Op 17 augustus 2003 overleed Johan Huijsser. Hij was beeldend kunstenaar en woonde in Egmond aan Zee. Ik las het bericht van zijn dood bij toeval in een overlijdensadvertentie. De laatste keer dat ik bij hem op bezoek was moet in het begin van de jaren zeventig zijn geweest. Ik schreef nog een brief naar zijn nabestaanden en ontving een dankbaar bedankje terug. Zijn graf, las ik, ligt op de Adelbert-begraafplaats aan de Dennenweg in Bloemendaal: onder de dennen, aan de rand van een dal waar bijen worden gehouden, vlakbij een kerkje dat lijkt op een Van Gogh-schilderij. Godfried Bomans ligt er begraven, maar ook Dr. A.F.C. Overing, de psychiater bij wie ik zestien van mijn leven in behandeling ben geweest.
Johan Huysser was geen groot kunstenaar in de gangbare zin, maar een bijzonder mens. Vier maanden lang zaten wij samen in een psychiatrische inrichting, Sint Willibrordus in Heiloo, in de winter van 1966. We konden het goed vinden. Ik was een wat vroegwijze maar ook wereldvreemde middelbare scholier, hij een man achttien jaar ouder, gevormd door de Franse cultuur, door primitieve kunst en oude oude beschavingen. In zijn atelier in de Provence was hij in een psychose geraakt, een gebeurtenis die zijn hele wezen had veranderd.
Zo konden we urenlange gesprekken voeren, over de wonderbaarlijke krachten die schuil gaan in het onbewuste, over Jung maar ook over de schilderijen van Dali, de surrealisten, André Breton en over Artaud, wiens boeken hij gelezen had, maar ik nog niet. Johan wees me ook op Pauwels en Bergier, die in hun boek Le matin des magiciens, (1960) beweerd hadden dat veel van de wetenschappelijke ontdekkingen van de moderne tijd gebaseerd waren op oude occulte kennis en praktijken.
Johan opende voor mij een wereld waar ik tot dan toe vrijwel niets van wist. Hij wees me op het tijdschrift Planète, waar hij in Frankrijk geabonneerd op was geweest, en dat later in de jaren zestig ook Nederland zou verschijnen onder de titel Bres Planète. Harry Mulisch zou dit schimmige periodiek later ‘de Telegraaf van het onderbewuste’ noemen. Johan was op zoek geweest naar het wonderbaarlijke, na het lezen van het gelijknamige boek van Ouspensky over de geheime leer van Gurdjieff, wiens foto, die Johan mij liet zien, mij deed denken aan de onpeilbare diepte in zijn eigen ogen, waarin ik soms de Middelbare Zee meende te zien.
Johan geloofde niet in waanzin als een ziekte van het brein. ‘Het zit in mijn hart, niet in mijn hoofd,’ riep hij eens razend, toen men een elektro-encefalogram bij hem wilde afnemen. De doktoren zochten afwijkingen in hersengolven, terwijl hij wist dat de bron van alle verbeelding in het hart ligt. Een psychose is, zo zei hij, niets anders dan een overvloed aan emotie waar de geest tijdelijk geen raad mee weet.
Deze opvatting verbond hem, in mijn ogen, direct met Gurdjieff. Net zoals Gurdjieff de mens zag als een machine die slechts zelden wakker is, zo leken psychotici op het randgebied van wakker en slapen te functioneren, tussen mechanisme en bewustzijn, tussen chaos en orde. Het neurologische paradigma, waarin het brein werd gereduceerd tot een systeem van neuronen, synapsen en neurotransmitters, sloot precies aan bij het mechanistische mensbeeld dat Gurdjieff uiterst fel bekritiseerde: de mens als een geprogrammeerde machine, waarvan de emoties en impulsen nauwelijks onder controle staan. In die kloof tussen hart en hoofd, tussen subjectieve ervaring en wetenschappelijke observatie, lag de essentie van onze verwarring.
In die tijd ondergingen wij behandelingen die nu archaïsch lijken: elektroshock, insuline- en slaapkuren, gecombineerd met de eerste antipsychotica. Johan kreeg elektroshocks; ik een slaapkuur. De moderne psychiatrie, sinds de jaren vijftig gericht op snelle biologische interventies, had het hart buiten beschouwing gelaten.
De jaren zestig waren bovendien een roerige tijd door de opkomst van de anti-psychiatrie. Mensen als David Cooper en Ronald Laing wilden je laten geloven, dat het een uniek voorrecht was om in het huidige maatschappelijke systeem een psychiatrisch patiënt te zijn. De psychose was in hun optiek niet alleen een authentieke oerervaring uit een ver verleden, maar ook het ultieme verzet tegen de vervreemding van de moderniteit en de beknellende kooi van burgerlijke instituties als huwelijk en gezin. Kortom, de psychiatrische patiënt werd in die roerige jaren, waarin ik zelf zo’n patiënt was, zoiets als een artistieke rebel, bijna een kunstenaar.
De psychoticus en de kunstenaar werden gezien als twee typen mensen die – bewust of onbewust – in opstand kwamen tegen de gevestigde orde die als ziek werd bestempeld. Zo simpel heb ik het zelf nooit ervaren. Een psychose is in mijn beleving een magistrale explosie van de waan, maar tegelijk ook een diep ingrijpende gebeurtenis die je leven voor jarenlang overhoop kan gooien. Ik heb ook nooit het idee gehad dat mijn psychose in iets met kunst of een vorm van artistieke verbeelding van doen had.
Kunst is uiteindelijk controle, stijl, beheersing, niet het volledige laten vieren van de teugels. Poëzie, zo beweerde William Wordsworth is ‘the spontaneous overflow of powerful feelings from emotions recollected in tranquility.’ Maar deze beroemde zin bevat ook een vraag. Wat is bij het creëren van een kunstwerk van beslissend belang? Is dat de vloed van emoties, waardoor de geest wordt overspoeld of juist de rust waarin de emoties worden vergaard en uiteindelijk geordend worden?
De balans tussen chaos en ordening is eigen aan elke vorm van artistieke creatie. Waanzin is de uiterste staat van van wanorde die de geest kan bereiken. Zou het dan misschien toch zo zijn, dat juist daar op de rand van de totale chaos de hoogste vorm van creativiteit is te vinden? Anders gezegd, het gaat niet om de vraag of kunst en waanzin iets met elkaar gemeen hebben, maar waar hun gezamenlijke oorsprong ligt: in het breken van het hart of in een ontregeling van het brein. Dat is ook de vraag die Johan Huysser mij heeft meegegeven.
De tegendraadse opvattingen van de anti-psychiatrie in de jaren zestig leken bevestigd te worden door Foucault, wiens boek Geschiedenis van de waanzin in 1961 verscheen. Foucault heeft erop gewezen dat het begrip waanzin historisch bepaald is. Het is verbonden met de opkomst van het het antropologisch mensbeeld, dat in het begin van de romantiek is ontstaan. Waanzin was de ultieme tegenpool van de dominant geworden ratio van de Verlichting. Bij de opkomst van de burgerlijke samenleving werd het fenomeen van de waanzin verbonden met collectieve systemen van uitsluiting en opsluiting. De opkomende burgerij moest gedisciplineerd worden en daartoe kwam de mechanismen van de macht in werking die de instituties als het gesticht en de gevangenis deden ontstaan. Later werd me duidelijk dat ook deze visie van Foucault voor een deel historisch bepaald is geweest.
In zijn Een geschiedenis van de psychiatrie, van gesticht tot prozac, dat in 1997 verscheen, schetst Edwin Shorter een heel ander beeld. De opsluiting van patiënten zou rond 1800 lang niet zo massaal zijn geweest als Foucault doet geloven. De sterke toename van geïnterneerden die in de loop van de negentiende eeuw op gang kwam, zou mede te maken hebben met een ander definitie van het ziektebeeld door het ontstaan van de psychiatrische wetenschap en de gelijktijdige opkomst van het moderne kerngezin dat over minder acceptatie-vermogen beschikte om afwijkende gedrag in zich op te nemen. Het ontstaan van de middenklasse in tweede helft de negentiende eeuw loopt parallel met de opbloei van de psychoanalyse. Freuds denkbeelden bleken een codificatie te zijn van het zoeken naar zelfinzicht, dat ook in het ontstaan van de moderne kunst herkenbaar is.
‘De psychoanalyse’, zo stelt Shorter, ‘verhield zich tot de therapie als het expressionisme tot de kunst: allebei waren het schitterende voorbeelden van het zoeken naar inzicht.’ Shorter trekt deze verrassende lijn haast achteloos, bijna in een bijzin van zijn betoog. Dat soort historische dwarsverbanden tussen moderne kunst en psychiatrie zijn nog nauwelijks onderzocht. Het fenomeen kunstenaar heeft een historische dimensie evenals de definitie van de psychiatrische patiënt zijn coördinaten vindt in het wereldbeeld van zijn tijd.
Zo werden in de tijd van de Romantiek nieuwe verbanden gelegd tussen waanzin en creativiteit. Het klassieke beeld van de spiegel, waarin het universum zich had weerkaatst, maakte plaats voor de metafoor van het gloeiende vuur dat van binnenuit de wereld ging verlichten. De scheppende geest van de dichter, zo dacht Shelley, is een smeulende kool, waarvan het vuur door de wind wordt aangewakkerd. Maar ook die wind van de bevlogen romanticus ging liggen en alleen het vuur bleef nog over. Het creatieve vermogen werd voortaan alleen nog gezien als een expressieve kracht van binnenuit. Het ging verstand en rede te boven en raakte verbonden met het irrationele, de cultus van genie en zelfs het demonische.
Moderne kunst en psychose gingen pas echt versmelten in de twintigste eeuw, in fenomenen zoals Art Brut, Cobra en outsiderkunst. Psychotische expressies werden zichtbaar naast artistieke vormen, maar de kloof tussen hart en hoofd bleef bestaan. De creatieve impuls werd tot expressie van binnenuit, terwijl waanzin extreme ontregeling bleef, een echo van de onbewuste chaos die Gurdjieff de ‘slaaptoestand’ van de mens had genoemd.
De vraag die Johan me meegegeven heeft, lijkt nu relevanter dan ooit: waar ligt de gezamenlijke oorsprong van waan en kunst? In het brein of in het hart? De snelle opkomst van AI legt een soortgelijke scheiding bloot: het brein, het cognitieve systeem, wordt extern geprogrammeerd, terwijl het hart, het centrum van emotie en verbeelding, vaak buiten beschouwing blijft. AI kan patronen herkennen, teksten genereren, beelden creëren, maar kan het ook het hart raken, of de chaos van de mens ervaren die Gurdjieff ons leert herkennen als essentieel voor het bewustzijn? De psychose laat zien wat er gebeurt als de interne coördinatie faalt; AI laat zien wat er gebeurt als deze coördinatie wordt uitbesteed.
In retrospectief lijkt mijn tijd met Johan in Heiloo een vroege confrontatie met deze thema’s. Hij vertegenwoordigde een traditie van innerlijke discipline en waakzaamheid die Gurdjieff ons aanbiedt: bewustzijn ontwikkelen te midden van chaos, wakker worden in een wereld die voor het grootste deel slaapt. Zijn verzet tegen de medische reductie van waan tot hersenactiviteit, zijn pleidooi voor het hart als bron van creativiteit en ervaring, laat zich nu lezen als een waarschuwing: technologie, zoals AI, mag de schijn wekken dat we kunnen alles observeren, voorspellen en creëren, maar het kan de innerlijke dimensie van het hart niet vervangen.
Johan’s eigen kunst, zijn portretten en verhalen, weerspiegelde dit inzicht. Het was nooit groot in conventionele zin, maar groots in menselijkheid. Zoals de psychotici in de ateliers van Art brut, illustreerde hij dat de creatieve geest leeft op de grens van chaos en orde. Maar hij herinnerde me ook dat deze grens niet ligt in een brein vol synapsen, noch in algoritmen die patronen nabootsen, maar in een oncontroleerbare coördinatie van innerlijke energie, in het hart dat verbeeldt en beleeft los van de ratio, in een ruimte die niet te peilen valt.
Toen ik jaren later van zijn dood las, dacht ik aan die les. In een tijdperk waarin AI de waan van het menselijke brein simuleert, lijkt het soms alsof de wereld op het randgebied van een collectieve psychose functioneert: een simulatie van bewustzijn, een imitatie van emotie, een productie van creativiteit zonder hart. Johan’s aanwezigheid, zijn wijsheid en zijn humor herinneren mij eraan dat er iets onvervangbaars is in de menselijke ervaring: de noodzaak om wakker te worden, om de eigen chaos te leren beheersen, en om hart en hoofd te verenigen. De psychotische ervaring leert de mens de grenzen van de innerlijke organisatie kennen; AI leert ons de grenzen van de externe nabootsing van deze organisatie. Beide fenomenen vragen om waakzaamheid, en beide herinneren ons aan de kwetsbaarheid van het bewustzijn.
Het inzicht van Johan Huysser, gevormd door de leer van Gurdjieff, door de kunst en door zijn eigen psychose, komt er op neer dat menselijke ervaring nooit volledig kan worden gereduceerd tot patronen, algoritmen of hersengolven. Het hart, met zijn onvoorspelbare stroom van verbeelding en emotie, blijft de sleutel van het bewustzijn. De psychose leert dit misschien op de meest extreme manier, de kunst bevestigt het, en de huidige opkomst van AI dwingt ons er opnieuw over na te denken. In een tijd waarin de realiteit zelf steeds meer een simulatie lijkt te worden, blijft de boodschap van Johan actueel: wees wakker, wees aanwezig, en wees trouw aan de ogenschijnlijke chaos die je hart en geest vormt.
Alleen daar, in die kwetsbare ruimte, bevindt zich het potentieel voor de ware creativiteit.Zo blijft Johan Huijsser voor mij een gids in een wereld die zich meer en meer laat leiden door kunstmatige systemen. Als zijn geest nog ergens rondwaart, dan zal in de branding zijn van het strand van Egmond aan Zee.
