Heimwee naar de zee

Toen ik zo’n jaar of veertien was, fantaseerde ik wel eens dat ik een oliedruppel was. Dat lijkt achteraf een riskante bekentenis, nu olie vooral wordt geassocieerd met olierampen, klimaatrapporten en boze activisten die zich aan schilderijen vastlijmen. Maar destijds was olie nog onschuldig. Ik had ergens gelezen dat de moleculaire structuur van olie zodanig was dat één enkele druppel zich vrijwel eindeloos over het oppervlak van de zee kon uitspreiden. De moleculen onttakelden zich in lange ketens en vormden een vliesdun tapijt dat zich over het water uitvouwde als een kosmische ademhalingsoefening.

Dat leek me prachtig: mezelf verliezen door me te verspreiden. Verdunnen tot nabij het niets. Tegenwoordig heet dat “opgaan in het netwerk”, maar toen was het gewoon een wat vochtige puberfantasie. Later bedacht ik dat dit oceanisch verlangen waarschijnlijk een orgastische verbeelding was, vermomd als natuurkunde, en tegelijk een vorm van heimwee. Niet alleen naar de kindertijd, maar naar iets wat daar nog aan voorafging. Heimwee naar het embryo. De zee staat immers voor de moeder, maar de moeder staat ook voor de zee, een gedachte die tegenwoordig vermoedelijk onmiddellijk zou worden gefileerd door een panel van evolutionair psychologen, genderwetenschappers en een moderator van de publieke omroep.

Jaren later voelde ik mij bevestigd toen ik het boek Het oceanisch gevoel van Sándor Ferenczi las. Ferenczi— door Freud ooit als zijn meest briljante leerling bestempeld, voordat hij hem net zo zorgvuldig liet vallen als een te natte handdoek — legt daarin op speculatieve maar onweerstaanbare wijze parallellen tussen de wording van het biologische leven en het menselijke driftleven. Het leven kroop ooit uit zee, niet omdat het dat wilde, maar omdat de zee tijdelijk gesloten was wegens onderhoud.

Visachtigen werden landlopers. Kieuwen werden pootachtige aanhangsels. Longen werden geïmproviseerd, min of meer zoals vandaag de dag nieuwe apps worden uitgerold: half getest, maar onvermijdelijk. De zuurstof moest voortaan uit de lucht worden gehaald, een beslissing waar we evolutionair gezien nog steeds de gevolgen van ondervinden. Deze oerdrama’s herhalen zich, aldus Ferenczi, in de embryonale ontwikkeling. Het embryo speelt in negen maanden de hele evolutie nog eens af, als een biologie-examen dat niemand heeft aangevraagd. Dat deze gedachte deels gebaseerd was op dubieuze tekeningen van Ernst Haeckel doet er nauwelijks toe; ook algoritmen werken tegenwoordig op basis van twijfelachtige aannames, en niemand lijkt daar wakker van te liggen.

Zelfs de geboorte is volgens Ferenczi een trauma: een gewelddadige uitzetting uit de zee, begeleid door een oerschreeuw die de longen moet openrukken. Een soort Exodus avant la lettre, maar dan zonder terugkeer-mogelijkheid. Het Beloofde Land was het vooruitzicht van het vaste land.

Heimwee naar de zee ligt dus diep verankerd in ons lichaam. Het duikt op in de slaap, de roes, de seks en uiteindelijk in het sterven. De mens wil terug, niet vooruit. Wat wij vooruitgang noemen is vaak een omweg naar regressie, maar dan met betere verlichting en slechtere luchtkwaliteit. De psychoanalyse concludeerde hieruit dat de ‘thalassale regressiedrang’—het heimwee naar de zee—een fundamentele motor is van al ons handelen. Het vruchtwater van het embryo is een geïntrojecteerde oceaan. We dragen een privé-zee in ons mee, maar vergeten haar zodra we leren praten.

Wat wij overerving noemen, is volgens Ferenczi in feite het doorschuiven van onverwerkt trauma naar het nageslacht. Seks is dan geen voortplanting, maar trauma-therapie met bijwerkingen. De reukzin speelt daarbij een sleutelrol. Maritieme geuren werken nog altijd als een biologische herinnering. Niets voor niets ruikt de vagina naar vis, een observatie die vandaag vermoedelijk zou worden weggefilterd door een gevoeligheidscommissie.

Ferenczi gaat ver. Hij beschrijft hoe de seksuele polariteit mogelijk ontstond uit vissen met speerachtige uitstulpingen, voorlopers van de penis. Bij de narwal is die speer nog altijd te zien: geen wapen, maar een hypergevoelig tastorgaan, een soort evolutionaire USB-stick. De narwal als vergeten icoon van onze seksuele geschiedenis. Het dier zou vandaag zonder twijfel een eigen TED Talk krijgen.

Ook de foetushouding tijdens de slaap verwijst naar dit alles. We krullen ons samen als smartphones die ’s nachts worden opgeladen. Zelfs in de dood keert deze houding terug. Primitieven begroeven hun doden in hurkzit. De slachtoffers van Pompeï verstarden in embryonale vormen. Het leven trekt zich terug tot zijn beginstand, zoals een computer die vastloopt en zichzelf herstart.

Het doel van het leven, schrijft Ferenczi zonder ironie, is de dood. Het levenloze was er immers eerder. Heimwee naar de dood is de motor van de levensdrift. Een gedachte die rond 1900 populair was, toen men nog geloofde dat grote theorieën de wereld konden verklaren, en nog niet wist dat die taak ooit zou worden overgenomen door dashboards en grafieken. AI is ons laatste doekje voor het bloeden. Deepdown wil ieder mens terug naar de embryonale oceaan met haar a-syncopische klopgeluiden van het eigen hart en het moederhart.

Maar a-syncopische klopgeluiden zijn verworden tot een herhaling zonder verschil. Nu zijn die geluiden wat overblijft wanneer het lichaam zwijgt, de adem verdwijnt en de tijd geen toekomst meer heeft.  De wereld wordt niet meer beleefd als dragend, maar als opdringend. Toch waren leven en dood van oudsher geen tegenpolen, maar elkaars schaduwen, beide voortvloeiend uit de zee. Anorganisch en organisch vloeiden ooit in elkaar over als golven. Nu drijft op de oceaan van het leven het heimwee naar de dood, tegenwoordig verpakt als burn-out, doom-scrolling of een plotseling opkomend verlangen naar stilte.

Gisteren las ik opnieuw een hoofdstuk uit De oceanische ervaring. Om mij heen zag ik spartelende potvissen en narwallen met hun fragiele speren. Ze leken aangespoeld, klaar om te worden ontleed, gecategoriseerd en tentoongesteld in een museum met een QR-code erbij. Lijk en leven vielen even samen in een vreemde osmose.

Ik hoorde de oceaan in een gedicht van Jack Kerouac, terwijl mijn telefoon meldde dat de zeespiegel stijgt, de ijskappen smelten en dat ik mijn wachtwoord moet vernieuwen. We leven in dagen van angst voor de ondergang, van klimaatpessimisme en de algoritmische geruststelling van onze paniekaaanvallen.

En toch klinken overal dezelfde geluiden. Over continenten, nieuwsfeeds en tijdzones heen:

rrroeesjjj… rrrooesjjj… rrrooesjjj…

Alsof de zee ons terugroept. Of ons uitlacht.