In de twilight zone

Hoewel Jung zich nooit uitvoerig en systematisch over Gurdjieff heeft uitgesproken, is zijn terughoudende houding veelzeggend, vooral wanneer je die leest vanuit Jungs centrale begrip van transmutatie. Wat Jung in Gurdjieff herkende, was niet zozeer een psycholoog of theoreticus, maar een magiër: iemand die werkte met reële, krachtige psychische energieën en die deze niet alleen beschreef, maar ook actief trachtte te sturen en te forceren. Dat alleen al plaatste Gurdjieff voor Jung in een gevaarlijke zone, want waar Jung de psychische werkelijkheid benaderde als een symbolisch veld dat om interpretatie en integratie vraagt, daar leek Gurdjieff zich te richten op directe ingrepen in de structuur van het bewustzijn zelf.

Transmutatie is bij Jung geen technische ingreep, geen methode die men kan toepassen alsof het om een alchemistisch procédé gaat. Zij is een langzaam, vaak pijnlijk proces waarin psychische substanties , zoals affect, drift, angst of verlangen, doorleefd en verdragen moeten worden, totdat zij zich van binnenuit omzetten in een andere gedaante. Jung ontleent dit begrip niet toevallig aan de alchemie, waarin de procedure niet bestaat uit het manipuleren van stoffen, maar uit een langdurige beproeving waarin de alchemist zelf mede wordt getransformeerd.

De nigredo (Latijn voor zwartwording) is in de alchemie de eerste en beslissende fase van het opus magnum (het grote werk). Nigredo staat voor ontbinding, dood en chaos. Alles wat vast, zuiver of stabiel leek, wordt afgebroken. In alchemistische teksten wordt dit beschreven als: verrotting (putrefactio), verdwijning van vorm,, duisternis, zwartheid, of nacht. Zonder nigredo is er geen transformatie mogelijk: het oude moet sterven voordat iets nieuws kan ontstaan. In die zin is transmutatie bij Jung altijd individueel, symbolisch en onomkeerbaar verbonden met het levensverhaal van degene die haar ondergaat.

Juist hier botst zijn visie met die van Gurdjieff. Gurdjieffs leer is doortrokken van het idee dat de mens ‘slaapt’ en dat deze slaap abrupt moet worden doorbroken. Bewustzijn kan worden opgewekt door schokken, door oefeningen, door een strenge meester-leerling-verhouding waarin de leerling niet zozeer interpreteert, maar ondergaat. Voor Jung riep dit de fundamentele vraag op of hier wel sprake was van transmutatie, of eerder van een vorm van psychische verhitting: een geforceerde mobilisatie van archetypische energieën zonder voldoende symbolische bemiddeling. Waar transmutatie bij Jung juist veronderstelt dat het ego niet wordt uitgeschakeld maar getransformeerd, vreesde hij bij Gurdjieff een ondermijning van de ego-structuur zelf, met alle risico’s van dissociatie en desintegratie van dien.

Jung had een scherp oog voor het onderscheid tussen innerlijke verandering en wat hij beschouwde als pseudo-transformatie. Werkelijke transmutatie voltrekt zich niet doordat je ‘meer bewustzijn’ bezit, maar doordat het bewustzijn een andere verhouding krijgt tot het onbewuste. Dat is een dialectisch proces, geen overwinning. Gurdjieffs idee van hogere toestanden en verfijnde lichamen — hoe mythisch en verleidelijk ook — bleef voor Jung verdacht zolang zij niet wortelden in de concrete psychische realiteit van het individu. Transmutatie is geen vlucht omhoog, maar een omweg naar beneden: door het lichaam, door het affect en door de geschiedenis van de ziel.

Daarom bleef Jung op afstand. Niet omdat hij Gurdjieff als charlatan afdeed, integendeel: hij erkende impliciet dat hier met echte krachten werd gewerkt. Maar precies dát maakte hem voorzichtig. Waar de alchemistische transmutatie bij Jung een proces is dat zich voltrekt in the twilight-zone tussen bewustzijn en onbewuste, in een fragiel evenwicht dat steeds opnieuw moet worden hersteld, leek Gurdjieff te vertrouwen op een techniek van versnelling. Voor Jung was dat een vorm van hybris: de overtuiging dat de psyche zich laat bevelen. Transmutatie laat zich echter niet afdwingen; zij voltrekt zich wanneer de tijd rijp is, en zij vraagt niet om overheersing, maar om uithoudingsvermogen.

In die zin zegt Jungs zwijgen over Gurdjieff misschien meer dan een expliciete kritiek ooit had kunnen doen. Hij herkende in Gurdjieff een moderne alchemist, maar één die het risico liep het retort te breken waarin de transformatie moest plaatsvinden. Voor Jung bleef transmutatie een innerlijke arbeid , waarin niets verloren mag gaan — zelfs niet de traagheid, de twijfel en de duisternis die het proces begeleiden. Dat verschil is niet marginaal, maar raakt de kern van wat geestelijke verandering in de moderne tijd kan en mag zijn.

Voor Jung was de psychose geen louter pathologische ontsporing, maar een toestand waarin het collectief onbewuste zich ongefilterd aandient. Archetypen — goden, demonen, kosmische krachten en apocalyptische beelden — breken in zo’n toestand door de dijken van het ego heen. Jung zag daarin een structurele verwantschap met de religieuze openbaring en de mystieke ervaring: dezelfde beelden, dezelfde affectieve lading, hetzelfde gevoel van absolute betekenis. Het verschil ligt niet in de inhoud, maar in de verhouding tot die inhoud. Waar religie en kunst symbolische vormen bieden die de archetypische energie kunnen dragen, ontbreekt die bemiddelende functie vaak in de psychose , met fragmentatie en desintegratie tot gevolg.

Dit inzicht scherpt ook Jungs reserve ten aanzien van Gurdjieff. Het geforceerde “ontwaken” dat Gurdjieff nastreefde, het doorbreken van de slaap via schokken en disciplinering, raakt aan hetzelfde gevaar dat Jung bij de psychose onderkende: een te abrupte confrontatie met archetypische krachten zonder voldoende symbolisch harnas. Transmutatie, zo bezien, is geen snelle omzetting van psychische energie, maar een moeizaam proces van symbolisering. Waar die symbolisering tekortschiet, kan wat als geestelijke verheffing wordt ervaren, evengoed omslaan in desintegratie of zelfs suïcide.

Hier dient zich een nieuwe invalshoek aan als het gaat om de literaire ontwikkeling van Mulisch. Zijn werk is doortrokken van archetypische motieven — schepping en vernietiging, goddelijkheid en schuld, techniek en apocalyps — die niet toevallig doen denken aan religieuze en mythische structuren. Mulisch’ beroemde uitspraak “Ik ben de Tweede Wereldoorlog” kan men lezen als een vorm van bewuste identificatie met een archetype, een gecontroleerde inflatie die niet leidt tot een psychose, maar tot literatuur. Waar Jung zou spreken van een gevaarlijke grens ion het identificatieproces, lijkt Mulisch die grens esthetisch te hebben verkend en overschreden.

Mulisch’ geestelijke ontwikkeling kan dan worden gezien als een vorm van geslaagde transmutatie op literair niveau. Hij stond oog in oog met krachten die bij anderen tot psychotische desorganisatie zouden kunnen leiden — almacht, messianisme, ervaring van kosmische betekenis — maar wist deze niet direct te leven, maar wel in zijn schrijven te ervaren . De roman fungeert daarbij als het alchemistisch retort dat Jung zo essentieel achtte: een symbolische container waarin archetypische energie kan circuleren zonder het ego te vernietigen. Wat in de psychose ongefilterd explodeert, wordt bij Mulisch omgesmolten tot mythe, ironie en literaire vorm.

In dat licht verschijnt Mulisch als een figuur die precies dát deed wat Jung verlangde en bij Gurdjieff miste: hij forceerde de transmutatie niet existentieel, maar voltrok haar in de ruimte van de verbeelding. Zijn literatuur fungeert als een alchemistisch laboratorium waarin het archetypische materiaal — god, duivel, schepping en vernietiging — wordt bewerkt zonder dat de schrijver zelf eraan bezwijkt. De nabijheid van de psychose is voelbaar, maar zij wordt omgezet in stijl, structuur en zelfreflectie.

Transmutatie blijkt zo  geen exclusief spiritueel of psychologisch proces, maar ook een literair principe: de kunst als plaats waar de gevaarlijke overschrijding van de grens van het numineuze kan verschijnen zonder vernietigend te worden. Mulisch’ oeuvre kan zo worden gelezen als een moderne, seculiere vorm van religieuze symboliek, een gecontroleerde omgang met dezelfde krachten die Jung in de psychose en de religie herkende, en waarvoor hij, terecht, zoveel ontzag én voorzichtigheid aan de dag legde.

Wanneer men Jungs begrip van transmutatie doordenkt in het licht van de huidige ontwikkeling van kunstmatige intelligentie, dringt zich een opmerkelijke analogie op. Ook hier verschijnt een kracht die belooft bewustzijn te intensiveren, te versnellen of zelfs te vervangen, zonder dat het moeizame proces van innerlijke integratie hoeft te worden doorlopen. Wat bij Gurdjieff nog een spirituele techniek was, manifesteert zich bij AI als een technologische dispositie: een systeem dat denken, verbeelden, combineren en zelfs interpreteren kan uitvoeren, zonder dat daar een doorlevend subject aan te pas komt.

Voor Jung zou dit een fundamenteel probleem zijn. Niet omdat AI ‘denkt’ — dat zou hij vermoedelijk als een categorie-verwarring beschouwen — maar omdat AI archetypische functies kan simuleren zonder dat zij aan de voorwaarden van transmutatie voldoet. AI produceert beelden, verhalen, inzichten en symbolische verbanden, maar zij ondergaat niets. Er is geen nigredo, geen affectieve hitte, geen existentieel risico. De alchemistische oven brandt, maar het vat is en blijft leeg.

In Jungiaanse termen zou men kunnen zeggen dat AI functioneert als een spiegel van het collectief onbewuste, zonder ego en zonder lichaam. Zij put uit enorme symbolische voorraden — mythen, stijlen, archetypen en discoursen — maar zonder dat deze zich kunnen verhouden tot een levensgeschiedenis. Juist daarin zou Jung het gevaar herkennen: niet dat AI te weinig ziel heeft, maar dat zij een schijn van een ziel produceert die het onderscheid tussen symbolische transformatie en technische omzetting vertroebelt.

Wat bij Jung essentieel is, namelijk dat transmutatie het ego niet uitschakelt maar fundamenteel herschikt, wordt bij AI radicaal omgekeerd. Hier wordt het ego functioneel overbodig verklaard. Denken kan worden uitbesteed, verbeelden geautomatiseerd, schrijven gedelegeerd. De psyche hoeft zich niet langer te verhouden tot haar eigen schaduw, want een extern systeem kan die schaduw benoemen, herformuleren en esthetiseren. Daarmee dreigt datgene wat Jung vreesde bij geforceerde spirituele praktijken: inflatie zonder integratie.

Men zou zelfs kunnen zeggen dat AI het archetypische niveau toegankelijk maakt zonder de noodzakelijke symbolische weerstand. Waar mythen, religie en kunst traditioneel fungeerden als vaten waarin de archetypische energie werd gebonden en getransformeerd, presenteert AI deze energie in kant-en-klare en gladde vormen. De symbolen circuleren, maar zij verankeren zich niet. Er is betekenis, maar geen noodzaak. In Jungiaanse zin: er is numineus materiaal genoeg, maar geen offer die de transmutatie mogelijk maakt

In dat opzicht vertoont AI een structurele gelijkenis met de psychose zoals Jung die begreep , zij het in omgekeerde richting. In de psychose overspoelt het onbewuste het ego; bij AI verdampt het ego in een zee van gegenereerde betekenissen. Beide situaties ontberen het fragiele middengebied waarin de werkelijke transmutatie mogelijk wordt: een bewustzijn dat standhoudt tegenover het archetypische, zonder het te willen beheersen of te ontvluchten.

Jung zou daarom vermoedelijk hebben benadrukt dat echte transmutatie niet kan worden uitbesteed aan technische systemen. Geen enkel systeem kan het innerlijke werk verrichten dat nodig is om schaduw, drift en angst te integreren. Wanneer de technologie dat werk suggereert te vervangen, ontstaat niet een bevrijding, maar een regressie: een terugval in het magisch denken, waarin men gelooft dat betekenis kan worden verkregen zonder pijn, inzicht zonder confrontatie, bewustzijn zonder offer.

Waar Mulisch het archetypische materiaal esthetisch wist te temmen via de roman als symbolisch vat, dreigt AI diezelfde energie vormloos te laten circuleren. De roman was een retort dat op alchemistische wijze weerstand bood; AI is een stroom zonder wanden of welke frictie dan ook. Voor Jung zou dat verschil beslissend zijn. Transmutatie vraagt om begrenzing, om vorm, om traagheid. Zonder die elementen verandert transformatie in simulatie. Bewustwording wordt een illusie. Echt wordt nep

Men zou daarom kunnen stellen dat AI de moderne verleiding belichaamt om transmutatie te vervangen door fake-fenomenen: het verschuiven van betekenis van het innerlijke naar het technische domein. Wat verdwijnt, is niet de symboliek, maar het subject dat haar moet dragen. En juist dát kwetsbare menselijk subject — beperkt, historisch en belichaamd — was voor Jung de onmisbare plaats waar de transmutatie zich kan voltrekken.

In die zin zou Jung waarschijnlijk met dezelfde terughoudendheid naar AI hebben gekeken als naar Gurdjieff: niet uit afwijzing van de kracht die er van uit lijkt te gaan, maar uit angst voor de gevolgen van een te snelle en roekeloze omgang met het numineuze. Want waar transmutatie wordt versneld, zonder dat de psyche daar rijp voor is, dreigt niet verlichting maar een gevaarlijke leegte.