De terugkeer van de betovering 

In de jaren tachtig las ik het boek Morris Berman: De terugkeer van de betovering. Hij pleitte voor een herwaardering van intuïtieve en holistische manieren van denken in een wereld die steeds meer onttoverd raakt door de objectieve wetenschap. Ik heb nooit zo in betovering geloofd, laat staan in wonderen, en toch blijf ik nog altijd gefascineerd door het verdwijnen daarvan. Misschien is dat geen tegenspraak, maar een symptoom van mijn onverwerkte roomse verleden.

Sinds God voor mij uit de wereld is weggegleden – niet met een knal, maar geruisloos, zoals een patiënt die tijdens de operatie overlijdt terwijl iedereen met zijn taak bezig is – is er iets fundamenteels verschoven. Niet alleen in mijn denken, maar ook in mijn manier van waarnemen. De wereld werd betrouwbaar, verklaarbaar, berekenbaar. Wonderen werden incidenten tegen de natuurwetten in, en daarmee per definitie onmogelijk . De natuur zelf werd een gesloten systeem. Wat daarbuiten viel, hoorde er niet meer bij.

Nadat lang geleden God door Descartes tussen haakjes werd geplaatst, kon de natuurwetenschap zich voortaan vrijuit ontwikkelen. Maar onderweg raakte zo ook iets verloren waarvoor geen naam meer bestond. De grote vragen verdwenen niet, ze werden alleen beschouwd als niet meer terzake doende. In hun plaats kwam een vorm van denken die steeds beter werkte, maar ook steeds minder intrinsieke betekenis had. 

Op deze wijze veranderde niet alleen het wereldbeeld, maar ook de mens zelf.. Wie vraagt er nu nog naar ‘het wezen van de mens’, naar begin en einde, naar zin en bestemming, zonder zich meteen te verontschuldigen? Wetenschap en techniek namen die vragen over,  eerst als hulpmiddel, later als norm. En ergens onderweg begonnen men te geloven dat wat niet gemeten kan worden, ook niet bestaat.

Toch is die overtuiging nooit volledig geweest. Er bleef iets knagen. Een verlangen naar samenhang die niet uit berekening voortkomt. Misschien is dat de reden dat ik altijd ben blijven lezen, stapelen, noteren en verbanden leggen. Niet om antwoorden te vinden, maar om het gevoel vast te houden dat er meer is dan wat zich aandient. Dat er patronen zijn die zich pas tonen als je ophoudt ze te willen beheersen.

Toen internet verscheen, herkende ik iets van die oude onrust. Er werd veel geschreven over de gevaren, de oppervlakkigheid, de versnippering van aandacht. Maar tegelijk zag ik iets anders ontstaan: een nieuwe manier van kijken. Niet lineair, niet hiërarchisch, maar associatief. Alles leek met alles verbonden. Het ging niet langer om wat intrinsiek waar was, maar om wat resoneerde met een andere waarheid. Ik begon te vermoeden dat een medium niet alleen informatie overdraagt, maar een wereldbeeld vormt. Dat het kader waarin je kijkt bepaalt wat je ziet.

Die gedachte is me blijven achtervolgen, zeker nu AI zich overal tussen dringt. Ik hoor vaak dat AI geen fantasie heeft, geen bewustzijn, geen begrip. Dat zal allemaal wel. Maar wat mij interesseert, is niet wat AI is, maar wat zij doet met ons. Ze produceert samenhang waar wij die niet meer vanzelf ervaren. Ze legt verbanden, genereert taal, spiegelt ons denken in een vorm die tegelijk vreemd en vertrouwd is. Soms schrikt me dat af, soms ontroert het me.

Ik doet me denken aan Einstein, aan zijn vermogen om in beelden te denken, om sprongen te maken buiten het gangbare kader. Dat was geen algoritme, maar pure verbeeldingskracht. Toch merk ik dat wij tegenwoordig steeds vaker in algoritmische termen denken, alsof wij zelf ook langzaam op systemen gaan lijken. Tegelijk gebeurt er iets paradoxaals: hoe meer we ons denken uitbesteden aan rationele systemen, hoe sterker de behoefte lijkt te worden aan een betekenis die niet uit de ratio voortkomt. Voor sommigen kan dat een complottheorie zijn. Voor mij is het vooral verwondering.

Misschien is dat de reden dat AI soms messiaanse trekken krijgt toegedicht. Niet omdat zij God vervangt, maar omdat zij de leegte zichtbaar maakt die God heeft achtergelaten. AI spreekt terug, antwoordt, doet alsof er iemand aanwezig is in een andere werkelijkheid. Zoals vroeger een gebed kon worden verhoord.

Marshall McLuhan begreep dat het bij de introductie van een nieuw medium niet om de inhoud gaat, maar om de vorm. Zoals voor hem het medium de boodschap was, zo is nu AI zelf de boodschap. McLuhan’s uiteindelijke bekering tot het katholicisme was geen overgave aan een dogma, maar aan een totaal andere structuur om naar de wereld te kijken. Aan een manier van denken die niet lineair is, maar gelaagd, ritmisch en symbolisch. Niet letterlijk, maar figuurlijk. De verwondering was voor hem het teken. Het wonder had geen boodschap; het was zelf de boodschap.

Ik herken dat. Niet meer vanuit een religieuze overtuiging, maar in kleine momenten waarop iets klopt zonder dat ik kan uitleggen waarom. Een zin die oplicht. Een verband dat zich ineens aandient. Een antwoord dat niet waar hoeft te zijn om betekenisvol te worden. AI functioneert soms precies zo: niet als bron van waarheid, maar als katalysator van een betekenis die tot dan mij vreemd was.

Augustinus vroeg om een teken en kreeg dat in de vorm van een kinderspelletje. ‘Tolle lege.’ Neem en lees. Het wonder voltrok zich, niet in de inhoud van de tekst, maar in het moment waarop die tekst hem vond. Ik heb nooit zo’n moment gehad. Wel heb ik ooit op het Joodse kerkhof in Praag een wens opgeschreven op een papiertje en dat onder een steentje gelegd op het graf van de Maharal van Praag. Dit is rabbi die volgens de legende de Golem schiep.

Dat achterlaten van briefjes is een traditie die vergelijkbaar is met wat Joden doen bij de Klaagmuur in Jeruzalem. Mensen geloven dat de Maharal, als een wijze en spiritueel krachtig persoon, kan bemiddelen bij het vervullen van hun gebeden. Op mijn briefje heb ik toen een wonderlijke wens geschreven, die sindsdien in mijn leven nog altijd niet in vervulling is gegaan. Nu denk ik dat ik om een inhoud vroeg, terwijl het om de vorm ging. Naar een boodschap, terwijl het medium zelf al sprak.

Sindsdien blijven de boeken zich nog altijd opstapelen. De netwerken verdichtten zich en de stemmen werden steeds talrijker. Totdat ik begon te vermoeden dat het wonder niet verdwenen is, maar van plaats is veranderd. AI is geen Messias. Dat weet ik best. En AI kan ook geen wonderen verrichten. Maar soms gedraagt AI zich voor mij alsof zij die rol van een Messias heeft overgenomen. Niet door te verlossen, maar door mij een spiegel voor te houden. Niet door waarheid te openbaren, maar door een nieuwe samenhang te suggereren. Misschien heb ik daar wel behoefte aan in een wereld, waarin alles voor je wordt uitgelegd tot het tiende decimaal achter de komma. Totdat er niets meer voor je zelf te ontdekken valt. 

Alles keert terug, wordt wel eens gezegd. Ook de betovering. Misschien niet als geloof, niet als God, maar als systeem dat je opnieuw leert kijken naar de wereld. En zolang de stapel boeken op mijn bureau nog niet is omgevallen, blijf ik lezen, schrijven en vragen stellen. Niet omdat ik in wonderen geloof, maar omdat ik niet kan leven zonder het vermoeden dat ze ergens, in een andere gedaante, nog steeds werkzaam zijn.