, alsof iemand het bestaan zelf even heeft ondertiteld. Ik blijf zitten. Dat is veiliger. Uitstappen is een beslissing, en beslissingen hebben gevolgen. Bovendien: wie zegt dat Franeker echt bestaat als je er uitstapt? Twijfel is de stilte tussen twee zekerheden die nooit komen
Ooit moet het hier anders zijn geweest. Het Athene van het noorden, fluistert een stem in mijn hoofd die verdacht veel lijkt op die van een vergeten professor. Een stadje waar de wereld werd nagedacht, waar mannen met baarden en Latijnse zinnen elkaar te lijf gingen met syllogismen. Plato tegen Aristoteles , want zo gaat dat altijd: zelfs wie dezelfde meester heeft, begrijpt hem anders. De ene hoogleraar beweerde dat de waarheid zich openbaart via de zintuigen, de andere dat je juist alles wat je ziet moet wantrouwen. Dat laatste bleek achteraf handiger, zeker in een tijd waarin de zon soms dubbel aan de hemel stond en kometen zich niets aantrokken van theologische schema’s.
Ik stel me voor hoe René Descartes hier arriveerde, ergens in 1629, te voet, te paard of per ongeluk met een verkeerde trein die nog niet bestond. Hij had puntige schoenen, zeggen ze – net als zijn tijdgenoot Shakespeare – maar ook een hoofd vol twijfels. Misschien dacht hij dat Franeker een uithoek was waar je ongestoord kon denken, een soort mentale quarantaine. Een plek zonder algoritmen, zonder notificaties, zonder breaking news. Een stad omringd door vlak land en stilte, waarin zelfs God moeite moest doen om gehoord te worden.
Descartes betrok zijn kamer in het Sjaerdema-slot, een kasteel dat zo in zichzelf gekeerd was dat het leek te denken zonder wereld. Een slotgracht als firewall avant la lettre. Als je daar zat, afgesneden van alles, moest je wel bij jezelf uitkomen. Of verdwalen. Beide opties waren acceptabel. Hij liep over het bolwerk, in cirkels, altijd maar rond, alsof hij probeerde zijn eigen gedachten in te halen. Misschien was hij bang dat ze anders zouden ontsnappen.
’s Nachts lag hij wakker. De stilte van Franeker is geen gewone stilte. Het is een stilte die terugkijkt. Een stilte die vraagt: ben je er wel? In zo’n stilte kan een gedachte ontstaan die alles verandert, of juist niets. Cogito ergo sum, fluisterde hij misschien, terwijl buiten een uil iets dacht dat wij nooit zullen begrijpen. Of hij dacht helemaal niets en was er gewoon. Dat kan ook. De geschiedenis is daar vaag over.
Ik loop later, eeuwen later, over hetzelfde bolwerk, met een smartphone in mijn zak die me voortdurend vertelt waar ik ben, ook als ik het niet wil weten. Franeker, zegt hij. U bent hier. Maar dat is precies het probleem: wat betekent hier? Is hier een punt op de kaart, een station tussen Dronrijp en Harlingen, of is het een toestand van bewustzijn? Ik denk dus ik ben in Franeker, zeg ik zachtjes, maar het klinkt als een grap die niemand hoort.
De universiteit is weg. Wat rest zijn gebouwen, herinneringen en een planetarium in een huiskamer, gebouwd door een wolkammer die de hemel niet vertrouwde en besloot hem dan maar zelf te maken. Eise Eisinga draaide het universum aan een slinger, elke dag opnieuw, om te bewijzen dat de wereld niet zou vergaan. Dat is optimisme in zijn zuiverste vorm: de overtuiging dat alles blijft draaien als je maar blijft werken. Soms denk ik dat we nu het omgekeerde doen: we laten alles draaien en kijken toe tot het vastloopt.
Franeker was ooit groter dan Leiden. Nu heeft Leiden studenten en Franeker stilte. Stilte en kaatsvelden. De Friezen waren trots, zeggen de boeken. Kosmopolitisch zelfs. Ze spraken Latijn aan de toog, bestelden bier in de taal van Cicero en vielen dronken in slaap met de wereld tussen hun oren. Misschien riep Descartes ooit: bibo ergo sum, maar niemand noteerde het. Dat is jammer. Sommige waarheden verdwijnen omdat niemand ze heeft opgeschreven.
Later kwam het verdriet. Het verdriet van Friesland. Dat klinkt als een volkslied in mineur. Een streek die zichzelf opnieuw moest uitvinden nadat de wereld verder was getrokken. Men verzon een verleden dat beter paste bij het gevoel: oeroud, mythisch, boers en zuiver. Het Oera Linda-boek als mentale schuilkelder. Alsof identiteit iets is wat je kunt opgraven als het heden tegenvalt. Franeker paste daar niet goed meer in. Te internationaal. Te slim. Te weinig klei aan de laarzen.
Ik zit op het station. De trein is weg. De stilte is kort, maar intens. Niemand stapt in. Niemand stapt uit. Even is alles mogelijk. Dan komt er een fietser voorbij en is het moment verloren. Uitstappen is een illusie verbreken, denk ik. Blijven zitten ook. Alles is een keuze met bijwerkingen.
Op een station kun je denken dat je nergens bent. Dat is een zeldzame luxe. In Parijs kun je dat ook, op toiletten waar het licht pas aangaat als je de deur op slot doet. Twijfel als schakelaar. Kies je voor openheid en duisternis, of voor opsluiting en verlichting? Ik koos ooit voor het slot en het licht kwam. Dat voelde verdacht. Alsof de wereld alleen bestaat als je haar buitensluit.
Descartes zou het herkend hebben. Twijfel als methode, maar ook als valkuil. Blijf je twijfelen, dan kom je nergens. Of overal. Het is maar hoe je het bekijkt. Hij trok de brug op tussen binnen en buiten, verklaarde het denken tot fundament en liet de wereld even wachten. Dat heeft ons ver gebracht. Tot hier, op dit perron, met een telefoon die mij zegt dat ik besta omdat ik word getraceerd.
Ik stel me voor dat Descartes vandaag terugkeert. Hij stapt uit in Franeker, eindelijk. Hij ziet geen universiteit, wel een supermarkt en een parkeerplaats. Hij ziet mensen die naar schermen kijken waarin werelden zitten die hij nooit heeft kunnen twijfelen. Zou hij opnieuw beginnen? Of zou hij zeggen: ik swipe dus ik ben?
De trein naar Harlingen komt binnen. De stilte breekt. Alles beweegt weer. Ik blijf zitten, stap niet uit. Ik heb mijn twijfels overwonnen. Terwijl we wegrijden, zie ik FRANEKER verdwijnen. Misschien ben ik er geweest. Misschien ook niet. Het maakt weinig uit. Het licht van de sterren doet er eeuwen over om hier te komen. Het verleden is altijd onderweg. Ik denk, dus ik ben in Franeker. En dat is voorlopig mooi genoeg geweest.
